Jaap Wiegers, emeritus-predikant uit Olst, heeft een versie gemaakt van de 150 Psalmen die zich goed laat zingen op de vertrouwde melodie van onder meer het liedboek. Hieronder staat werk van hem. Het is vrij te gebruiken voor mensen en gemeenten die dat willen. 


Psalm 1


1. 

Gelukkig wie zich niet verleiden laat

om mee te doen met wie verlangt naar kwaad,

niet mee wil doen met wie Gods wetten haten,

zich niet met dwaze spotters in wil laten,

maar steeds op Gods geboden is bedacht,

Gods wetten overdenkt bij dag en nacht.


2.

Hij zal zijn als een grote, sterke boom

die staat te pronken aan een brede stroom.

Hij levert telkens weer zijn rijpe vruchten,

zijn blad heeft van de droogte niet te duchten.

Hij is in staat tot ongekende groei,

wat hij begint komt elke keer tot bloei.


3. 

Maar kijk naar wie op wetteloosheid zint:

hij is als kaf dat wegwaait in de wind.

Waar recht heerst is geen plaats voor wettelozen,

de zondaars hebben zelf daarvoor gekozen.

De trouw van God voor wie Hem dient is groot,

de weg van wettelozen loopt steeds dood.

Psalm 2

1.
Wat gaan de volken overal tekeer,

wat willen zij met hun rumoer bereiken?

Zij komen steeds voor niets in het geweer.

De vorsten van de grote koninkrijken,

de wereldmachten spannen allen samen

tegen de Heer en zijn gezalfde knecht:

“Hun slavenjuk, waarvoor wij ons nu schamen

moeten wij kwijt, want wij zijn niemands knecht”.

 

2.
God, in zijn hemel, spot met hen en lacht.

Zij staan verbijsterd als Hij spreekt in woede:

“Op Sion gaf Ik aan mijn koning macht,

op mijn berg nam Ik hem onder mijn hoede”.

 

3.
Ik maak de wereld Gods besluit bekend.

Hij wil mij als zijn eigen zoon beschouwen:

“Als mijn gezalfde heb Ik je erkend.

Wat je Mij vraagt geef Ik je in vertrouwen.

Ik maak je heerser over alle streken,

de hele aarde is jouw eigendom.

Jij kunt de volken met een ijzer breken,

je kunt ze stukslaan als een aarden kom”.

 

4.
Gebruik, o koningen, toch uw verstand,

en wees gewaarschuwd, leiders van de aarde.

Weet dat u door zijn macht bent overmand,

toon bevend dat u vrees voor Hem bewaarde.

Ga met een kus zijn zoon uw eer bewijzen

anders bedreigt zijn wrok u met de dood,

al het geringste kan zijn toorn doen rijzen.

Gelukkig is wie Hij een schuilplaats bood.


Psalm 3

1.
Hoe talrijk zijn, o Heer, / de schenders van mijn eer,
zij willen mij bestrijden.
Zij komen dichterbij / en zeggen over mij:
“God zal hem niet bevrijden”.
U bent mijn schild, o Heer, / en U bent ook mijn eer,
U steunt mij in het leven.
Roep ik: “Het wordt te erg”, / vanaf zijn hoge berg
zal Hij mij antwoord geven.

2.
De nacht brengt diepe rust / en als de zon mij kust
zal God mij weer beschermen.
Ik vrees niet voor het plan / van die tienduizend man
die dreigend rond mij zwermen.
Sta op en red mij, Heer, / sla mijn belagers neer,
versla de wettelozen.
Bij U is redding, Heer, / U zegent keer op keer
het volk door U gekozen.

Psalm 4

1.
O, Here, wil mij antwoord geven,
God, die mij recht doet en mij redt.
Als ik bedreigd word in mijn leven,
wil mijn bestaan dan ruimte geven.
Genadig God, hoor mijn gebed.
Hoe lang maak je me nog te schande,
jij rijke met je leugentroep,
in valse schijn zal je verzanden.
Ik leg mijn toekomst in Gods handen,
de Heer hoort naar mij als ik roep.

2.
Beef voor Gods naam bega geen zonde
bezin u zwijgend in de nacht.
Breng juiste offers, ongeschonden,
blijf in geloof met God verbonden.
“Door wie wordt ons geluk gebracht?”,
zo luidt de moede vraag van velen.
Heer, laat uw licht steeds met ons zijn,
uw stralenglans over ons spelen.
Mijn hart wil in uw vreugde delen,
zij hebben liever brood en wijn.

3.
‘s Nachts kan ik slapen zonder zorgen,
ik slaap, als was ik bij U thuis.
Ik voel mij in uw hand geborgen,
kan bij U slapen tot de morgen
in een vertrouwd en veilig huis.

Psalm 5

1.

Heer God, ik breng voor U mijn zorgen,

luister toch naar mijn jammerklacht.

Sla op mijn roep om hulp toch acht,

ik ben voor U toch niet verborgen,

vroeg in de morgen.


2.

God, U zult misdaad niet gedogen,

U schept geen vreugde in het kwaad.

En een gewetenloze staat

door eigen kwaad diep neergebogen

onder uw ogen.


3.

U haat hen, Heer,die onrecht plegen,

een leugenaar wordt weggevaagd.

Wie zich aan bloedvergieten waagt

en wie constant bedrog wil plegen

die staan U tegen.


4. 

Maar ik mag door uw rijke zegen

uw hoge woning binnengaan,

respectvol in uw tempel staan.

O Heer, houd mijn belagers tegen,

effen mijn wegen.

 


5.
De waarheid hebben zij vergeten,

het onheil huist diep in hun hart,

hun keel is als het graf zo zwart.

Hun tong wil slechts van leugens weten

en is gespleten.


6. 

Laat hen maar boeten voor hun daden,

stuur hen hun eigen valkuil in.

Verstoot hen om hun kwade zin,

zij trachten zelfs om U te schaden.

Bestraf hun daden.


7. 

Wie U een schuilplaats hebt gegeven

jubelt en juicht uw naam ter eer

omdat U hen beschermt, o Heer.

U geeft rechtvaardigen uw zegen,

behoedt hun leven.

 
Psalm 6

1.
Heer, straf mij niet in woede,

sla mij niet met uw roede.

Erbarm U, ik ben bang.

Wil mij genezing geven,

want ik vrees voor mijn leven.

Waarom duurt het zo lang?


2.

Kom weer Heer, spaar mijn leven,

U kunt mij redding geven,

toon mij uw trouw, o Heer.

Wie onder al de doden

heeft uw naam nog van node?

Wie looft U daar nog, Heer?


3.

Moe ben ik van het zuchten,

ik moet in tranen vluchten,

een stroom die almaar zwelt.

Verdriet bedekt mijn ogen,

ik kan ze niet meer drogen

door alles wat mij kwelt.


4.

Weg zij, die mij belagen!

De Heer hoort naar mijn klagen,

Hij hoort mijn roepen aan.

Mijn vijanden, zij vluchten,

zij zweten en zij zuchten.

Zie hen te schande staan!


Psalm 7

1.

Heer, ik wil mij bij U verbergen,

mijn vijanden komen mij tergen.

Ik zie geen kans meer tot verzet

en er is niemand die mij redt.


2.

Heb ik iets tegen U misdreven,

zou onrecht aan mijn handen kleven?

Wanneer ik goed vergold met kwaad,

was ik tot misdaden in staat -

laat dan de vijand op mij jagen,

mij vangen in zijn hinderlagen

en mij vertrappen in het slijk,

mij achterlaten als een lijk.


3.

Sta op, Heer, laat uw toorn ontbranden,

bescherm mij tegen mijn vijanden,

keer U tegen hun razernij.

God van het recht, verdedig mij.

Laat alle volken U omgeven,

uw troon is boven hen verheven,

zie uit uw hoogte op hen neer,

U bent de grootste rechter, Heer.


4.

Help mij, ik ben onschuldig Here,

straf hen die zich van U afkeren.

Geef ons de steun van uw verbond,

U, die de mens geheel doorgrondt.

God is het schild tot mijn bescherming,

oprechten toont Hij zijn ontferming.

Hij is een rechter met gezag:

het kwaad bestraft Hij elke dag.


5.

De vijand zal zijn zwaard scherp vijlen,

hij controleert zijn boog en pijlen,

hij schiet met vuur, veroorzaakt smart

en draagt verderf onder het hart.

Hij graaft een kuil, omringd met wallen,

is daarna zelf daar in gevallen.

Het onheil keert zich tegen hem,

hij zit in eigen bruutheid klem.


6.

Ik zal de Heer van harte prijzen,

Hij zal rechtvaardig vonnis wijzen.

Zijn naam luidt: Allerhoogste Heer.

Ik zing mijn lofzang tot zijn eer.


Psalm 8

1.

Heer, op de aarde klinkt uw naam zo machtig

en aan de hemel toont U zich zo prachtig.

Met stemmetjes die zacht en weerloos zijn

krijgt U een wreed en machtig vijand klein.


2.

Ik vind de hemel op een kunstwerk lijken,

de maan, de sterren, die daar boven prijken.

Wat is de mens, een kleine sterveling?

U houdt hem vast, dat wekt verwondering.

   
3.                    

U hebt hem bijna goddelijk verheven,

luister en glans bekronen heel zijn leven.

U droeg uw schepping over aan uw knecht,

hebt alles aan zijn voeten neergelegd:


4.

het vee, de dieren die op aarde leven,

die in het water en het luchtruim zweven,

al wat U in uw schepping hebt bedacht.

Op heel de aarde klinkt uw naam met macht.


Psalm 9

1.

Alles in mij roept van uw eer,

vertelt uw wonderdaden, Heer.

Aan U dank ik de mooiste dingen,

ik wil verheugd uw naam bezingen.


2.

Beschaamd wijkt nu mijn vijand uit,

hij kwam ten val door uw besluit.

Bekwaam verdedigt U mijn rechten,

wilt als een rechter voor mij vechten.


3.

Bedreigd hebt U de kwade macht,

de goddelozen omgebracht.

De vijanden zijn nu verslagen,

hun grond zal slechts ruïnes dragen.


4.

Dat is hun lot! Maar altijd staat

Gods rechterstoel voor ons paraat.

De wereld zal Hij leiding geven,

Hij oordeelt over ieders leven.


5.

Een burcht is Hij in tijd van nood

voor al wie vrezen voor de dood.

Elk die U kent mag U vertrouwen,

U laat niet los wie op U bouwen.


6.

Feest voor Hem die op Sion troont,

die zich door al zijn daden toont.

Ferm wreekt Hij bloed, gedenkt de doden,

Hij heeft een oog voor alle noden.


7.

God, help mij nu ik word gehaat,

de dood mij dicht voor ogen staat.

Graag zal ik van uw werk getuigen

en in de poort van Sion juichen.


8.

Hij die een kuil voor iemand graaft,

wie dom zijn eigen net in draaft:

hemelse rechtspraak geldt voor allen,

God doet de goddelozen vallen.


9.

Ik zeg: Ga naar het dodenrijk,

daar staat wie God vergeet te kijk.

In Gods bescherming zijn de armen,

voor zwakken geldt zijn groot erbarmen.


10.

Ja, Heer, sta op en toon uw macht.

Berecht de volken door uw kracht.

Jaag volken angst aan, laat hen weten:

je mag je mens-zijn niet vergeten.


Psalm 10

1.

Kom toch, o God, blijf niet zo veraf staan,

waarom verbergt U zich in tijd van nood?

Lafhartig vallen zondaars zwakken aan -

zet hen gevangen tot hun eigen dood.

Machtigen zonder God vinden zich groot.

Zij willen slechts hun eigen winst najagen:

“Geen God die mij om rekenschap zal vragen”.


2.

Niets gaat hen mis, uw oordeel raakt hem niet.

Zijn tegenstanders wrijft hij leugens aan.

Och, denkt hij, geen probleem, want ik faal niet.

Hij vloekt en liegt, jaagt mensen doodsangst aan,

pervers misdadig is heel zijn bestaan.

Onschuldigen doodt hij in hinderlagen,

hij loert op mensen op wie hij kan jagen.


3.

Roofzuchtig loert hij op hen als een leeuw,

verborgen voor de prooi die hij bejaagt,

springt dan plots op en slaakt een luide schreeuw

als hij hem onverwachts het net injaagt,

terwijl de prooi ineenkrimpt, weerloos klaagt.

Maar hij denkt zelf: “God zal het wel vergeten,

Hij kijkt niet mee, Hij wil er niets van weten”.


4.
U
kunt hem aan, Heer, hef uw arm vol macht,

vergeet de armen op uw aarde niet.

Hoe kan het, dat de zondaar U veracht,

verwacht dat God zijn misdaden niet ziet.

U ziet de pijn, uw hand weegt het verdriet.

De mensen die op U blijven vertrouwen

krijgen uw hulp, zij kunnen op U bouwen.


5.

Wreek U op goddelozen zonder spijt,

eis rekenschap, en ban het kwade uit.

De Heer is koning, eeuwig en altijd,

zuivert zijn land volgens zijn wijs besluit.

U hoort van armen hun gesmoord geluid,

U zorgt voor hen die om uw aandacht vragen.

Geen mens kan hen nog uit het land verjagen.

 

Psalm 11

1.

Mijn schuilplaats vind ik altijd bij de Here.

Hoe kan je zeggen: “Vogel vlieg maar weg?”

De zondaar laat zijn boog begerig veren,

zijn pijlen zijn al aan de pees gelegd

om de oprechte stiekem te verminken.

Ook al is iemand helemaal oprecht,

wat als hij alles onder zich voelt zinken?


2.

De Heer is hoog en heilig is zijn woning,

zijn troon staat boven in de hemel vast.

Vandaar kijkt Hij met aandacht, als een koning,

naar wie op aarde op zijn schepping past.

Al fronsend keurt Hij mensen naar hun daden,

ziet wie rechtvaardig is en wie tot last,

geweldenaars slaat Hij met afschuw gade.


3.

Hij haat degenen die geweld beminnen,

zwavel en vuur stort Hij over hen uit.

Een storm komt op zijn woord hun leven binnen,

een beker vol voor hen, is zijn besluit.

Hij is rechtvaardig voor wie op Hem bouwen.

Gerechtigheid beoefent Hij voluit.

Oprechten zullen zijn gelaat aanschouwen.


 

Psalm 12

1.
Grijp in, o Heer, geen mens is te vertrouwen,

niemand is er die nog de waarheid zegt.

Men wil alleen nog maar op leugens bouwen:

hun woord is trouweloos en onoprecht.

2.

Heer, zet het mes in al hun valse tongen,

en snoer hun mond, vol grootspraak en vol waan.

Zij pochen: “Niemand heeft ons nog bedwongen,

met onze grote mond kan geen ons aan!”


3.

Zwakken en armen die zij bruut beroven -

“Ik red hen”, zegt God, “Ik zal bij hen zijn”.

Zijn woorden zijn als zilver, uit een oven,

gelouterd in het vuur, volkomen rein.


4.

Bescherm hen, Heer, de armen en de zwakken,

bescherm hen tegen leugenachtig volk.

Er zijn verraders die hen willen pakken,

het kwaad verbreidt zich als een helse wolk.

 

Psalm 13

1.

Hoe lang, o Heer, vergeet U mij,

hoe lang verbergt U zich voor mij?

Hoe lang word ik gekweld door zorgen?

Ik ben verdrietig, elke morgen.

Hoe lang bedreigt mijn vijand mij?


2.

Antwoord mij toch, o Heer, mijn God,

maak niet de doodsslaap tot mijn lot.

Laat niet de vijand mij verjagen

en roepen: “Ik heb hem verslagen”.

Maak mij geen doelwit van hun spot.


3.

Ik reken op uw liefde, Heer,

want U brengt in mijn lot een keer.

Mijn hart zal vrolijk voor U juichen

en zingen en U dank betuigen.

U ondersteunt mij telkens weer.


Psalm 14

1.
De dwazen denken: “Nee, er is geen God”.

Zij zijn verdorven, gruwelijk hun daden.

God in de hemel, slaat de mensen gade,

zoekt wijze mensen die bereid zijn tot

zoeken naar God.


2.

De mensen leven niet meer naar Gods woord.

niemand die voor de Here nog wil deugen.

Leven ze dan alleen nog maar van leugen?

De vijand die mijn volk langzaam vermoordt,

niet naar God hoort.


3.

Nog even, tot de angst het van hen wint.

God is met mensen die rechtvaardig leven.

Lach je om hen die Hem vertrouwen geven -

weet dat een zwakke bij Hem als een kind

zijn toevlucht vindt.


4.

Ach, dat er eens een eind komt aan die hel!

Als God zich over Isrel gaat ontfermen,

zich wendt tot wie in doodsnood tot Hem kermen,

zal Jakob juichen: “God maakt alles wel

voor Israël”.


Psalm 15

1.

Wie mag er gast zijn in uw tent,

wie mag er wonen op uw bergen?

Wie de volmaakte wegen kent,

een ander niet met laster schendt,

een naaste niet met spot wil tergen.


2.

Hij eert verachtelijken niet,

wel wie ontzag heeft voor de Here.

Zijn eed staat vast, hij breekt hem niet,

en woekerwinsten vraagt hij niet.

Wie zo goed leeft, niets kan hem deren.


Psalm 16

1.
Bescherm mij, God, ik schuil bij U, o Heer.

“Niemand, o God”, zeg ik, “gaat U te boven.”

De oude afgoden prijs ik niet meer:

“Jij brengt verdriet aan wie in jou geloven”.

Ik zal voor hen geen bloedoffers meer plengen,

ik zal hun naam niet op mijn lippen brengen.


2.

Heer, God, U houdt mijn leven in uw hand,

en U hebt mij een prachtig land gegeven.

Uw goedheid gaat mij boven het verstand.

Ik prijs de Heer voor inzicht in mijn leven.

Zelfs in de nacht houd ik de Heer voor ogen,

over zijn steun ben ik steeds opgetogen.


3.

Daarom verheug ik mij en juicht mijn ziel,

mijn lichaam geef ik veilig in uw handen,

zodat, zelfs als ik aan de dood verviel,

uw trouwe knecht niet in het graf zou landen.

U geeft mij altijd vreugde in het leven:

U zult mij dicht bij U een woonplaats geven.


Psalm 17

1.
Heer, hoor naar mij, ik vraag om recht,

hoor mijn gebed, hoor naar mijn smeken,

U hoort mijn mond geen leugen spreken.

U hebt Uw oordeel aangezegd.

Komt U mij in de nacht bezoeken,

kijk in mijn hart, geloof van mij,

het is totaal van onrecht vrij,

bij mij hoeft U geen kwaad te zoeken.


2.

Ik hield mij altijd aan uw woord,

wat mensen om mij heen ook deden.

Geweld heb ik altijd gemeden,

ik volg uw weg, zoals het hoort.

Ik roep tot U, wil antwoord geven,

toon mij het wonder van uw trouw.

Wie bij U schuilt krijgt geen berouw,

hun tegenstanders zullen beven.

 

3.

O Heer, bescherm mijn broos bestaan,

wil met uw vleugels mij verbergen

voor goddelozen die mij tergen,

voor wie mij naar het leven staan.

Hun hart is liefdeloos en toe,

zij kunnen slechts hoogmoedig praten.

Zij willen mij geen rust meer laten,

bespieden mij wat ik ook doe

en hopen dat ik neer zal vallen.

Mijn vijand, op een prooi belust,

gaat grommend rond, geeft mij geen rust,

hij wil mij stiekem overvallen.


4.

Sta op, Heer, pak mijn vijand aan

en kom mij met uw zwaard bevrijden

van hen die mij zo zwaar doen lijden,

die slechts voor vluchtig voordeel gaan.

Laten zij niet hun straf ontlopen,

tref met uw oordeel hun gezin.

Red mij en ik verdiep mij in

uw beeld als ik mijn ogen open.


Psalm 18

1.

Ik heb U lief, o Heer, mijn sterke strijder,

mijn rots, mijn vesting, U bent mijn bevrijder,

o Heer, mijn God, U bent mijn sterke kei,

want U biedt veilig onderdak aan mij.

U bent mijn schild, U redt mij door uw krachten,

U bent mijn burcht waar ik kan overnachten.

Ik roep tot U: “Geprezen zij de Heer”,

want dankzij U heb ik geen vijand meer.


2.

Mijn leven was door doodsgevaar omgeven,

een ziedend diepe afgrond deed mij beven,

het dodenrijk leek donker, zwart en groot,

vlak voor mij lag een valstrik van de dood.

Wanhopig riep ik: “Heer, ik ben verloren”,

en hoopte dat Hij naar mij wilde horen.

In zijn paleis vernam de Heer mijn stem,

mijn bange roep om hulp bereikte Hem.


3.

Toen schudde, schokte, trilde heel de aarde,

er was niets dat zijn woede evenaarde.

Rook en verterend vuur kwam uit zijn mond,

Hij strooide as en stenen in het rond.

Hij schoof de hemel open, zag de aarde,

het was slechts duisternis waar Hij naar staarde.

De cherub, die Hem naar beneden bracht,

zweefde op stille vleugels door de nacht.

4.

De waterbodems werden als het droge,

de diepste zee verdampte zienderogen.

Uw blik, o Heer, verjoeg hem furieus

door woeste adem, briesend uit uw neus.

Hij greep mij vast, trok mij eruit naar boven,

Hij kwam mij aan de wateren ontroven.

Mijn redding van mijn vijand was zijn werk,

mijn haters waren voor mij veel te sterk.


5.

Zij vielen aan toen ik voorgoed zou vallen,

God zelf voorkwam dat hun gejuich zou schallen.

Hij gaf mij ruimte, Hij bevrijdde mij.

Om mijn verleden sprak de Heer mij vrij:

Ik volgde wegen die Hij had gewezen,

Hij hoefde voor mijn ontrouw niet te vrezen.

Altijd hield ik zijn voorschrift in het oog,

zijn levenslessen hield ik altijd hoog.


6.

Ik wilde mij volkomen aan Hem wijden

en trachtte steeds het kwade te vermijden,

mijn onschuld heeft de Heer daarom beloond,

mijn reine handen heb ik Hem getoond.

Wie trouw is aan uw woord wilt U belonen,

aan een volmaakte uw volmaaktheid tonen,

maar wie vertrouwt op sluwheid is een zot,


7.

U bent de redder van wie zijn verpletterd,

maar brengt ten val wie trots verheven schettert.

Zonder uw licht voel ik een groot gemis,

U, Heer, mijn God, verlicht mijn duisternis.

Met U als hulp versla ik legermachten,

de hoogste muur beklim ik door uw krachten.

Gods weg is zuiver, helder en volmaakt,

Hij is een schild dat heel zijn volk bewaakt.


8.

Wie anders is God dan God, onze Here,

Hij, onze rots, zal zich niet van ons keren.

De God die mij steeds weer voorziet van kracht

wijst mij de weg die Hij voor mij bedacht,

Hij maakt mijn voeten snel als schuwe hinden,

laat mij de toppen van de bergen vinden,

oefent mijn zwakke handen voor de slag

waarin ik bronzen bogen spannen mag.


9.

U was het schild dat mijn bestaan bevrijdde,

Uw rechterhand stond mij stabiel terzijde,

U sterkte door uw woord mijn zwakke voet,

het volgen van uw weg ging altijd goed.

Mijn vijand werd door mij voorgoed verslagen,

ik ging niet weg voor zij vernietigd lagen,

hun weerstand was volledig ondermijnd,

ze waren dood, geen stond nog overeind.


10.

U hebt mij voor de strijd uw kracht gegeven,

mijn tegenstanders deed U voor mij beven,

ik zag van hen alleen hun achterkant,

mijn haters beten voor mij in het zand.

Zij riepen luid, zij vreesden voor hun leven,

God wilde op hun klacht geen antwoord geven.

Ik stampte hen tot stof dat niets meer weegt,

ik heb hen als vuil van de straat geveegd.


11.

U kwam mij van een dreigend volk bevrijden,

U liet mij vele vreemde naties leiden.

Een volk, tot dan toe mij zeer onbekend,

heeft zich vrijwillig aan mijn juk gewend,

gehoorzaamde zodra het van mij hoorde.

Van vreemden hoorde ik bescheiden woorden,

zij waren krachteloos, haast als gewurgd,

trillend van angst kwamen zij uit hun burcht.


12.

De Here leeft, mijn steenrots zij geprezen,

mijn redder is een hoogverheven wezen.

De God die mij in staat stelde tot wraak

stelde zich voor een zelfgekozen taak:

Hij liet de vreemde volken voor mij knielen,

maakte dat al mijn haters voor mij vielen,

heeft mij als heer van allen aangesteld,

ontrukte mij aan mannen van geweld.


13.

Daarom wil ik, o Heer, U luidkeels prijzen

en alle volken op uw grootheid wijzen.

Mijn loflied klinkt ter ere van uw naam:

“Hij geeft zijn trouwe dienaar grote faam,

veel overwinningen schenkt Hij zijn koning”.

Daarom zing ik een loflied in zijn woning.

Aan zijn gezalfde heeft Hij trouw gedacht,

aan David en zijn verre nageslacht.


Psalm 19

1.

De hemel roemt altijd / Gods grote majesteit

die heel de aarde schiep.

De dag vertelt het door, / de nacht volgt in zijn spoor,

toch blijft de stilte diep.

Taal klinkt er zonder woord, / er wordt geen klank gehoord

en toch wordt er gesproken.

Een stem klinkt uit hun mond / en gaat de wereld rond,

blijft eeuwig ongebroken.


2.

Hij maakte voor de zon / als voor een bruidegom

een feestelijke tent,

waaruit hij vroeg opstaat / en blij zijn bed verlaat,

een held die vrolijk rent.

De zon begint zijn taak, / de dag is in de maak,

hij brengt de vroege morgen.

En breekt de avond aan / dan zal hij laag gaan staan,

niets blijft voor hem verborgen.


3.

De wet van God is goed / omdat hij leven doet,

hij geeft de mens zijn kracht.

De richtlijn van de Heer, / betrouwbaar zonder meer,

is wijs en weldoordacht.

De Heer geeft regels aan / als steun voor ons bestaan,

waarnaar wij leven mogen.

Het heldere gebod / komt van de Here God:

een licht voor onze ogen.


4.

Waardering voor Gods woord / wordt overal gehoord,

het houdt voor altijd stand.

De voorschriften van God, / zijn heilige gebod:

rechtvaardig voor het land.

Begerenswaard als goud / zijn zij voor wie hen houdt:

een prachtige beloning;

hun smaak is wondergoed, / is minstens even zoet

als verse bijenhoning.


5.

Wie zich uw dienaar toont / wordt rijkelijk beloond.

Wie kent zijn grootste fout?

Spreek mij van zonden vrij, / bescherm en zuiver mij

als zonde mij benauwt.

Als U over mij waakt / ben ik voor U volmaakt

bevrijd van grote zonde.

Hoor mijn bespiegeling, / aanvaard wat ik U zing:

“Ik heb mijn rots gevonden”!

 

Psalm 20

1.

Ik bid dat God in bange dagen

u antwoordt in uw nood,

ik wil voor u zijn bijstand vragen

- Hij is in Sion groot -

dat Hij uw gaven wil ontvangen,

uw offers accepteren,

u geven naar uw diepst verlangen:

uw plan realiseren.


2.

Laten wij juichen om uw zege,

hang alle vlaggen uit.

U hebt nu hulp van God gekregen,

uw wensen komen uit.

God zal zijn knecht de zege schenken,

Hij zal hem antwoord geven,

Hij zal zijn zegepraal gedenken,

schenkt door zijn hand hem leven.

 
3.

Een ander steunt op al zijn paarden,

wij op de naam van God.

Een ander buigt en valt ter aarde,

wij houden Gods gebod,

Hij richt ons op en houdt ons staande.

Heer, schenk de koning zege,

wij houden de gebeden gaande,

en blijven op uw wegen.


Psalm 21

1.
Uw kracht verblijdt de koning, Heer,

hij roemt uw overwinning

waar heel zijn hart naar uitging.

Daarom prijst hij uw goedheid zeer.

Hij vroeg U en U gaf,

wees zijn verzoek niet af.

 

2.
U maakt zijn leven aangenaam

U wilt met goud hem kronen

en hem uw gunst betonen.

Op een lang leven drong hij aan,

hij vroeg geen eeuwigheid,

U gaf hem lange tijd.

 

3.
Uw overwinning gaf hem eer,

U gaf hem glans en glorie,

U schonk hem uw victorie,

uw licht gelaat verblijdt hem zeer.

Wie hoopvol naar U ziet

wankelt en struikelt niet.

 

4.
U zal uw vijanden verslaan,

met uw machtige handen

laat U uw haters branden.

Hun nageslacht zal ook vergaan

door uw verterend vuur:

Het is uw oordeelsuur.

 

5.
Ook al belagen zij U laf,

zij kunnen niets bereiken,

zij moeten vluchtend wijken:

U schiet uw pijlen op hen af.

Verhef U, Heer, met kracht,

wij zingen van uw macht!


Psalm 22

1.
Mijn God, mijn God, waarom verliet U mij.

U blijft ver weg en gaat aan mij voorbij,

ik schreeuw naar U, U luistert niet naar mij,

waarom dit zwijgen?

U moet van Israël een loflied krijgen.

Hele geslachten konden op U bouwen,

op uw verlossing mochten zij vertrouwen,

U stond hen bij.

 

2.
Ik ben een worm, o Heer, ik ben geen mens

en wie mij zien bespotten mij intens,

roepen mij toe: “Richt tot de Heer je wens.

Laat Hij bevrijden”.

Uzelf kwam mij het leven binnen leiden,

wilde mij aan mijn moeder toevertrouwen,

U houdt uw handen om mij heen gevouwen:

U bent mijn God.

 

3.
Blijf toch niet ver, de nood is mij nabij,

er is geen hulp. Ik zie hen rondom mij

als wilde stieren, leeuwen, zij aan zij,

ik hoor hun hijgen.

Ik kan geen vat meer op mijn lichaam krijgen,

mijn krachten zijn totaal van mij geweken,

mijn tong kleeft in mijn mond, ik kan niet spreken,

ben bijna dood.


Psalm 23

1.
Mijn herder laat het mij aan niets ontbreken.

Hij leidt mijn levensloop langs koele beken,

Hij laat mij rusten in zijn groene weiden

en geeft mij nieuwe kracht en liefde beide.

Zijn hand leidt mij langs paden vast en veilig,

zijn naam is “Here” en die naam is heilig.

 

2.
Al gaat mijn weg door donkerzwarte dalen,

ik hoef niet bang te zijn, U komt mij halen.

U zult met stok en staf in heel mijn leven

mij tegen vijanden bescherming geven.

U zalft mijn hoofd met olie van genade,

U vult mijn beker met uw goede daden.

 

3.
Mijn leven lang, in schande en in schade,

volgt mij uw woord van voorspoed en genade,

al het geluk dat U aan mij wilt geven.

En wanneer ik weer dichtbij U wil leven

om in uw huis uw grote naam te eren,

mag ik van U naar uw huis terug keren.

 

Psalm 24

1.
De aarde is van God, de Heer,

de schepping is in zijn beheer,

zijn zorg geldt wie zijn rijk bewonen.

Hij trok haar uit de oceaan,

deed haar op vaste pijlers staan,

verankerde haar op de stromen.


2.

Wie mag er komen in zijn huis,

wie vindt bij Hem een veilig thuis,

wie mag zijn heiligdom betreden?

Wie zuiver is van hand en hart,

leugen en waarheid niet verwart,

geen sluwe mens met valse eden.


3.

Hij wordt gezegend door de Heer

die hem komt redden keer op keer

om hem zijn rechten te verlenen.

U toont zich een genadig God

voor wie in nood zich wenden tot

de God die Jakob is verschenen.

 

4.
Hef, poorten, nu uw hoofd omhoog,

maak wijd de doorgang van uw boog,

de koning wil u binnentreden.

Wie is die vorst vol majesteit?

De Heer, heldhaftig in de strijd,

de Heer met wie de vorsten streden.

 

5.
Ga, poorten nu wijd open staan,

open uw ingang, maak ruim baan,

de koning zal nu binnenrijden.

Wie is die koning met zijn pracht?

De Heer met heel zijn legermacht,

Hij is de koning aller tijden.

Psalm 25

1.
A
ltijd blijf ik U verwachten,

ik vertrouw op U, o God,

laat mij niet in schande achter,

overwonnen en bespot.

Aan wie hopen op uw kracht

laat U weten hen te sterken,

maar wie slordig U veracht

zal van U geen vriendschap merken.        

                  

2.
B
reng mij, Heer, steeds op uw wegen,

leer mij op uw paden gaan.

Maak uw waarheid mij tot zegen,

en doe mij uw leer verstaan.

Bij de woorden van uw wet,

gaat mijn hart wijd voor U open.

Want U bent de God die redt,

op U blijf ik altijd hopen.


3.

Corrigeer mij door uw wenken,

denk aan uw barmhartigheid,

wil mij al uw liefde schenken,

nu en tot in eeuwigheid.

Chaos was het in mijn jeugd,

blijf niet aan mijn zonden denken,

maar wees over mij verheugd

en wil mij uw goedheid schenken.


4. 

Denk aan God, Hij is rechtvaardig:

zondaars gaat Hij helpend voor.

Hij leidt wie Hem onderdanig

volgen in het rechte spoor,

doet hen op zijn paden gaan.

Trouw en liefde zijn zijn wegen.

Wie zijn wetten heeft gedaan,mag vertrouwen op zijn zegen.

 

5

Eeuwige, wil mij vergeven,

want mijn schulden zijn zo groot,

door uw naam blijf ik in leven,

red mijn leven van de dood.


6.

Fluitend gaan zij door het leven

die God hulp hebben gevraagd.

Voorspoed zal Hij aan hen geven,

hun bestaan is welgeslaagd:

ferme jeugd bezit het land.

Hij is vriend van wie Hem vrezen,

staat betrouwbaar aan hun kant,

leert hen  zijn verbond te lezen.


7.

God staat altijd voor mijn ogen:

Hij bevrijdt mij uit het net.

Houd U over mij gebogen

als U mij genadig redt.

Geef mij hoop, ik ben alleen,

ik moet in ellende lijden.

Angstig kijk ik om mij heen:

kom mij uit mijn nood bevrijden.


8.

Help mij toch in mijn ellende

en vergeef mijn zonden, Heer.

Zie de dreiging van die bende,

zij zien grimmig op mij neer.

Help mij en bevrijd mij toch,

maak mijn leven niet te schande.

Ik wil vrij zijn van bedrog,

leg mijn toekomst in uw handen.


9.

Isrel hoopt op uw genade,

wees het in de nood nabij,

toon Uw liefde door uw daden,

maak het van zijn angsten vrij.





Psalm 26

1.
O Here, doe mij recht,
mijn leven was niet slecht,
ik hield mij aan wat U gebiedt,
mijn weg was zonder dwalen,
uw liefde kon niet falen
en daarom wankelde ik niet.

2.
Doorgrond en ken mij Heer,
ik leef toch tot uw eer,
doorzoek het hart van mijn bestaan,
uw trouw staat mij voor ogen,
ik wil naar mijn vermogen
de wegen van uw waarheid gaan.

3.
Ik ga niet om met hen
die ik als uitschot ken,
ik walg van wie de waarheid mijdt,
ga niet om met de bozen,
vermijd de wettelozen,
gun aan hun tafel mij geen tijd.


4. 
Mijn handen, Heer, zijn rein
ik wil uw dienaar zijn,
een rondgang maken door uw huis,
mij voor uw altaar buigen
een loflied voor U juichen,
uw wonderen vertel ik thuis.

5.
Ik houd van waar U woont
en in uw glorie troont.
Doe met mij niet zoals U doet
met hen die bloed vergieten,
die van het kwaad genieten,
hun handen zijn gevuld met bloed.

6.
Hoor naar wat ik U zeg:
Ik dwaal niet op mijn weg.
Verlos mij, wees genadig, Heer.
Ik sta recht op mijn voeten.
Waar mensen U ontmoeten
prijs ik uw naam en breng U eer.


Psalm 27

1.
God is mijn licht, mijn Heer zal mij beschermen,
ik leg mijn leven veilig in zijn hand.
Ontaarde lieden kwamen om mij zwermen,
belaagden mijn bestaan, maar ik hield stand,
zij struikelden en vielen allen neer.
Al ging een leger tegen mij tekeer,
al woedde er een oorlog tegen mij,
ik ben niet bang want God is mij nabij.

2. 
Eén ding maar wil ik aan de Here vragen,
het enige dat ik van Hem verlang:
bij Hem te wonen al mijn levensdagen,
Hem op te merken in zijn tempelgang.
Ik hoop op een ontmoeting met mijn God.
Hij laat mij bij zich schuilen, stuurt mijn lot.
Al dreigt het kwaad rondom mij nog zo erg,
Hij tilt mij veilig op zijn hoge berg.

3.
Boven mijn vijanden ben ik verheven,
ik breng vol vreugde offers aan de Heer.
Een juichend loflied wil ik aan Hem geven,
zingend en spelend breng ik Hem mijn eer.
Heer, als ik roep, hoor mij en antwoord mij.
Mijn hart herhaalt uw woord: “Blijf Mij nabij”.
Ik wil U zoeken, toon mij uw gelaat,
blijf op uw arme dienaar toch niet kwaad.

 

4.

U hield mij heel mijn leven in de gaten,
verstoot mij niet, mijn God, verlaat mij niet.
Al zouden ook mijn ouders mij verlaten,
het is de Heer, die mij zijn liefde biedt.
Wijs mij uw weg Heer langs een effen pad,
maak dat mijn tegenstander mij niet vat.
Door sluwe klachten word ik neergeveld,
valse getuigen dreigen met geweld.

5.
Ik mag toch heel mijn leven lang verwachten
de goedheid van de Here God te zien.
Hij zal mijn leven in dit land verzachten
omdat ik Hem mijn hele leven dien.
Wacht op de Heer, Hij is met u begaan,
blijf sterk en dapper in het leven staan,
houd vastberaden steeds Gods naam in eer,
ja, u moet dapper wachten op de Heer.


Psalm 28

1.
Mijn rots, mijn Heer, hoor naar mijn noden,
als U zwijgt word ik als de doden.
Hoor mijn gebed als ik tot U kom,
mij biddend richt tot uw heiligdom.
Straf mij niet als hen die U haat:
zij vleien, maar zinnen op kwaad.

2.
Oordeel die schurken naar hun daden,
hun handen zijn met schuld beladen.
Straf hen toch voor wat zij misdeden,
zij minachten U zonder reden.
Voor uw werk hebben zij geen oog:
breek hen maar af, houd hen niet hoog.

3.
Gods lof is niet van mij geweken,
Hij heeft geluisterd naar mijn smeken.
Mijn kracht en schild om op te bouwen,
op Hem zal ik altijd vertrouwen,
Hij hielp mij en mijn hart zweeg niet:
Hem wil ik loven in mijn lied.

4.
God is de kracht van zijn getrouwen,
de burcht waarop zij mogen bouwen,
die zijn gezalfde zal bewaren.
Heer, red uw volk uit de gevaren,
wees de herder die uw volk leidt,
zegen en draag het door de tijd.

Psalm 29

1.
Goden, respecteer de Heer,

en erken de hoogste Heer,

loof zijn macht en majesteit

en eer zijn verhevenheid.

U moet zijn gezag aanvaarden,

zijn naam heerst op heel de aarde:

u moet voor de Here buigen,

van zijn heiligheid getuigen.

 

2.
Op de wateren weerklinkt,

donder die de lofzang zingt.

Boven wijde zeeën zweeft,

majesteit van God-die-leeft.

In de donder klinkt zijn spreken,

over zeeën, meren, beken.

Hoor, de stem van God klinkt krachtig,

ja, de stem van God is prachtig.

 

3.
Grote ceders splijt Gods stem,

bomen wankelen voor Hem,

Libanon, het grote woud,

werd een hoopje sprokkelhout.

Libanon zal voor Hem springen

als een kalf, Hij zal het dwingen.

Sirjon maakt Hij als de dieren,

als het jong van wilde stieren.

 

4.
Als de stem van God ontbrandt

jagen vlammen door het land,

beven doet Hij de woestijn,

Kades zal een chaos zijn.

Als zijn stem zich luid laat horen

wordt een jonge ree geboren,

geiten baren dan hun jongen.

“Majesteit”, wordt er gezongen.

 

5.
Hoog boven de oceaan

blijft Gods troon voor altijd staan.

Op die troon, in majesteit,

troont de Heer in eeuwigheid.

Aan zijn volk, welhaast verdwenen,

zal Hij grote macht verlenen,

Hij zal zijn volk op hun bede

zegenen met echte vrede.


Psalm 30

1.
Ik prijs U, U hebt mij gered,

mijn vijand buiten spel gezet.

Ik riep tot U, o Heer, mijn God,

U was bewogen met mijn lot.

U trok mij weg van bij de doden,

U hebt mij leven aangeboden.

 

2.
Allen, die trouw bent aan de Heer:

Bezing zijn grote naam en eer.

Zijn woede duurt een korte tijd,

zijn liefde duurt een eeuwigheid.

Zelfs als wij huilend naar ons bed gaan,

mogen wij ‘s morgens weer blij opstaan.

 

3.
Ik dacht in al mijn overmoed:

Ik wankel niet, het gaat mij goed.

Heer God, U had mij altijd lief,

maakte mij als een bergmassief,

maar hield U uw gelaat verborgen

dan kwam ik om in al mijn zorgen.

         

4.
Uw grote naam, Heer, roep ik aan:

Wilt U genadig naast mij staan?

Zou het U baten als ik sterf,

mijn lichaam prooi wordt aan bederf?

Kan dode stof uw naam soms prijzen,

de levenden op uw trouw wijzen?


5.

Heer, help mij, toon mij wie U bent,

U hebt mijn grote nood gekend,

mijn klacht veranderd in een dans,

U geeft mijn vreugde weer een kans.

Mijn ziel zal zingen en niet zwijgen,

mijn loflied zal tot U opstijgen.

 

Psalm 31

1.
Bij U, Heer, kan ik veilig schuilgaan,

stel mij toch nooit teleur.

Bevrijd mij van terreur,

wil mij in moeilijkheden bijstaan,

U bent mijn rots, mijn vesting,

mijn toevlucht en mijn redding.

 

2.
U wilt mij naar uw vesting leiden,

U bent mijn gids, o Heer,

U leidt mij tot uw eer,

U komt mij uit het net bevrijden

dat stiekem op mijn weg hing.

O, God, U bent mijn redding.

 

3.
God, in uw hand leg ik mijn leven.

U redt mij, trouwe God,

in uw hand ligt mijn lot.

Wie voor de afgodsbeelden beven,

van hen heb ik een afkeer

want ik vertrouw op U, Heer.

 

4.
Ik zal mij over U verblijden,

ik juich over uw trouw,

want zit ik in het nauw

dan wilt U mij uit doodsnood leiden,

U houdt mijn vijand tegen,

leidt mij op nieuwe wegen.

 

5.
Ik wil U om erbarming vragen,

want ik verkeer in nood,

mijn ogen huil ik rood,

zuchtend van pijn slijt ik mijn dagen,

ik wordt gesloopt door zweren,

lig langzaam weg te teren.

 

6.
Ik wek de lachlust op van allen,

ik ben tot spot geweest,

van buren nog het meest.

Ik zie de monden openvallen

van wie meewarig zuchten,

zij willen mij ontvluchten.

 

7.
Vergeten ben ik, als een dode,

ik voel mij afgedankt,

als troep die men vervangt.

Ik word belaagd door onheilsboden.

Begrijp ik uit hun woorden

dat zij mij gaan vermoorden?


8.
Maar ik vertrouw op U, o Here,

ik zeg: U bent mijn God,

in uw hand ligt mijn lot,

wil mijn vervolgers van mij weren.

Mijn leven is U dierbaar:

toon trouw en red uw dienaar.

9.

De goddelozen die mij dreigen

moeten op uw bevel

verstommen in de hel.

Die leugenaars, zij moeten zwijgen:

Hoogmoedig, vol verachting

doen zij aan rechtsverkrachting.


10.

U geeft geluk aan wie U vrezen.

Het is alom bekend

dat U een schuilplaats bent.

U hebt uw trouw aan hen bewezen,

beschermt hen tegen mensen

die hen het kwade wensen.


11.
De trouw van God is hoog te loven,

Hij heeft mij wonderbaar,

gered uit groot gevaar.

Ik kwam mijn angst niet meer te boven:

Hebt U mij nu verdreven?

Maar U redde mijn leven.

 

12.

Wie God liefheeft blijft Hem vertrouwen.

Volharding wordt beloond,

wie trots is wordt gehoond.

Als je op God je hoop blijft bouwen,

van Hem je hulp verwachten

dan geeft Hij moed en krachten.


Psalm 32

1.
Gelukkig is de mens die wordt vergeven

zijn ontrouw en de zonden in zijn leven.

Gelukkig als de Heer zijn schuld niet telt,

als van hem geen misleiding wordt gemeld.

Zolang ik zweeg verteerde ik van binnen,

de hele dag beheerste pijn mijn zinnen.

Uw hand was zwaar op mij, bij dag en nacht,

als door een zomergloed smolt al mijn kracht.


2.

Toen heb ik, Heer, beleden al mijn zonden,

mijn schuld bekende ik U onomwonden.

Ik zei: “Mijn Heer, van schuld ben ik niet vrij”,

maar U vergaf mijn zonde toch aan mij.

Hoor naar de zwakke stem van uw beminden

als zij in hun geweten zonde vinden.

Als eens een stormvloed aan hun lippen staat,

dan zorgt U dat het water hen niet schaadt.


3.

Bij U is redding, U zorgt voor bescherming

en doet mij juichen over uw ontferming.

“Ik wijs je welke weg leidt naar omhoog,

Ik geef je raad en houd je in het oog.

Wees niet als ezels of als wilde paarden,

die niet vrijwillig toom en bit aanvaarden,

maar luister altijd naar mijn wijze raad

dan val je niet ten prooi aan bitter kwaad”.


4.

Een slecht mens moet veel tegenslag verdragen,

maar wie op God vertrouwt mag bijstand vragen.

Rechtvaardigen, verheug u in de Heer,

oprechten moeten zingen tot zijn eer.



Psalm 33

1.
Rechtvaardigen, juich voor de Here,

oprechten, loof Hem met uw stem.

Met snaarmuziek moet je Hem eren,

zing enthousiast een lied voor Hem.

Zuiver zijn de woorden / die wij van Hem hoorden.

Hij houdt van het recht,

trouw heeft voor Hem waarde, / Hij vervult de aarde,

blijft bij wat Hij zegt.


2.

De hemel heeft Hij uitgegoten,

de sterren blies Hij naar hun huis,

de zeeën heeft Hij opgesloten,

de oceanen in een kluis.

Laat de aarde vrezen, / elk geschapen wezen,

in ontzag voor Hem.

Alles wat daar leefde, / angstig voor Hem beefde,

schiep Hij door zijn stem.


3.

Hij sloopt de plannen van de mensen,

heeft boze opzet ondermijnd,

het plan dat God maakt kent geen grenzen,

wat Hij bedenkt blijft overeind.

Zalig wie Hem eren / als hun God en Here,

zelf koos Hij voor hen.

Hij ziet uit zijn hemel / naar het aards gewemel,

ziet zelfs waar ik ben.



4.
Vanaf zijn troon tussen de wolken

houdt Hij de aarde in het oog.

Hij, die het hart vormt van de volken

weet wat de mensenziel bewoog.

Grote legermachten, / met hun brute krachten:

tot hun groot verdriet,

wat zij ook verzinnen, / zij kunnen niet winnen,

zelfs met hun paard niet.

 

5.
God houdt zijn mensen in de gaten,

Hij redt hen zelfs uit doodsgevaar.

In nood zal Hij hen niet verlaten,

als hulp en schild staat Hij steeds klaar.

Wij zijn opgetogen / dat wij zeggen mogen:

“Heilig is de Heer”.

Laat uw trouw ons blijken / laat ons niet bezwijken,

wij geven U eer.


Psalm 34

1.

Aanhoudend prijs ik God,

zijn lof is altijd in mijn mond.

Begeesterd ga ik in het rond,

men hoort het met genot.

Dank God voor zijn beleid,

prijs Hem om wat Hij heeft gedaan.

En op mijn vraag sprak Hij mij aan,

heeft mij van angst bevrijd.


2.

Fantastisch is mijn God,

wie naar Hem opzien stralen blij.

Geteisterd riep ik: “Hoor naar mij”.

Hij kenterde mijn lot.

Hij heeft voor wie hem vreest

een engel als zijn wacht benoemd.

Intens wordt al zijn hulp geroemd,

zijn schuilplaats nog het meest.


3.

Juich voor Hem die U droeg,

want wie Hem vreest lijdt geen gebrek.

Klagen de leeuwen over trek -

wie God zoekt krijgt genoeg.

 

4.
L
uister, mijn kind, naar mij,

ik leer je eerbied voor je God.

Maak je bestaan tot een genot,

word van het leven blij.

Natuurlijk lieg je niet,

spreek met je mond geen leugenwoord.

Ontwijk het kwade, doe wat hoort,

zoek wat je vrede biedt.


5.

Partijdig is de Heer,

rechtvaardigen, die hoort Hij aan,

rovers en boeven zal Hij slaan,

Hij kent hun naam niet meer.

Standvastigen redt Hij

en Hij bevrijdt hen uit de nood.

Treft hen iets wat hun leed vergroot,

Hij is hen steeds nabij.


6.

Uzelf loopt wel gevaar,

maar God houdt u steeds in het oog,

verzorgt wie voor de doodsslaap boog:

die loopt daar geen gevaar.

Wie kwaad doet komt ten val,

straf volgt op onterechte haat.

Zijn zorg geldt wie zijn wegen gaat,

wie bij Hem schuilen zal.


Psalm 35

1.
Bestrijd, o Heer, wie mij bestrijdt,

straf hen door wie ik schade lijd,

Kom met uw wapens mij beschermen

nu achtervolgers om mij zwermen.

Zeg mij: “Ik ben het die je redt.”

Onderdruk blijvend het verzet

van wie mij naar het leven staan,

zorg dat het met hen is gedaan.


2.

Laat hen verwaaien in de wind

als kaf dat niemand ooit meer vindt.

Maak hun weg vals en vol gevaren

en laat uw engel hen niet sparen.

Zij spanden slinks voor mij een net,

hebben voor mij een val gezet.

Stuur hen in dwaze overmoed

hun eigen onheil tegemoet.


3.

Dan zal ik juichen om de Heer,

Hij redt als ik in nood verkeer.

Ik laat mijn dankbaarheid Hem blijken:

“Met wie bent U te vergelijken?

De zwakke wordt door U bevrijd

van onderdrukkers, vol van nijd.

De mensen met een kleine beurs

redt U van al hun profiteurs”.


4.

Valse getuigen sarren mij,

naar vreemde dingen vragen zij.

In plaats van goed doen zij mij kwaad aan,

ik voel mij helemaal alleen staan.

Waren zij ziek, ik bad voor hen,

desnoods vastte ik ook voor hen.

Ik bleef door dik en dun hen trouw,

ik kleedde mij als in de rouw.


5.

Toen ik bezweek juichten zij weer,

zij drongen aan, sloegen mij neer,

zij dreigden mij haast te verscheuren,

en kwamen spottend bij mij zeuren.

Heer, hoe lang gaat dit nu nog door?

Haal deze leeuwen van mijn spoor.

Als U mij redt, prijs ik uw naam,

vertel ik van uw grote faam.


6.

Heer, gun mijn vijand geen genot,

geen juichkreet aan wie met mij spot.

Van vrede willen zij niet weten,

zij zijn op weerlozen gebeten.

Zij roepen spottend: “Zie hem daar”!

Sta, Heer, toch altijd voor mij klaar,

sta op, ontwaak, mijn God en Heer,

verdedig mij en red mijn eer.


7.

Toon mij, God, uw rechtvaardigheid,

sta niet toe dat ik door hen lijd.

Laat hen niet denken: “Wij gaan winnen”,

niet zeggen: “Onze buit is binnen”.

Laat mijn vervolgers schaamrood staan

als zij denken: “Hij gaat er aan!”

Bedekt met schande worden zij

die zich verheffen boven mij.


8.

Maak al mijn medestanders blij,

die zoeken naar het recht voor mij,

op waarheid nadruk willen leggen.

Laat hen voortdurend mogen zeggen:

“Groot is de Heer, die eeuwig leeft,

naar vrede voor zijn dienaar streeft”.

Naar uw recht richt ik mijn gedrag,

uw roem bezing ik, dag aan dag.



Psalm 36

1.

De goddeloze hoort een stem

van kwaad dat nestelt diep in hem -

voor God zal hij niet vrezen.

Zijn geest wordt diep in slaap gesust,

hij is zich van geen schuld bewust,

wil slechts bedrieglijk wezen.

Wat wijs is slaat hij in de wind,

zoekt totdat hij het kwade vindt,

van goed wil hij niet weten,

zelfs in de nacht zint hij op kwaad.

Dat hij de slechte weg inslaat

is hij welhaast vergeten.


2.

Uw liefde strekt tot in het blauw,

tot in de wolken reikt uw trouw,

Uw recht is als rivieren

en als de oceaan zo wijd.

Zo is, Heer, uw gerechtigheid:

U redt ons en de dieren.


3.

Hoe kostbaar is uw liefde, God!

Uw vleugels zijn geworden tot

een schuilplaats voor de mensen.

Hun honger wordt door U gestild,

U lest hun dorst, U geeft hen mild

het leven dat zij wensen.

Bescherm wie U zijn toegewijd:

dienaars van  uw gerechtigheid.

Laat niet de kwade machten

zich vrolijk maken over mij.

Verderfzaaiers - daar liggen zij,

verdwenen zijn hun krachten.


Psalm 37

1.

Ach, erger je maar niet aan slechte mensen,

wees niet jaloers op wie het kwade doen,

broos als droog rietgras zullen zij verflensen

en zij verwelken als het jonge groen.

Vertrouw op God, leef veilig naar zijn wensen,

zoek hulp bij God, wat jij wilt zal Hij doen.


2.

Centreer je levensloop rond God, de Here,

vertrouw op Hem, zijn recht straalt als de zon.

Doe rustig aan en laat je niet verteren

door afgunst op wie door bedrog veel won.

Door opwinding kan je geen onheil weren,

God redt zijn volk, verdelgt wie kwaad verzon.


3.

Even nog, en verdwenen is de zondaar,

nog eens goed kijken, maar je vindt hem niet.

Nederigen zijn God, de Here dierbaar,

fortuinlijk leven zij, zonder verdriet.

Als een goed mens belaagd wordt door een zondaar

lacht God omdat Hij zijn verderf al ziet.

 

4.

Grijnzend bedreigen zondaars armen, zwakken,

maar ach, hun zwaard dringt in hun eigen hart.

Je kunt veel beter wat je toekomt pakken,

hebberigheid wordt met succes verward.

De macht van zondaars zal heel snel verzwakken,

God geeft rechtvaardigen een plaats apart.


5.

Intens trekt God, de Here, zich het lot aan

van hen die in hun hart onschuldig zijn,

hun eigendom zal eeuwig voor hen vast staan.

Jammerlijk zal hun voortbestaan niet zijn,

zij krijgen hulp wanneer de oogsten misgaan,

in tijd van honger lijden zij geen pijn.


6.

Karakterlozen zullen snel verdwijnen,

als rook vervliegt de vijand van de Heer,

als bloemen in het veld, die rap verkwijnen.

Leen aan een zondaar:  Je krijgt het niet weer.

Maar de oprechte geeft. God ziet de zijnen,

zorgt voor hun toekomst, kwaden slaat Hij neer.


7.            

Met vaste tred leidt wie God eert zijn leven

want als hij valt - de Heer zet hem weer recht.

Nooit zag ik een goed mens de moed opgeven,

nooit zag ik dat zijn kind om kruimels vecht.

Hij is goedhartig en blijft altijd geven,

zijn kinderen, daar is hij aan gehecht.


8.            

Ontloop het kwade en streef naar het goede,

en je zal eeuwig wonen in je land.

Al wie Hem trouw zijn, leven in zijn hoede,

pardoes zet Hij de zondaars aan de kant.

Rechtvaardigen, die wekken nooit zijn woede,

hun nageslacht geeft Hij een vaderland.


9.
R
echtvaardigen, zij blinken uit door wijsheid,

dragen de wet van God diep in hun hart,

struikelen niet waar God hun wegen heen leidt.

Schuldig is hij die hen voortdurend sart.

Hij krijgt geen kans, want God bewaakt de vrijheid

van wie Hij vrijspreekt voor een nieuwe start.


10.

Toon hoop op God, blijf rustig op zijn wegen,

Hij geeft je aanzien en veel overvloed,

de zondaars moeten leven zonder zegen.

Uitbuiten is het wat een zondaar doet.

Ik zag er één, zó plotseling gestegen,

en zó weer weg, al zocht ik hem verwoed.


11.

Vredige toekomst is er voor oprechten,

zij zijn onschuldig, maar de zondaars niet.

Waardering is er nimmer voor de slechten.

De Heer is het die altijd toevlucht biedt,

zijn dienaars helpt en waakt over hun rechten.

Hij is het die hen bij zich schuilen liet.


Psalm 38 

1.
Wil uw grote woede, Here, / van mij weren,

houd U in en sla mij niet.

Zie uw pijlen in mij steken / en mij breken,

uw hand brengt mij groot verdriet.


2.

Door uw toorn ben ik versleten, / uitgebeten,

ja, mijn zonde sloopte mij.

Lasten die mijn leven vulden, / al die schulden,

wegen als een zware kei.


3.

Ik ben overdekt met wonden, / door mijn zonden,

door mijn eigen domme schuld.

Daarom ben ik diep bewogen, / loop gebogen

en ga in het zwart gehuld.


4.

Koortsig lig ik maar te woelen, / ik kan voelen

dat verval mijn lichaam tart.

Ik ben uitgeput, verslagen, / kan slechts klagen,

ik schreeuw met een bonzend hart.


5.

U kent al mijn diepste wensen, / U kent mensen,

U kent al mijn ongemak.

Hoor mijn hart een trommel lijken, / krachten wijken

en mijn ogen worden zwak.

 

6.
Vrienden hebben mij verlaten, / zonder praten

houden zij zich ver van mij.

Vijanden willen niet zwijgen / en zij dreigen;

leugenachtig volk zijn zij.


7.

Ik bedek mijn beide oren, / wil niet horen,

doe of ik geen woorden vond,

ik veins niet te kunnen praten, / blijf gelaten,

geen verweer komt uit mijn mond.


8.

Heer, ik hoop dat U mij aanhoort, / geef mij antwoord,

God, U bent nog steeds mijn Heer.

Laten zij mij niet bespotten, / mij bedotten,

nu ik wankel balanceer.


9.

Vaag worden mijn levenslijnen, / zij verdwijnen,

altijd heb ik felle pijn.

Ik wil verder leed vermijden, / schuld belijden,

ik wil zonder zonde zijn.


10.

Maar mijn vijanden, zij leven, / en zij kleven

aan mij in hun blinde haat.

Ook al zoek ik steeds het goede, / in hun woede

kennen zij alleen maar kwaad.


11.

God, laat mij niet eenzaam leven, / ook niet even,

Here, blijf niet ver van mij.

Haast U toch om mij te steunen, / hoor mijn kreunen,

wees mij in mijn nood nabij.


Psalm 39 

1.

Ik had mij voorgenomen: Ik blijf stil

en zeg geen onwelvoeglijk woord

omdat ik vrij van zonde blijven wil.

Dat niemand ooit mijn vloekwoord hoort

bij mensen die maar leven zonder God,

niet luisteren naar zijn gebod.


2.

Ik zei dus niets, ik sprak geen enkel woord,

ik zweeg, maar dat gaf mij geen steun.

Niemand heeft van mijn hartepijn gehoord,

terwijl ik diep van binnen kreun.

Het vuur in mij was heter dan de zon,

waarop ik deze klacht begon:


3.

“Hoe staat het met mijn levenseinde, Heer,

laat mij weten hoe broos ik ben.

Ik ben kortstondig, ach, ik ben niet meer

dan een dun streepje van een pen.

Alleen maar schaduw is het levenspad,

een mens zoekt steeds wat hij al had.

 

4.

Wat heb ik van U te verwachten, Heer?

Ik vestig al mijn hoop op U.

Mijn zondig leven drukte mij zo neer.

Bevrijd mij van mijn zonden nu,

laat dwazen mij niet krenken met hun hoon,

geef mij niet mijn verdiende loon.


5.

Ik zei maar niets en hield mijn mond stijf dicht.

U was het die mij dit aandeed.

Ik hoop dat U mijn zware straf verlicht,

want ik bezwijk door al dit leed.

U straft een mens voor wat hij heeft gedaan,

niet meer dan lucht is zijn bestaan.


6.

Hoor mijn gebed, Heer, hoor mijn hartekreet

en wees niet doof voor mijn verdriet.

Ik ben een vreemdeling die bij U eet,

meer dan mijn ouders ben ik niet.

Bestraf mij niet en laat mij vrolijk zijn

voordat ik heenga en verdwijn.


Psalm 40 

1.
Reikhalzend heb ik op de Heer gewacht,

Hij boog zich naar mij toen ik riep,

terwijl ik in de grafkuil sliep.

Hij heeft mij op de vaste grond gebracht,

gaf mij na mijn ellende / een lied dat ik niet kende,

een lofzang tot zijn eer.

Heb dan met groot ontzag / en met een blijde lach

vertrouwen op de Heer.

 

2.
Gelukkig is wie op zijn God vertrouwt,

niet in de kring van zondaars staat,

zich niet met leugenaars inlaat.

Veel wonderen heb ik van U aanschouwd.

Wij zijn haast overladen / met al uw goede daden.

Niemand is U gelijk!

Vertellen van uw kracht / doe ik uit alle macht,

zoveel dat ik bezwijk.

 

3.
Naar offers en naar gaven taalt U niet,

U vraagt van ons geen offer meer.

Ik luister stil naar U, o Heer,

naar wat U aan mij als uw mens gebiedt.

In uw boek staat geschreven / dat ik voor U wil leven.

Uw wil te doen, mijn God,

verlang ik diep in mij, / sta mij daarin toch bij,

ik koester uw gebod.

 

4.
Wanneer de mensen bij ons samen zijn

spreek ik van uw rechtvaardigheid.

U weet, Heer, dat ik U belijd,

uw trouw en hulp die vormen mijn refrein.

Ik wil er van getuigen / en van uw goedheid juichen.

En waar men U slecht kent,

spreek ik over uw rol, / hoe trouw en liefdevol

U altijd voor ons bent.

 

5.
Heer, mij weigert U uw ontferming niet,

uw liefde en uw trouw aan mij

blijven mij levenslang nabij

ook nu U grote rampen om mij ziet:

mijn zonden achtervolgen / mij, hebben mij verzwolgen,

ik zie geen uitweg meer,

hun aantal is zo groot, / ze leiden tot mijn dood,

de moed ontzinkt mij, Heer.

 

6.
Kom mij te hulp en breng mij uitkomst, Heer.

Verneder hen die in hun waan

mij dreigend naar het leven staan,

zet hen beschaamd, ontluisterd voor U neer.

Wie onheil voor mij zoeken / en mijn bestaan vervloeken,

zet hen beduusd opzij.

Verstom het boos gepraat / van hen die in hun haat

de spot drijven met mij.

 

7.
Wie hun geluk bij U zoeken, o Heer,

zij zullen lachen, onbezorgd,

hun redding is bij U geborgd.

Zij prijzen U en zeggen telkens weer:

“Ja, onze God is machtig”. / Maar ik ben zwak, armlastig,

zie mijn armzalig lot.

Ach, Here, denk aan mij, / U staat mij altijd bij,

o, wacht niet langer, God.


Psalm 41

1.
Gelukkig is hij die voor armen zorgt,

God houdt hem in zijn hand,

in kwade dagen is zijn ziel geborgd,

men prijst hem in het land:

“Lever hem aan zijn vijanden niet uit!”

Hij vindt zijn steun bij God,

ook als hij ziek is blijft dat zijn besluit.

De Here keert zijn lot.”

 

2.
Ik zeg: “Heer, wees genadig, genees mij,

mijn zonde is zo groot”.

Mijn vijanden roepen vol razernij:

Wanneer gaat hij nu dood?”

Wie mij bezoekt, spreekt mooie woorden uit,

maar zijn hart is vervuld

van kwaad dat hij, als hij weer weg is, luid

laat klinken, onverhuld.

 

3.
Zij die mij haten hopen kwaad voor mij,

fluisteren tot elkaar:

“Dit dodelijk proces gaat niet voorbij,

hij ligt al op zijn baar.”

Ja, zelfs de beste vriend die ik ooit had,

die ik vertrouwen gaf,

met wie ik dikwijls samen vrolijk at,

keerde zich van mij af.

 

4.
Heer, toon mij uw genade, geef mij kracht

en laat mij rechtop staan,

dan laat ik zien dat hen uw oordeel wacht,

het is met hen gedaan.

Daardoor weet ik dat U aan mijn kant staat:

mijn vijand juicht niet meer.

Als U mijn onschuld aan hen blijken laat

woon ik bij U, o Heer.

 

5.
Geloofd de God van Isrel die mij leidt,

ik luister naar zijn stem,

van eeuwigheid tot alle eeuwigheid.

Met ‘Amen’ loof ik Hem.


Psalm 42

1.
Als een hert dat smacht naar water,

zoekend naar een koele beek,

snak ik naar het zacht geklater,

want ik dacht dat ik bezweek.

Heel mijn ziel dorst naar de Heer,

roept vertwijfeld: “Ach, wanneer

wilt U mij totaal vertrouwen,

mag ik Uw gelaat aanschouwen”.

 

2.
Zolang ik mij moet verbijten

eet ik tranen, dag en nacht,

hoor ik aldoor de verwijten:

“Waar is God op wie je wacht?”

Ik herinner mij nog goed

hoe wij in een lange stoet

naar Gods tempel konden reizen

om daar blij zijn naam te prijzen.

 

3.
Waarom ben ik toch neerslachtig

en onrustig in mijn hart?

Hoop op God, want Hij is machtig:

eens maak je een nieuwe start.

Ik ben triest en roep U aan

in het land van de Jordaan.

Bij de Hermon blijf ik denken

aan U die mij heil wilt schenken.

 

4.
Waterstromen komen golven,

stemmen van een groot gevaar.

Door uw stroom word ik bedolven,

o, uw golven zijn zo zwaar.

God bewijst mij overdag

liefde, wekt in mij een lach,

‘s nachts wil ik een loflied zingen,

dank Hem voor zijn zegeningen.

 

5.
God, mijn rots, ik wil U vragen:

“Heer, waarom vergeet U mij,

moet ik zwarte kleren dragen

en bedreigt mijn vijand mij?”

Mij gaat het door merg en been

dat die spotters om mij heen

heel de dag mij aanstoot geven:

“Waar is toch je God gebleven?”

 

6.
Waarom ben ik toch neerslachtig

en onrustig in mijn hart?

Hoop op God want Hij is machtig:

eens maak je een nieuwe start.


Psalm 43

1.

Verschaf mij recht, wil voor mij strijden,

tegen dit  volk dat mij zo sart.

U bent mijn God en toevlucht beide,

waarom zou U mij nu vermijden.

Waarom ga ik gekleed in zwart,

door vijanden getart?


2.

Zend mij uw licht en waarheid, Here,

laat die mij leiden naar uw huis,

het altaar waar ik U kan eren,

het hoogste wat ik kan begeren.

Een loflied zing ik in uw huis,

bij U voel ik mij thuis.


3.

Waarom ben ik toch zo neerslachtig,

voel mij onrustig in mijn hart.

Hoop op je God en wees indachtig,

de Heer, je God is groot en machtig,

eens zegen je je God en Heer,

Hij ziet en redt je weer.

 

Psalm 44

1.
O God, wij hoorden de verhalen

van onze ouders, vele malen,

over wat U in hun tijd deed,

op een manier die geen vergeet.

U sloeg de vreemde naties neer,

hebt volkeren voor hen verdreven.

Zij wonnen niet met zwaard en speer,

U hebt het land aan hen gegeven.

 

2.
U hebt uw rechterhand geheven,

U hebt altijd om hen gegeven.

U bent mijn koning, Here God,

en U beïnvloedt Jakobs lot.

Wij triomferen door uw kracht

als wij de vijand overwinnen.

Mijn boog heeft mij geen heil gebracht,

mijn zwaard bracht geen victorie binnen.

 

3.
U redde ons van wie ons haten,

hebt hen beschaamd achtergelaten.

O God, wij loven elke dag

uw naam en uw grote gezag.

Toch hebt U ons ontzet doen staan,

liet onze legers eenzaam strijden,

verslagen op de loop doen gaan,

onder een wilde roofzucht lijden.

 

4.
Als slachtvee hebt U ons verlaten,

verjaagd naar volken die ons haatten.

Uw volk ging in de uitverkoop,

de opbrengst gaf geen grond tot hoop.

U hebt ons doel van hoon gemaakt,

de buren komen ons bespotten,

U hebt ons ridicuul gemaakt,

zij zien ons als verdwaasde zotten.

 

5.
Alleen moet ik mijn schande dragen,

een schaamrood kleurt mij alle dagen,

terwijl de vijand spottend sart.

Toch blijft U leven in ons hart,

wij wezen uw verbond niet af:

mijn voeten bleven uw pad volgen.

Maar U verbande ons voor straf,

de duisternis heeft ons verzwolgen.

 

6.
Hadden wij soms Gods Naam vergeten,

wilden wij niet meer van Hem weten?

Baden wij tot een vreemde god,

dan werd een straf van Hem ons lot.

Hij kent de diepte van ons hart,

Hij zou het alles wel ontdekken.

Toch worden wij haast doodgesard

als slachtvee moesten wij vertrekken.

 

7.
Ontwaak Heer, blijf nu toch niet slapen,

verstoot ons niet, uw eigen schapen.

Waarom verbergt U uw gelaat

vergeet U hoe het ons vergaat?

Wij zijn gebogen in het vuil,

ons lichaam vastgekleefd aan aarde.

Sta op, help ons uit deze kuil,

laat zien dat U ons steeds bewaarde.


Psalm 45

1.
Diep uit mijn hart komen de juiste woorden,

als een gedicht voor allen die het hoorden:

lof voor de koning vloeide van mijn tong,

een lied dat een bekwame dichter zong.

U, koning, bent de mooiste van de mensen,

uw woorden zijn doorspekt met goede wensen,

de zegenspreuken stromen uit uw mond -

God zegent u altijd met zijn verbond.

 

2.
Held, gord uw zwaard aan, teken van uw waarde,

toon uw gezag en luister aan de aarde.

Treed op in glorie en begin de strijd

voor waarheid, deemoed en gerechtigheid.

Uw hand is vaardig tot enorme daden.

Uw pijlen volgen doelgerichte paden:

u schiet de koning van de vijand neer.

De volken vallen morsdood voor u neer.

 

3.
Uw troon is eeuwig en van grote waarde,

uw scepter handhaaft recht op heel de aarde,

daarom heeft God u met gezag bekleed,

en u gezalfd, wat Hij geen ander deed.

Uw kleding geurt naar fijne, dure kruiden,

in uw huis klinken lieflijke geluiden,

prinsessen doen al hun juwelen aan,

de koningin, in goud, komt naast u staan.

 

4.
Luister, mijn dochter, naar wat je moet weten:

Je moet al wat je vroeger had vergeten,

je volksgenoten en je vaderhuis.

De koning wenst jouw schoonheid bij zich thuis,

buig voor hem neer want hij wil met je trouwen,

hij wordt je heer, hij voegt je bij zijn vrouwen.

Dochter van Tyrus, met een rijk geschenk

zoeken ze jou en wachten op een wenk.

 

5.
Schitterend komt de koningsdochter binnen,

haar mantel is van goudbrokaat en linnen.

Zij komen samen in een bonte stoet

haar nieuwe heer, de koning, tegemoet,

de nieuwe bruid en al haar hartsvriendinnen,

zij komen samen bij de koning binnen.

Zij zingen op een feestelijke wijs

en juichend komen zij in het paleis.

 

6.
Uw zonen zullen in uw sporen treden,

zij heersen nu zoals uw vaders deden.

Ik zal uw naam bezingen wijd en zijd,

de volken prijzen u, nu en altijd.


Psalm 46

1.
God is een schuilplaats in gevaren,

in nood wil Hij ons leven sparen.

De angst sleurt ons beslist niet mee

al storten bergen in de zee.

Laat watervloeden dreigend koken,

de golven om de bergen spoken:

God in de hemel staat ons bij,

Hij is een sterke burcht voor mij.

 

2.
Een brede, wijdvertakte stroming

verblijdt Gods hoogheilige woning.

De stad loopt met God geen gevaar,

vroeg in de morgen redt Hij haar.

De volken komen om het leven,

zijn donder klinkt - de grond gaat beven.

God in de hemel staat ons bij,

Hij is een sterke burcht voor mij.

 

3.
Kom, zie de daden van de Here,

de aarde moet zijn normen leren:

oorlog en wapens - aan de kant,

zij worden in het vuur verbrand.

“Houd op met vechten, wil aanvaarden

dat Ik de Heer ben van de aarde”.

God in de hemel staat ons bij,

Hij is een sterke burcht voor mij.


Psalm 47

1.
Prijs Gods koningschap / nu met handgeklap,

volken, zing Hem toe, / jubel, word niet moe.

Hij verdient de eer, / Hij de hoogste Heer.

Onze koning bracht / volken in zijn macht.

Met zijn eigen hand / wees Hij ons een land,

Jakob’s naam ter eer. / Hij bemint ons zeer.

 

2.
God steeg voor ons oog / met gejuich omhoog.

Ieder hoort het al: / luid klinkt hoorngeschal.

Mensen, aarzel niet, / zing voor Hem een lied,

met een nieuw refrein: / “God zal Koning zijn.

Heel de aarde wacht / op zijn koningsmacht”.

Aarzel daarom niet: / zing een vrolijk lied.

 

3.
God, als koning leidt / mensen wijd en zijd,

Hij bepaalt hun lot, / tronend als hun God.

Vorsten komen saam / rond zijn grote naam,

zij behoren tot / aanhangers van God.

Schildwachten zijn zij, / staan de mensen bij

namens God, de Heer. / Hij verdient veel eer.

 

Psalm 48

1.
Groot is de Heer en alle lof

moet voor Hem klinken in zijn hof.

Daar, in de stad van onze koning,

heeft God, de Heer, zijn hoge woning:

Sionsberg met hoge kruin,

toppunt van de aardse tuin,

met de flanken op het noorden

en de liefelijke oorden.

In de vesting heerst vertrouwen:

op de Here kun je bouwen.

 

2.
De koningen vormden een blok

dat eensgezind ten strijde trok.

Maar wat zij zagen deed hen zuchten,

zij moesten samen angstig vluchten,

meegesleurd door siddering

als van wie een kind ontving,

of een schip in ruwe nachten.

In de stad mag je verwachten

dat je ziet wat wij ervaren:

eeuwig zal God haar bewaren.

 

3.

In uw hoogheilige gebouw

gedenken wij, o God, uw trouw.

Uw naam, o God, heeft grote waarde,

reikt tot de einden van de aarde

en uw roem houdt eeuwig stand

door uw sterke rechterhand,

waaruit wij ons recht ontvingen.

Sion mag van vreugde zingen,

uw naam wordt met eer beladen

want rechtvaardig zijn uw daden.

 

4.
Ga Sion rond, trek er omheen

en tel zijn torens één voor één.

Bekijk met aandacht al zijn muren,

ga naar zijn vestingwerken turen,

ja, bewonder al zijn pracht

en vertel je nageslacht:

“Die God bracht ons naar de vrijheid,

Hij blijft ook in jouw nabijheid,

Hij zal ons door alle tijden,

ook tot aan ons einde leiden”.

 

Psalm 49

1.
Hoor, alle volken van de wereld, hoor,

kinderen, arm en rijk, spits nu je oor.

Mijn mond spreekt wijze woorden uit mijn hart,

diepzinnigheden waar mijn dag mee start.

Mij spreekt een vreemde raadselspreuk wel aan.

Als snaren van mijn lier weerklinken gaan

zal ik de lucht met al mijn klanken vullen,

al zingend zal ik een geheim onthullen.

 

2.
Waarom ben ik in slechte tijden bang,

als ik verdrukt word in een ruw gedrang,

door profiteurs, vertrouwend op hun kracht

en pronkend met hun rijkdom en hun macht.

Een mensenleven kopen kan je niet,

voor God is het te weinig wat je biedt.

Onmogelijk is voor ons eeuwig leven,

wij worden altijd aan het graf gegeven.

 

3.
Wij zien de wijzen bij hun sterfbed staan,

dommen en dwazen zullen ook vergaan,

zij laten hun vermogen in hun kluis.

Het graf is nu voor eeuwig hun tehuis,

de plek die voor altijd hun woning is

en hun bezit is nu hun groot gemis.

Ook rijken kunnen er niet aan ontkomen,

hun leven zal hen worden afgenomen.

 

4.
Dit is het lot van wie in eigenwaan

zichzelf, maar anderen niet wil zien staan.

Als schapen zijn zij in het dodenrijk,

de dood is daar de herder van hun lijk.

Oprechten trappen ‘s morgens op hun graf,

hun lichaam krijgt ook in de dood nog straf.

Mij zal de Heer vrijkopen van de krachten

van het verderf, Hij redt mij van hun machten.

 

5.
Wees niet bang voor een mens die rijker is:

een groter huis, aan luxe geen gemis.

Wanneer hij sterft, dan staat hij alles af,

zijn rijkdom gaat niet met hem in het graf.

Wat hij ook in zijn leven had gedacht,

hij zal zich voegen bij zijn voorgeslacht,

bij hen die nooit het licht meer zullen vieren:

het gaat een rijke dwaas als wilde dieren.


Psalm 50

1.
De God der goden spreekt, zijn stem weerklinkt

van waar de zon oprijst tot waar zij zinkt.

Uit Sion, Godsstad van volmaakte pracht,

verschijnt God in een stralend lichte dracht.

Hij, onze God, Hij komt en zal niet zwijgen!

Je ziet een storm van vuur rondom Hem dreigen.

 

2.
De hemel en de aarde dagvaardt Hij,

het oordeel over Isrel is nabij:

“Breng mijn getrouwen voor mijn aangezicht,

al wie door offers zich aan Mij verplicht”.

De hemel zal Gods rechtspraak propageren,

als rechter zal Hij zich manifesteren.

 

3.
“Luister, mijn volk, en kom hier voor Mij staan,

Ik, God, je eigen God, Ik klaag je aan.

Niet om de offers die je voor Mij brandt,

nooit doven offervuren in dit land.

Maar vette stieren wil Ik niet aanvaarden,

de bokken uit je kooi hebben geen waarde.

 

4.
De dieren in het woud, die zijn van Mij

en alle vogels horen ook daarbij,

van Mij is al wat rondtrekt in het veld.

Al had Ik honger - wat voor Mij niet telt -

de wereld is van Mij met al haar dieren.

Ik wens geen bokkenbloed of vlees van stieren.

 

5.
Breng God een offer en bewijs Hem eer,

houd je aan je beloften aan de Heer,

doe wat je aan de Allerhoogste zegt.

En als je tegen tegenslagen vecht

mag je Mij roepen om de ramp te weren,

Ik zal je redden, en je zult Mij eren.

 

6.
Maar tot wie onbetrouwbaar is zegt Hij:

“Wat is het nut van jouw huichelarij?

Je trekt je van mijn uitbranders niets aan

wilt al te graag met inbrekers omgaan.

Je tast de eer aan van je eigen broeder,

je maakt de zoon een schandvlek voor zijn moeder.

 

7.
Zou Ik dan zwijgen bij die zwijnerij,

je denkt toch niet dat Ik ben zoals jij?

Ik klaag je daarom aan. Wie God vergeet,

die krijgt te maken met ondraaglijk leed,

maar wie Mij met een dankoffer komt eren,

wie zo leeft, wordt gered door God, de Here.


Psalm 51

1.
Wees mij genadig, God, denk aan uw trouw,

erbarm U, Heer, doe mij niet naar mijn daden,

was weg de schuld waarmee ik ben beladen,

breng mij niet door mijn zonden in het nauw.

Ik weet wanneer ik fouten heb begaan,

ik ben mij steeds bewust van al mijn zonden,

ik weet nog wat ik vroeger heb misdaan,

mijn daden werden door U fout bevonden.

 

2.
Wees in uw vonnis mij genadig, Heer,

wil over mij een zuiver oordeel vellen.

Vanaf mijn jeugd voel ik de zonde knellen,

van jongs af aan negeerde ik uw leer.

Ik was al schuldig toen ik werd gebaard,

maar U wilt mij uw volle waarheid leren,

besef van uw gebod is mij veel waard,

diep in mijn hart wil ik uw wijsheid eren.

 

3.
Was met een heilig kruid mijn zonden af,

maak mij weer rein en zuiver in uw ogen

en laat mij helder voor U stralen mogen,

witter dan sneeuw, gereinigd door uw straf.

Geef in mijn leven blijdschap en vermaak:

U brak mij af, laat mij nu ook weer zingen.

Bestraf het niet als ik mijn plicht verzaak

en wil uw toorn over mijn schuld bedwingen.

 

4.

Schep, God, een nieuw en zuiver hart in mij,

vernieuw mijn geest en maak mijn hart standvastig,

duld mijn presentie, maak het mij niet lastig

bij U te wonen, want dat maakt mij blij,

laat mij genieten van uw goede geest,

geef mij de vreugde weer van vroeger dagen.

U bent mijn redder in de nood geweest,

o, laat uw sterke geest mijn leven dragen.

 

5.
Dan breng ik de verdwaalden weer bij U,

de zondaars zullen zich weer tot U keren.

U bent mijn God: wil onheil van mij weren,

bevrijd mij, God, de dood bedreigt mij nu,

ik heb U lief om uw gerechtigheid,

Ik zal voor U een nieuwe lofzang schrijven.

Maak, Heer, mijn lippen tot uw dienst bereid,

dan zal uw loflied op mijn lippen blijven.

 

6.
U wilt van mij geen offerdieren meer,

brandoffers kunnen U niet meer behagen.

Uw offer is een hart dat leed moet dragen,

op een gebroken hart ziet U niet neer.

Wees Sion welgezind en schenk het heil,

geef aan de Godsstad weer haar oude muren,

dan offeren wij weer in oude stijl:

wij branden hele stieren op uw vuren.


Psalm 52

1.
Jij held, waarom, prijs jij het kwade

en spuw je gal op God?

Jij bent steeds uit op boze daden,

je tong is lang niet bot.

Jij ziet het liefst een tong die liegt

en die gemeen bedriegt.

 

2.
God breekt je voortdurend in stukken,

Hij sleurt je uit je tent,

Hij zal je uit de wereld rukken.

Ze zeggen: “Kijk, die vent

zocht niet Gods heil maar geld en macht -

het heeft hem omgebracht”.

 

3.
Maar ik mag in Gods huis floreren

als een frisgroene plant,

Hem om zijn trouwe liefde eren,

want die houdt altijd stand.

Ik wil U loven als uw kind

bij elk die U bemint.

 

Psalm 53

1.
Een dwaas denkt bij zichzelf: Er is geen God.

Niets waard is hij, verdorven zijn zijn wensen.

God kijkt vanuit de hemel naar de mensen

en speurt naar iemand die niet met Hem spot,

die zoekt naar God.

 

2.
Allen zijn afgegleden, zijn ontaard,

geen van hen deugt. Weten zij niet van normen,

laten zij zich alleen door kwaad misvormen?

Geen kruimel wordt er van mijn volk gespaard:

zij zijn niets waard.

 

3.
Nog even tot paniek hen overkomt,

zij worden bang, een angst als nooit tevoren.

Door Gods gericht gaan zij voorgoed verloren,

wees jij maar blij, hun lachen is verstomd,

want God zelf komt.

 

4.
Ach, dat uit Sion redding wordt gereikt

aan wie zo lang op Gods bevrijding wachten.

Als Hij een eind maakt aan de kwade machten,

zal Jakob zien dat alles hoopvol blijkt,

de droefheid wijkt.

 

Psalm 54

1.
O God, bevrijd mij door uw naam,

verschaf mij recht naar uw vermogen.

Heer, ik ben in gebed gebogen,

beroep mij op uw grote faam.

Hoor toch de woorden van mijn mond,

want vreemden komen mij bedreigen,

zij willen mij te pakken krijgen.

Zij leven niet naar uw verbond.

 

2.
God is mijn helper die mij draagt,

Hij zal altijd mijn houvast blijven.

Kom, Heer, mijn vijanden verdrijven,

ik hoop dat U hen echt verjaagt.

Ik kom met offers voor U staan

en wil uw naam van harte loven:

U trok mij uit de nood naar boven,

ik kijk mijn vijand dapper aan.

 

Psalm 55

1.

God, wil naar mijn gebeden horen,

want zonder U ben ik verloren,

geef mij toch antwoord op mijn klagen.

Vertwijfeld loop ik doelloos rond,

gevloek, getier komt uit de mond

van hen die woedend mij belagen.

 

2.
In doodsangst is mijn hart verschrompeld,

ik ben in angst en vrees gedompeld.

Kon ik maar als een duif gaan vluchten

dan streek ik neer in de woestijn,

daar zou een luwe schuilplaats zijn:

ik had van storm niets meer te duchten.

 

3.
Heer, splijt hun tong, verwar hun spreken,

ik heb naar hun geweld gekeken:

het doet nu dag en nacht de ronde,

onheil beheerst nu heel de stad,

ellende ligt op ieders pad,

er wordt alleen terreur gevonden.

 

4.
Een vijand die mij zou belagen

met haat en nijd, zou ik verdragen,

ik zou in stilte onrecht lijden.

Mijn hartsvriend: jij dacht steeds als ik,

wij hadden vroeger samen schik

als wij ons in Gods huis verblijdden.

 

5.
Moge de dood hen plotsklaps treffen,

het dodenrijk zijn tol gaan heffen

van hen die altijd kwaad beramen.

Ik roep tot God, dat Hij mij redt.

Ik zoek Hem altijd in gebed,

Hij hoort mijn stem, kent mij bij name.

 

6.
Hij zal mijn lot ten goede keren,

mijn vijanden ver van mij weren.

Hij slaat hen neer, al zijn zij velen.

Zijn troon stond ver voor onze tijd

en eeuwig vast staat zijn beleid.

Zijn grote macht kan hen niets schelen.

 

7.
Zo iemand zal zijn vriend verraden,

de broederbanden met hem schaden.

Hij spreekt met gladde, zoete woorden

maar is op vijandschap bedacht.

Zijn woorden lijken boterzacht,

maar zijn een dolk om mee te moorden.

 

8.
U mag in nood op God gaan leunen,

Hij zal oprechten ondersteunen.

Maar, God, bedriegers doet U zakken

in hun wijdopen gapend graf -

hun leven was nog lang niet af,

maar ik blijf naar uw toekomst snakken.


Psalm 56

1.

Wees met mij, God, want ze bedreigen mij,

zonder geweld gaat er geen dag voorbij,

al vele dagen duurt hun pesterij,

zij blijven op mij jagen.

In diepe angst kom ik uw bijstand vragen,

o God, ik prijs uw woorden alle dagen,

ik ken geen angst voor hen die op mij jagen,

wat kan men tegen mij?

 

2.
Hun woorden krenken mij de hele dag,

zij richten zich op mij met boos gelach.

Zij volgen mij, bespieden mijn gedrag.

Gaan zij hun straf ontlopen?

Laat in uw toorn hen toch niet zomaar lopen!

Mijn hele levensloop ligt voor U open,

mijn vijanden zijn voor U weggekropen,

benauwd voor uw gezag.

 

3.
O God en Heer, wiens woord van trouw ik prijs,

steun mij als ik een valse klacht afwijs.

Mijn offer aan U dient als eerbewijs,

ik wil U dank betalen.

U hebt mijn ziel niet in de dood doen dalen,

mijn voet gesteund, zodat die niet zou falen.

U laat mij leven in uw zonnestralen,

uw licht geleidt mijn reis.

 

Psalm 57

1.

Wees mij genadig, God, wees mij nabij,

ik voel mij onder uw bescherming vrij.

Uw vleugels zullen mij een schuilplaats blijken,

zij bieden schaduw en verbergen mij

totdat het doodsgevaar van mij zal wijken.

 

2.
Ik roep tot God, de allerhoogste Heer,

want Hij verdedigt en beschermt mijn eer.

Hij zal mij uit de hemel zijn hulp sturen,

wie mij bedreigt slaat Hij verwoestend neer.

Zijn trouw en liefde zullen altijd duren.

 

3.
Het is alsof ik tussen leeuwen ben,

hun tanden blinken als een scherpe pen,

hun tong is als een glanzend zwaard geslepen.

Verhef U, God, boven uw hemel en

toon dat Uzelf de macht weer hebt gegrepen.

 

4.
Zij spanden op mijn weg een dreigend net,

ik had mijn voeten in hun val gezet,

zij groeven mij een grote kuil met wallen,

ik ontkwam aan hun hinderlaag maar net,

zij zijn tot hun verdriet er in gevallen.

 

5.

Mijn hart vertrouwt geheel op U, o Heer,

ik ben niet verontrust en angstig meer.

Voor U wil ik mijn lied zingen en spelen.

Ontwaak mijn ziel, ontwaak mijn ziel en leer

met harp en lier het morgenrood te strelen.


6.

Ik loof uw naam onder de volken, Heer,

en zing voor alle naties tot uw eer.

Uw liefde is met niets te vergelijken,

uw trouw daalt uit uw hoge hemel neer.

Verhef U, laat uw roem op aarde blijken.

 

Psalm 58

1.

Waar hebt u, vorsten, naar gekeken,

spreekt u uw oordeel eerlijk uit?

Uw hart neemt al een vals besluit,

het recht op aarde is geweken,

u geeft vrij spel aan het geweld

dat in uw naam op aarde geldt.

 

2.
Van kindsbeen af zijn zij god-lozen,

zij dwalen als een leugenaar.

Zij zijn een dodelijk gevaar

als slangen die voor doofheid kozen

en hun bezweerders lieten staan.

Zij trokken zich niets van hen aan.

 

3.
God, sla de tanden uit hun muilen,

maak hen als water dat vervloeit,

als pijlen, voor gebruik verknoeid,

als leven dat zich moet verschuilen

in slakkenslijmsel zonder vorm,

een doorntak die verwaait in storm.

 

4.
Oprechten mogen zich verheugen

wanneer zij de vergelding zien.

Dan profiteren zij misschien

van de bestraffing van de leugen.

Dan zegt men: “Ja, de Heer is goed,

een God die recht op aarde doet”.


Psalm 59

1.

O God, ik roep, kom mij bevrijden,

mijn tegenstanders doen mij lijden.

Red mij van wie mij onrecht doet,

hij hunkert naar onschuldig bloed,

hij doet een aanslag op mijn leven.

Ik heb geen aanleiding gegeven,

een misstap heb ik niet begaan,

maar zij dringen nu dreigend aan.

 

2.
Sta op, o God, en hoor mijn klachten,

Heer van de goddelijke machten,

straf ieder volk dat onrecht doet,

praat geen verraad en misdaad goed.

Als honden lopen zij te grommen,

zij komen elke dag in drommen.

Hun mond loopt over van venijn,

denkend: Wie weet dat wij er zijn?

 

3.
U lacht om volken die U haten.

Maar ik wil mij op U verlaten.

God is mij trouw, Hij staat mij bij,

Hij steunt mij en Hij keert het tij.

Wil hen nog niet geheel verteren -

mijn volk moet daar een les uit leren -,

maar jaag hen rond en sla hen neer

met kracht, U bent ons schild, o Heer.

 

4.

Wat uit hun mond komt is vol zonde,

laat hen door leugens zijn gebonden.

Breng in uw toorn hen roemloos om,

want Jakob is uw eigendom.

Als honden lopen zij te grommen,

ze komen telkens weer in drommen,

zij zwerven rond op zoek naar buit,

verhongerend, zij janken luid.

 

5.
Maar ik, ik zal uw sterkte roemen,

uw trouw vroeg in de morgen noemen.

Steeds mocht ik schuilen in uw poort,

U was voor mij een toevluchtsoord.

U kwam mijn vijanden bedwingen,

voor U wil ik een loflied zingen:

Door God kom ik niet in het nauw,

Hij steunt mij en Hij blijft mij trouw.


Psalm 60

1.
God, U verdreef ons en nu wordt
uw toorn over ons uitgestort.
Geef aan ons lot een goede keer,
het land splijt onder uw beheer,
U scheurt het helemaal uiteen,
genees het toch, het stort ineen.
U hebt uw volk diep laten zinken,
bittere wijn ons laten drinken.

2.
Houd wie U dienen in het oog,
laat hen ontkomen aan de boog.
Bevrijd toch uw geliefde land,
en help het met uw sterke hand.

3.
God sprak toen in zijn heiligdom:
"Ik keer de situatie om.
Manasse is mijn grote schat,
Ik neem bezit van Gilead,
Efraïm op mijn hoofd geplant,
Juda de scepter in mijn hand.
Moab en Edom, zij verslappen,
Ik zal hen met mijn voet vertrappen".

4.
Wie voert mij nu de vesting in,
wie brengt mij weer naar mijn begin?
O, God, die ons verstoten had,
wilt U ons leiden op ons pad?

Sta ons tegen de vijand bij,
de hulp van mensen maakt niet blij.
Met God zullen wij triomferen,
Hij zal de vijand van ons weren.


Psalm 61

1.

Hoor, o God, naar mijn gebeden, / hier beneden

roep ik U wanhopig aan

van het einde van de aarde. / Mijn bezwaarde

hart houdt bijna op te slaan.


2.

Heer, ik wil in U geloven, / breng mij boven

op uw rots in veiligheid.

Wil, mijn schuilplaats in gevaren, / mij bewaren

als mijn toren in de strijd.


3.

Heer, wil mij uw schuilplaats tonen, / om te wonen

in de schaduw van uw tent.

God, U hoort al mijn gebeden / en mijn eden.

U beloont wie uw naam kent.


4.

Geef de koning vele jaren, / wil hem sparen,

geef hem zijn verdiende loon,

dat de tijd van zijn besturen / lang mag duren,

en bescherm zijn hoge troon.

 

5.

Schenk de koning volle vrijheid, / trouw en waarheid,

en bewaak zijn leven, Heer.

Uw naam zal ik bij mij dragen, / alle dagen

schenk ik U mijn woord van eer.


Psalm 62

1.
Alleen bij God vind ik mijn rust,

op Hem vertrouwen is mijn lust.

Hij is mijn rots, Hij zal mij steunen.

Hij is mijn redding in de nood,

mijn burcht, ik zal tot in de dood

nooit wankelend, wanhopig kreunen.

 

2.
Hoe lang nog vallen jullie aan

op één man om hem dood te slaan?

Waarom wil je hem zo bedreigen?

Hij is een muur die wankel staat,

een wal die bijna vallen gaat:

breng je een vijand zo tot zwijgen?


3.

Zij storten hem de diepte in,

geen aantijging is hen te min,

zij willen slechts met leugens tarten.

Zij doen alsof een zegenwens

zou klinken voor een medemens,

maar vloek verbergt zich in hun harten.

 

4.
Zoek rust, mijn ziel, bij God alleen,

Hij toont zijn trouw aan iedereen,

van Hem blijf ik mijn heil verwachten.

De Here is mijn rots in nood,

mijn reddingsboei tot in de dood,

zijn vesting geeft mij nieuwe krachten.

 

5.
God is mijn redding en mijn eer,

een imposante rots, mijn Heer,

Hij biedt mij aan naar Hem te vluchten.

Vertrouw, mijn volk, steeds op zijn stem

en open heel uw hart voor Hem,

bij Hem is geen gevaar te duchten.

 

6.
Een mensenkind is licht als lucht,

een leugen lichter dan een zucht,

een weegschaal gaat van hen slechts stijgen.

Weet dat je niet vertrouwen moet

op aards gedoe als geld en goed;

je moet je hart er vrij van krijgen.

 

7.
Een eerste maal sprak God een woord,

tweemaal heb ik zijn stem gehoord,

herhaling daarvan kan niet schaden:

“Hij is de machtige, de Heer!”

U toont ontferming, telkens weer,

beloont de mensen naar hun daden.


Psalm 63

1.
Mijn God, ik blijf U zoeken, want

ik blijf voortdurend naar U smachten,

heel mijn bestaan blijft U verwachten,

ik leef nu in een dorstig land.

 

2.
Ik zag U in uw heiligdom,

U bent zo groots en hoog verheven.

Uw liefde is meer dan het leven,

ik zing wanneer ik tot U kom.

Mijn leven lang wil ik U prijzen,

ik roep uw naam, ga in gebed,

dan wordt mijn ziel verzadigd met

uw gaven, Heer, ik zal U prijzen.

 

3.
Ik denk aan U ook in mijn bed,

‘s nachts blijf ik zachtjes uw naam noemen,

ik mocht mij op uw hulp beroemen.

U hebt mij op uw spoor gezet,

U was de hulp die ik vertrouwde,

uw vleugel overschaduwt mij,

mijn ziel, Heer, blijft U zeer nabij,

door uw hand word ik vastgehouden.

 

4.
Laat hen verzinken in de grond

die mij bedreigen in het leven.

Wil hem als prooi aan leeuwen geven

die mij steeds naar het leven stond.

De vorst zal zich in God verheugen,

voor ieder die hem trouw bewijst

geldt, dat die zich gelukkig prijst -

verstomd zijn minnaars van de leugen.


Psalm 64

1.
Hoor naar mijn stem, Heer, hoor mij klagen,

de vijand dreigt mij met de dood,

bescherm mij in mijn grote nood,

verberg mij voor wie mij belagen,

en op mij jagen.

 

2.
Zij zien hun tongen als hun messen

en met hun pijl, een giftig woord,

zijn veel onschuldigen vermoord.

Zij loeren uit verborgen bressen,

boeken successen.

 

3.
Hun wapens zijn hun kwade woorden,

ze smeden een misdadig plan

en denken: “Niemand weet ervan,

geen mens verdenkt ons van het moorden”.

Zij zijn gestoorden.

 

4.
God zal hen met zijn pijl verwonden,

Hij treft hen zwaar en onverhoeds,

hun eigen tong bracht hen geen goeds,

zodat, wie hen gevallen vonden,

verbijsterd stonden.

 

5.
Bij mensen zal verbazing rijzen,

zij roemen wat God heeft gedaan.

Rechtvaardigen roepen Hem aan,

mogen, als zij Hem eer bewijzen,

zich zalig prijzen.


Psalm 65

1.
Aan U komt alle lof toe, Here,

U die op Sion woont,

wij zullen U met gaven eren,

aan U wordt eer betoond.

O, God, die ons gebed wilt horen -

ik kom als sterveling.

Ben ik in zonde haast verloren,

van U komt kwijtschelding.

 

2.
Heil hem wie U entree wilt geven

in uw verheven huis.

Wij mogen hier uw heil beleven,

uw tempel is ons thuis.

Uw antwoord is van grote waarde,

U neemt ons met U mee.

Op U hoopt heel de grote aarde,

de verten van de zee.

 

3.
U plantte bergen door uw sterkte,

U bent omgord met macht,

U was het die de zee beperkte,

U brak zijn grote kracht.

De volken wist U te bedwingen,

de mensen staan verstomd,

op aarde deed U grote dingen:

gejuich klinkt waar U komt.

 

4.
U komt de droge grond bevloeien,

U maakt het vruchtbaar land,

U doet het water overvloeien,

een gave uit uw hand.

Het land bewerkt U voor het koren,

U effent akkergrond,

U zegent planten in de voren

waar U uw regen zond.

 

5.
U kroont het jaar met goede gaven,

het druipt van overvloed,

en waar uw voetstap ligt begraven

maakt U de oogsten goed.

Hoor hoe de heuvels juichend pralen,

het vee bedekt het land,

het graan siert overal de dalen.

Zij zingen hand in hand!


Psalm 66

1.
Juich voor de Heer, ga voor Hem zingen,

kom, zing een lofzang voor zijn Naam.

Zeg Hem: “U doet steeds grote dingen,

hoe ontzagwekkend is uw faam.

Uw vijanden zijn diep gebogen,

zij moeten kruipen voor uw macht,

de aarde moet uw naam verhogen,

U wordt een lofprijzing gebracht”.

 

2.
Kom, zie Gods wonderbare daden,

zij vullen ons met diep ontzag:

In plaats van door de zee te waden

liet Hij zijn stammen op een dag

droogvoets het water oversteken.

Wees blij, Hij heerst in eeuwigheid,

De volken wachten op zijn teken.

Wie Hem weerstaat, verliest de strijd.

 

3.
Gods lof moet klinken in uw leven,

prijs Hem, want onze Heer is goed.

Hij heeft het leven ons gegeven,

Hij heeft ons voor een val behoed.

 

4.
U, Here God, beproeft ons leven,

U zuivert, loutert ons bestaan,

hebt in een vangnet ons gedreven,

doet ons gebukt door lasten gaan.

Mensen zijn over ons gereden,

wij zijn door vuur en zee gegaan,

maar U bood ons in het verleden

een overvloedig thuisland aan.

 

5.
Ik zal met offers bij U komen,

ik doe wat ik heb toegezegd,

ik heb een taak op mij genomen,

in nood een eed U afgelegd:

“Ik zal U flinke offers brengen,

een schaap, goed vetgemest en mooi,

een ram zal ik met vuur verzengen,

ik slacht een stier, een prima ooi”.

 

6.
Kom, hoor wat ik u wil vertellen

als u ontzag hebt voor de Heer,

dan kunt u zelf een oordeel vellen:

Hij zag genadig op mij neer.

Toen ik de woorden had gevonden

kwam er een loflied uit mij voort.

Maar was mijn hart nog vol van zonde,

dan had de Heer mij niet gehoord.

 

7.
God, tot wie mijn gebeden rezen,

- geprezen wordt de Heer door mij -,

heeft mijn gebed niet afgewezen,

volhardde in zijn trouw aan mij.


Psalm 67

1.
God, wees genadig en geef zegen,

beschijn ons met uw eeuwig licht,

dan leren mensen al uw wegen

en krijgen op uw redding zicht.

Dat aan alle hoven / volkeren U loven

over wat U zegt.

Dan zal men zich buigen, / men zal voor U juichen,

hopend op uw recht.

 

2.
Laat alle volken, God, U prijzen,

de lof voor U klinkt wereldwijd.

De oogst bracht overvloed aan spijzen,

God geeft ons voedsel op zijn tijd.

Het is rijke zegen / wat wij van Hem kregen,

toon Hem dankbaarheid.

Ieder moet Hem eren, / want Hij is de Here

die ons bestaan leidt.


Psalm 68

1.
God komt in actie, en meteen

stuiven zijn vijanden uiteen,

zij moeten angstig wijken.

Zoals de wind de rook verdrijft

en was bij vuur niet stevig blijft,

zult U hen doen bezwijken.

Zo zal het zondaars steeds vergaan

als God tegen hen op gaat staan.

Rechtvaardigen die juichen

dat God het onrecht ondermijnt,

verblijden zich als God verschijnt

als vrolijke getuigen.

 

2.
Zing nu voor God, bezing zijn naam,

maak Hem ruim baan als Hij voornaam

door zijn gebied komt rijden.

Jubel en juich als Hij verschijnt,

Hij is de Heer, die wie verkwijnt

beschermend voort zal leiden.

God opent hen zijn heilig huis,

geeft eenzamen een veilig thuis,

gevangenen nieuw leven,

geeft voorspoed aan wie Hem behaagt.

Maar wie zich obstinaat gedraagt

zal Hij slechts droogte geven.

 

3.
God, toen U optrok voor uw volk

in de woestijn, met vuur en wolk,

begon de grond te beven.

Het water stortte gutsend neer

toen U als God verscheen, o Heer,

als heerser van het leven.

Een milde regen uit uw hand

schonk U het uitgeputte land,

het kon haar kracht herpakken.

Uw kudde vestigde zich daar,

U maakte een goedgeefs gebaar,

U gaf het aan die zwakken.

 

4.
God sprak toen een bevrijdend woord,

de vrouwen fluisterden het voort:

“De koning vlucht, te wapen!

God jaagt de legers voor ons uit

en wij verdelen thuis de buit,

ga bij de schapen slapen!”

Als zilver schitterde de duif

van vleugelpen tot aan haar kuif,

het leek of zij aan glans won:

de Ontzagwekkende verscheen

en dreef de koningen uiteen,

sneeuw viel er op de Salmon.

 

5.
Machtige, hoge Basan-berg,

veeltoppige, enorme berg,

waarom je afgunst tonen?

Vind jij het zo ontstellend erg

dat God nu juist die kleine berg

koos om daar te gaan wonen.

Wel duizend wagens vol van pracht

heeft Hij van Sinaï gebracht,

Hij heerste als een koning.

Gevangenen bracht U daar toen,

rebellen moesten boete doen.

U steeg op naar uw woning.

 

6.
Geprezen zij God, dag aan dag,

Hij draag ons, toont ons zijn gezag,

de Heer wil ons niet schaden.

Hij geeft bevrijding uit de dood.

Hij is het die met kracht verstoot

wie zijn met schuld beladen.

God zegt: “Ik neem je vijand mee,

Ik trek ze uit de diepe zee:

en jullie zullen waden

door bloed dat druipt over de grond,

het is zo erg dat jullie hond

zijn tong er in laat baden”.

 

7.
Een schouwspel is uw stoet, o God,

een stoet die langzaam optrekt tot

uw heilige domeinen:

daar zijn de zangers die ik ken,

snaarspelers begeleiden hen,

meisjes met tamboerijnen.

Prijs God wanneer u samenbent,

prijs Hem, u komt uit Isrels tent,

van hem stammen uw namen.

Hij, Benjamin, opent de rij,

de anderen staan zij aan zij,

zij komen vrolijk samen.

 

8.
Ontplooi, o God, uw grote macht,

U toonde ons altijd de kracht

die uit uw tempel straalde.

Leg koningen uw schatting op.

Verhef uw sterke arm en stop

de troep die rond ons dwaalde.

Vertrap wie mij om goud benijdt,

verstrooi de volken tuk op strijd.

Gezanten moeten komen,

die uit Egypte, op uw wenk,

de Nubiërs met het geschenk

voor U, God, meegenomen.

 

9.
Volken op aarde, zing Gods lof,

zing voor Hem in zijn hoge hof,

daar boven alle volken.

Hoor, machtig is zijn stemgeluid.

Zijn heerschappij, van noord tot zuid,

reikt verder dan de wolken.

Hoe ontzagwekkend bent U, Heer,

daarboven in uw hemelsfeer.

God zal het lot doen keren

van Israël, Hij geeft met macht,

zijn volk voortdurend nieuwe kracht.

Geprezen zij de Here!


Psalm 69

1.
Red mij, o God, het water stijgt alweer,

het komt mij nu al bijna tot de lippen,

mijn voet dreigt in de modder weg te slippen,

ik vind geen grond onder mijn voeten meer.

Een woeste stroom sleurt mij nu met zich voort.

Mijn keel is schor, ik kan geen kik meer geven,

ik zie haast niets, hebt U mijn stem gehoord?

Ik zoek U, maar waar bent U nu gebleven?

 

2.
Talrijker dan de haren op mijn hoofd

zijn zij die harteloos over mij liegen,

zij kwamen mij met valse taal bedriegen:

“Geef het terug!” Maar ik heb niets geroofd.

Mijn leven is vol schuld, U zag het wel.

Ik wil wie naar U uitzien niet beschamen,

machtige Heer, o God van Israël,

ik hoop dat zij niet doelloos bij U kwamen.

 

3.
Men jouwt dat ik mij tot U heb bekeerd,

van schaamte bloos ik tot achter mijn oren.

Verwanten willen niet meer bij mij horen.

De hartstocht voor uw huis heeft mij verteerd.

De smaad van wie U haat kwam op mij neer.

Hun hoon was de beloning voor mijn tranen,

over mijn boetekleed gaf men een sneer.

Hun dronken versjes klinken in de lanen.

 

4.
En nu, Heer, richt ik mijn gebed tot U,

laat dit een uur zijn van uw mededogen.

God, antwoord mij, mijn hoop is haast vervlogen,

toon mij uw trouw en red mijn leven nu.

Red mij voordat ik wegzink in het slijk,

red mij en laat mijn haters mij niet vinden.

Geef mij niet over aan het dodenrijk,

laat niet de diepe afgrond mij verslinden.

 

5.
Antwoord mij, Heer, want U bent mild en goed,

keer U tot mij en zie mij in ontferming.

Wees mij nabij en neem mij in bescherming.

Bevrijd mij van mijn vijanden met spoed.

U kent de schande die mijn leven schaadt.

Radeloos ben ik, in mijn hart gebroken,

ik hoopte op erbarmen, - maar te laat,

een woord van troost, - het werd niet meer gesproken.

 

6.
Mijn eten mengden zij met vuil venijn.

Maak hun diner een valkuil voor hun vrienden,

beroof hen van het voorrecht van de zienden,

laat al hun lichaamskracht verdwenen zijn.

Maak dat hun leven door uw woede kraakt,

dat in hun tent geen mens meer wordt gevonden.

Want zij vervolgen wie U hebt geraakt

en zij bedreigen hen die U verwondde.

 

7.
Reken dit alles bij hun grote schuld

en sluit hen eeuwig uit van uw genade.

Schrap hen maar uit uw boek om al hun daden.

Ik weet dat U mij altijd helpen zult.

De naam van God, die loof ik met een lied,

ik wil zijn grootheid met een lofzang prijzen.

Dat wil Hij meer dan dat ik bloed vergiet,

met hele stieren op zijn naam zou wijzen.

 

8.
De nederigen zien het, zijn voldaan,

als zij God zoeken zal hun hart opleven,

Hij hoort de armen en beschermt hun leven.

De hele schepping dankt voor zijn bestaan.

Want God redt Sion en herbouwt haar stad,

de mensen zullen daarin heerlijk leven,

alwie Hem dient bezit het land als schat,

het is door Hem als woonplaats hen gegeven.



Psalm 70

1.
God, breng mij uitkomst, hoor mij aan,

kom haastig om mij hulp te reiken.

Laat hen beschaamd, vernederd kijken

die mij nu naar het leven staan.

Laat wie mijn ongeluk nog zoeken

met lege handen en beschaamd.

Laat, wie mijn onheil had beraamd,

niet steeds weer spottend mij vervloeken.

 

2.
Wie zich tot U wendt in zijn nood

wordt blij met vrolijke gedachten,

want wie van U hun heil verwachten,

zij zullen zeggen: God is groot!

Ikzelf ben arm en zwak van leden,

God, haast U en hoor mijn gebed,

wees de bevrijder die mij redt,

wacht niet te lang, verhoor mijn beden.


Psalm 71

1.
Heer, U wilt zich mijn toevlucht tonen,

bevrijd mij, doe mij recht,

hoor mij en help uw knecht.

Wees mij de rots waar ik kan wonen,

van uw kant kwam mijn redding,

U bent mijn rots en vesting.

 

2.
Red mij van wie mij wreed belagen

haal mij toch uit hun macht.

Van U komt al mijn kracht,

Uzelf hebt mij altijd gedragen,

al voor ik was geboren:

wil naar mijn loflied horen.

 

3.
Ik ben voor velen tot een teken

van uw geborgenheid,

mijn schuilplaats voor altijd.

Mijn mond zal eeuwig van U spreken,

bij daglicht en bij duister

roem ik uw grote luister.

 

4.
Heer, steun mij in mijn oude dagen,

verleen mij onderdak,

mijn krachten worden zwak.

Mijn vijand komt mij steeds belagen

en zij gaan op mij wedden:

“Hem zal geen mens meer redden”.

 

5.
God, wil toch nimmer van mij wijken,

kom mij te hulp met spoed.

Laat wie mij lijden doet,

mijn tegenstander, snel bezwijken,

wie mij met onheil dreigen:

doe hen in schande zwijgen.

 

6.
Ik blijf naar U uitzien, U eren,

ik loof uw naam altijd

om uw gerechtigheid.

U redde mij talloze keren.

Ik zal uw krachten roemen,

‘rechtvaardig God’ U noemen.

 

7.
God, U hebt mij steeds onderwezen

en ik vertel het door.

Laat, nu ik slechter hoor,

mij uw afwezigheid niet vrezen.

Aan volgende geslachten

vertel ik van uw krachten.

 

8.
Ik zal, o God, op uw recht wijzen,

uw daden zijn zo groot.

U toonde mij veel nood, -

doe mij herleven en herrijzen.

Herstel mij in mijn waarde,

U bent mijn troost op aarde.

 

9.
Ik zal uw trouw aan mij bezingen,

ik zing over uw naam

en roem uw grote faam.

Ik jubel over alle dingen.

Wie mijn geluk wil breken

die blijft in schande steken.


Psalm 72

1.
Geef aan de koning, Heer, uw wetten

en aan zijn zoon uw recht.

Hij moet er bij zijn taak op letten

dat Hij voor waarheid vecht.

Laat alle bergen vrede geven,

het recht van God, de Heer,

redding voor hen die kwetsbaar leven;

de vijand slaat Hij neer.

 

2.
God, geef hem vele jaren zegen,

zolang de zon bestaat,

dat hij mag zijn als milde regen

dat alle leven baat.

Laat de rechtvaardigen dan delen

in vrede voor altijd.

Dat hij mag heersen over velen,

met invloed wereldwijd.

 

3.
Laat vreemdelingen voor hem buigen

en knielen in het stof,

vorsten van ver hem eer betuigen

met gaven voor zijn hof.

Laat koningen aan hem betalen

wat zij schatplichtig zijn,

bevestigen in alle talen

dat zij hem dienstbaar zijn.

 

4.
Hij zal de weerlozen bevrijden,

wie bijstand vragen moet,

verlost wie in verdrukking lijden,

hij eert hun kostbaar bloed.

Leve de koning. Geef geschenken,

geef hem een groot bedrag,

wil hem in uw gebed gedenken,

en eer hem elke dag.

 

5.
Het land zal goud zien van het koren,

het golft de bergen op.

Vanuit zijn stad wordt heil geboren,

als jong groen schiet het op.

Zijn naam is welbekend bij velen,

blijft eeuwenlang geacht.

Men wenst in zijn geluk te delen

en prijst zijn grote macht.

 

6.
De Here God wil ik bezingen,

de God van Israël,

want Hij alleen doet grote dingen.

Zijn naam is hoog in tel,

zijn roem is niet meer te verhullen.

Een glans gaat van hem uit

om heel de aarde te vervullen.

Dus klinkt mijn ‘Amen’ luid.

 

Psalm 73

1.

Ja, God is goed voor Israël,

voor wie steeds leeft naar zijn bevel.

Ik had dat bijna overtreden,

mijn voeten waren uitgegleden:

met afgunst keek ik naar het lot

van wie niets doen met zijn gebod,

wie het geluk terzijde staat,

al doen zij elke dag weer kwaad.

 

2.
Zij hebben nooit van ziekte last,

hun buik heeft zeker nooit gevast,

zij hoeven blijkbaar nooit te delen

de lijdenswegen van zovelen.

De hoogmoed is hun halssieraad,

zij zijn gewikkeld in het kwaad,

kijk toch hoe vals hun ogen staan,

hun hart is vol van eigenwaan.

 

3.
Ze spotten en ze spreken kwaad,

opvallend is hun trotse praat,

ze dreigen overal op aarde,

ze vinden zich van grote waarde.

De mensen volgen slaafs hun woord

en denken: “God heeft niets gehoord”.

Zo is een goddeloze mens,

veel rijkdom is zijn grootste wens.

 

4.

Ik streefde naar een zuiver hart,

dat niet in zonde was verward.

Toch volgden straffen alle dagen.

Maar ik wil mij niet zo gedragen

als zij en daarom dacht ik na:

“Wat is de zin dat ik besta?”

Ik vond het in Gods heiligdom:

Dit is hun lot, zij komen om!

 

5.
Een wankel pad geeft u hen, God,

een diepe afgrond is hun lot.

Hun leven zal heel snel voorbijgaan,

zij moeten voor hun einde klaar staan.

Het is een beeld dat U verjoeg

bij mijn ontwaken ‘s morgens vroeg,

zij zijn een gruwelijk fantoom,

het zijn slechts beelden uit een droom.

 

6.
Zolang ik diep verbitterd was

met in mijn hart een diepe kras,

liep ik maar dom en dwaas te tieren,

was ik als redeloze dieren.

Maar nu ben ik altijd bij U,

U houdt mij vast, U leidt mij nu

en ik ben voor mijn eind gereed:

U neemt mij weg, met eer bekleed.

 

7.
Wie heb ik buiten U, o Heer,

naast U wens ik geen ander meer.

Al zou mijn hart totaal bezwijken,

God zal steeds mijn bestaan verrijken.

Wie ver van U zijn komen om,

wie U ontrouw zijn, brengt U om.

Mijn toevlucht vind ik bij U Heer,

Uw daden roem ik altijd weer.


Psalm 74

1.
Waarom, o God, bedreigt U ons geluk?

Waarom hebt U ons gruwelijk verstoten?

Hebt U zich voor uw schapen afgesloten,

maakt U het leven van uw kudde stuk?

 

2.
Denk aan het volk dat U ooit hebt gehaald,

de stam die U uit slavernij liet komen

om in het land dat U hen gaf te wonen,

de Sionsberg, waar U bent neergedaald.

 

3.
Kom naar de stad, die ligt geheel ontzield,

de woningen zijn alle afgebroken,

de mensen zijn bezorgd ondergedoken,

de vijand heeft uw heiligdom vernield.

 

4.
Uw tegenstanders brulden in uw huis,

zij zetten daar hun overwinningspijlen.

Zij ramden grof met messen en met bijlen,

alle versiering sloegen zij tot gruis.

 

5.

Uw heiligdom hebben zij platgebrand,

zij kwamen om uw naam grof te ontwijden.

“We vagen alles weg”, was wat zij zeiden.

Zij sloopten alle tempels in het land.

 

6.
Wij zien allang geen gunstig teken meer,

verdwenen, Here, zijn al uw profeten,

wat kunnen wij van onze toekomst weten?

Komt er in onze lijdensweg een keer?

              

7.
Hoe lang bespot uw tegenstander U?

Blijven zij altijd schimpend van U zingen?

Waarom zou U zich altijd maar bedwingen?

Sla toe, o God, en breng verlossing nu!

 

8.
U spleet de zeeën door uw grote kracht,

benam de monsters uit de zee het leven,

als voedsel hebt U hen toen weggegeven.

Bronnen en beken stromen door uw macht.

 

9.
De dag, de nacht, ze zijn van U, o Heer,

aan zon en maan hebt U een plaats gegeven

en U bepaalt de grenzen van het leven,

zomer en winter - U zette ze neer.

 

10.
Bedenk dit nu de vijand U bespot,

uw grote naam beschimpt wordt door de dwazen.

Laat niet het wild over uw liefste razen

en laat uw volk niet over aan zijn lot.

 

11.
Kom uw verbond met ons, uw volk, toch na,

het land is duister, vol geweld, gevaren.

Laat zwakken niet teleurgesteld staan staren,

laat armen roepen: “Heer, Halleluja!”


12.

Verdedig uw belang, o God, sta op,

bedenk dat dwazen U altijd bespotten,

uw tegenstanders razen als de zotten,

hun dom getier, het klinkt voortdurend op.

 

Psalm 75

 

1.
God, wij zijn aan U gehecht,

uw naam is ons steeds nabij.

“Ik zet alles op een rij,

oordeel steeds naar wet en recht.

Ook wanneer de aarde trilt,

ben Ik haar beschermend schild.

 

2.
Tot hoogmoedigen zeg Ik:

Wees toch niet zo eigenwijs.

Aan de zondaars luidt mijn eis:

Maak jezelf toch niet zo dik,

hinder Mij niet waar Ik woon,

spreek niet op zo hoge toon”.

 

3.
Niet uit oost en niet uit west

en ook niet uit de woestijn

zal er voor u voordeel zijn,

het is God die allen test:

hard, werpt Hij de ene neer

en geeft aan de ander eer.

 

4.
God, de Heer, heeft in zijn hand

wijn, een beker zure wijn,

schuimend, bitter. Die zal zijn

voor de zondaars in zijn land.

Het brandt zurig in hun keel,

ook de droesem is hun deel.

 

5.
Ik spreek altijd over God

en zing voor zijn naam een lied:

“Tegenstanders duldt Hij niet,

breekt wie met zijn wetten spot,

maar wie zich Gods dienaar noemt

zal door Hem worden geroemd”.

 

Psalm 76

1.
In Juda kent men God zeer wel,

groot is zijn naam in Israël.

In Salem plaatste Hij zijn tent,

in Sion was zijn macht bekend.

Daar brak Hij bogen, pijlen, schilden

van hen die oorlog voeren wilden.

 

2.
Hoe stralend bent U, machtig mooi,

van veraf loerend op uw prooi.

Terwijl zij sliepen ging U rond,

geen held die nog zijn kracht hervond.

U stond slechts dreigend op uw tinnen,

kon zo een leger overwinnen.

 

3.
U wordt steeds met ontzag geëerd,

wie is er die uw toorn trotseert?

Uw hemels oordeel was niet min,

de aarde hield de adem in.

U, God, rees op om recht te spreken,

te redden wie haast was bezweken.

 

4.
Wie er ontkwam aan uw besluit

bekeert zich en roept uw Naam uit.

Doe voor uw Heer wat u belooft,

geef Hem uw gaven, Hij berooft

de machtigen van deze aarde

van moed, ontneemt hen al hun waarde.


Psalm 77

1.
“God”, schreeuw ik, “ik ben verloren”.

Ik roep luid - laat Hij mij horen.

In mijn nood zoek ik de Heer,

hef mijn handen telkens weer.

Rusteloos lig ik te kreunen,

niemand kan mij nu nog steunen.

Ik zucht en ik denk aan God,

ik heb moeite met mijn lot.

 

2.
Ik wrijf zuchtend in mijn ogen,

zou ik ze nog sluiten mogen,

ik ben al mijn woorden kwijt,

kijk naar de voorbije tijd,

toen ik al die lange jaren

melodieën op mijn snaren

speelde, maar nu zoekt mijn hart,

en mijn geest die vraagt verward:

 

3.
Zou de Heer mij dan verdrijven,

zou zijn liefde niet meer blijven?

Is zijn trouw voorgoed voorbij,

heeft Hij nu geen woord voor mij?

Vergeet God nu zijn genade,

laat Hij ons wanhopig raden,

of heeft Hij in razernij

zich nu diep verstopt voor mij?

 

4.

Ik zeg: “Ik ken mijn ellende

omdat God zich van mij wendde,

Hij denkt nu niet meer aan mij,

het verleden is voorbij”.

Ik denk aan Gods grote daden -

wonderen die wij aanbaden -,

ik gedenk in dankbaarheid

al uw daden in de tijd.

 

5.
God, uw weg moet heilig heten -

wie kan zich nog met Hem meten?

U bent ongelooflijk goed,

U die grote daden doet.

U kwam aan de volken tonen

dat zij op uw aarde wonen,

Uw arm heeft uw volk getroost,

Jakob, Jozef, en hun kroost.

 

6.
Ja, de zee zag U maar even,

toen begon zij sterk te beven.

Wolken stortten water uit

en de hemel dreunde luid.

Flitsend schoot U met uw schichten

om de donder op te lichten,

bliksems dreunden dreigend neer

en de aarde schokte weer.

 

7.
Dwars door zeeën gaan uw wegen,

waar het water is gestegen

gaat uw wereldwijde pad,

maar de plaatsen waar U trad

bleven voor de mens onzichtbaar.

U stond altijd voor uw volk klaar,

gaf als leiding naar hun land

Mozes’ en Aäron’s hand.


Psalm 78

1.
Luister, mijn volk, naar deze wijze woorden,

het is wat wij van onze ouders hoorden.

Deze verhalen waren lang verborgen,

nu moeten wij er absoluut voor zorgen

dat ze bekend zijn bij ons nageslacht.

Het gaat over de Here en zijn macht.

 

2.
God gaf aan Jakob regels voor het leven,

Hij heeft aan Israël een wet gegeven.

De ouders moesten die hun nakroost leren,

zij moesten allen op die kennis teren,

het was bestemd voor al hun nageslacht,

ook zij die nu nog niet werden verwacht.

 

3.

Dan zouden zij altijd op God vertrouwen,

hun leven op zijn grote daden bouwen.

Zij moesten niet, zoals in het verleden,

een volk zijn, onbekend met goede zeden,

dat onstandvastig was van hart en geest

en God, de Heer, zo ontrouw was geweest.

 

4.
Er waren onder hen ook sterke mannen,

Efraïmieten, met de boog gespannen.

Zij wilden niet meer voor de Here vechten,

wilden zich niet door Gods wet laten knechten,

vergaten waarmee Hij hen had beloond,

de wonderen die Hij hen had getoond.

 

5.
Zij zagen bij Soan zijn grote daden

toen Hij hen droogvoets door de zee liet waden.

Met wolk en vuur kwam Hij hen begeleiden.

Hij wilde hen door dorst niet laten lijden,

toen brak Hij beken uit de harde steen,

het water stroomde als rivieren heen.

 

6.
Zij bleven zonde tegen Hem bedrijven,

hebzuchtig bleven zij om steeds meer kijven:

“Zou Hij voor ons een dis hier kunnen dekken?

Hij liet het water uit de rotsen lekken,

daarmee leste Hij toen de grootste nood,

maar waarom geeft Hij ons geen vlees en brood?”

 

7.
Zijn woede brandde los toen zij zo jouwden

omdat zij zijn beloften niet vertrouwden.

Toen liet Hij tegen hen zijn toorn ontbranden.

Hij liet op hen een regen korrels landen.

Zij aten toen dit hemels mannabrood.

Hij stuurde voedsel dat hen uitkomst bood.


8.

Hij liet de winden uit het oosten waaien

en op zijn wil ook naar het zuiden draaien.

Het vlees viel om hen neer als milde regen,

zo talrijk als het stofzand langs de wegen,

Hij liet het vallen als zijn zegening,

rondom zijn tabernakel in een kring.

 

9.
Zij konden eten zoveel als ze wilden,

maar terwijl zij hun honger gretig stilden

- de resten vlees zaten tussen hun tanden -

begon Gods woede tegen hen te branden

want hun vraatzuchtigheid was veel te groot.

De sterkste mannen bracht Hij toen ter dood.

 

10.
Toch bleven zij een zondig leven leiden,

een doelloos dwalen was niet te vermijden.

Als er weer doden te betreuren waren,

verlangden zij zijn hulp in de gevaren,

in grote nood bedachten zij zich pas

dat God hun rots en hun bevrijder was.

 

11.
Toch bleven zij steeds weer hun God bedriegen,

hielden niet op met tegen Hem te liegen.

Maar Hij bedekte zonde met genade,

wilde hen niet met woede overladen.

Hij dacht: Hun leven wordt heel snel verteerd,

een ademtocht die niet weer tot hen keert.

 

12.
Zij bleven Hem voortdurend provoceren,

tijdens hun reis zich steeds van Hem afkeren.

Het was hun zondig leven dat Hem krenkte.

Zij zagen niet zijn hand die helpend wenkte.

Dachten niet aan dat Hij hen had bevrijd,

hen toen met wonderen had uitgeleid.


13.

Hij deed rivieren als riolen stinken:

water werd bloed, het was niet meer te drinken.

Hij stuurde beesten die ellende brachten,

het ongedierte sloopte al hun krachten.

Hun oogst gaf Hij aan sprinkhanen voor straf,

de bomen braken door de ijzel af.

 

14.
Hij was het die hun vee aan hagel voedde,

met bliksemschichten toonde Hij zijn woede.

Hij geselde al de Egyptenaren

en wilde hen zelfs voor de dood niet sparen.

Hij doodde van hen elke oudste zoon,

de dood werd in hun tenten heel gewoon.

 

15.
Maar zijn volk ging Hij als een kudde leiden

naar een plek waar ze veilig konden weiden,

de vijand liet Hij in de zee verdwijnen.

Hij bracht hen naar zijn heilige domeinen,

en joeg de vreemde volken voor hen uit,

verdeelde heel het land van noord tot zuid.

 

16.
Zij bleven doorgaan met God uit te dagen,

wilden het met zijn levenswet niet wagen,

zij kozen als hun vaders eigen wegen,

ze faalden als een kampvuur in de regen,

bouwden altaren op de hoogste top.

Hun afgoden riepen zijn woede op.

 

17.
Toen Hij dit merkte ging Hij hen verwensen,

zijn woonplaats bleef niet meer onder zijn mensen.

Hij heeft zijn plaats in Silo opgegeven

en heeft het volk in ballingschap gedreven,

veel sterke mannen vielen door het zwaard.

Zijn eigen volk had Hij niet meer gespaard.


18.

De jongelui werden door vuur verslonden

waardoor de vrouwen zonder toekomst stonden,

een vrolijk lied was er niet meer te horen.

Het zwaard, dat kliefde door de priesterkoren,

zo vielen zij in godsverlating neer,

de weduwen vonden geen tranen meer.

 

19.
Toen eindelijk ging God, de Heer, ontwaken,

als uit een slaap hervatte Hij zijn taken,

wat er gebeurd was wilde Hij vergeten,

heeft alle tegenstanders neergesmeten.

Hij joeg al zijn belagers achteruit,

verdreef hen, degradeerde hen tot buit.

 

20.
De tent van Jozef heeft Hij toen verworpen,

Hij koos zich niet een van Efraïms dorpen.

De stam van Juda heeft Hij zich gekozen,

Hij wilde op de Sionsberg verpozen.

Hij bouwde daar zijn hoge tempelhuis,

zette het vast, voor eeuwig, als zijn thuis.

 

21.
Hij heeft daar David als zijn knecht genomen,

die moest achter zijn schapen vandaan komen

en zou als herder Jakobs volk gaan leiden,

de schapen van de Heer, zijn God, gaan weiden.

Als herder hield hij met een rein hart stand,

als leider toonde hij een vaste hand.

 

Psalm 79

1.
God, vreemde volken zijn ons gaan bezetten,

uw tempel kwamen zij met bloed besmetten,

uw heiligdom is vreselijk geschonden,

Jeruzalem: slechts puin waar huizen stonden.

De lijken van uw knecht / zijn daar als aas gelegd.

Hun bloed werd wild vergoten

niemand begroef hun lijk. / Men zette ons te kijk

en heeft ons ruw verstoten.

 

2.
Hoe lang blijft U over ons verontwaardigd,

hebt U de ban over ons uitgevaardigd,

hoe lang nog blijft uw toorn over ons branden?

Richt U toch tegen al die vreemde landen

en maak hun koninkrijk / maar met de grond gelijk

omdat zij U niet eren.

Zij vielen Jakob aan / en konden hem verslaan,

volkomen ruïneren.

 

3.
Beoordeel ons toch niet naar onze zonden

laat merken dat U ons weer hebt gevonden

en toon erbarmen, God, wil ons bevrijden

bedek de zonden die wij U belijden.

Waarom duldt U die spot: / “Waar is nu toch hun God?”

Laat alle volken weten

dat U uw arm uitsteekt, /dat U uw dienaar wreekt.

Wij zijn niet godvergeten.

 

4.

God, straf de volkeren die ons bedreigen,

laat hen een zevenvoudig oordeel krijgen

voor de beledigingen aan U, Here!

Wij zijn uw volk, wij willen uw naam eren.

Toon hen uw wijs beleid, / hoe U uw kudde weidt.

Wij zullen uw naam prijzen

en tot in eeuwigheid / vertellen wijd en zijd

dat wij U eer bewijzen.

 

Psalm 80

1.
Hoor ons, o Heer, wees onze herder,

toon ons uw luister, leid ons verder.

U, die daar hoog op cherubs troont,

uw kracht aan uw getrouwen toont.

God, kom en red ons van het kwaad,

toon ons uw lichtende gelaat.

 

2.
Heer God, U leidt de hemelmachten,

hoe lang laat U in toorn ons wachten?

U gaf ons enkel tranenbrood.

De druk van vijanden is groot.

God, kom en red ons van het kwaad,

toon ons uw lichtende gelaat.

 

3.
U hebt uw wijnstok meegenomen,

hem ingeplant tussen de bomen.

Hij groeide sterk en kreeg respect,

heeft berg en ceders overdekt,

strekte zijn takken met veel zwier

en groeide tot aan de Rivier.

 

4.
Waarom hebt U zijn muur gebroken?

Vernielers zijn er in gedoken,

wroetten uw tuin volledig om.

Heer, God, denk aan uw eigendom,

bekommer U om deze plant,

U pootte die met eigen hand.

 

5.
Uw boze blik deed hem verkwijnen.

Leg toch uw hand op al uw kleinen.

Breng ons in liefde bij U saam.       

Wij zijn van U, roepen uw naam:

“God, kom en red ons van het kwaad,

toon ons uw lichtende gelaat”.


Psalm 81

1.
Jubel mee voor God, / Hij zorgt voor de zijnen,

juich voor Jakobs God, / zing en maak plezier,

met de harp en lier, / sla de tamboerijnen.

 

2.
Blaas bij nieuwe maan / luid op de trompetten,

en bij volle maan, / bij het feestvermaak,

dat is onze taak, / zo luiden de wetten.

 

3.
Dat moest Jozef doen / in die oude tijden.

En ik hoorde toen / een vertrouwde stem:

Ik zeg je met klem: / Ik zal je bevrijden.

 

4.
Jou, mijn vriend in nood, / red ik uit de nesten.

Als ik je hulp bood / sloeg mijn donder neer.

Bij het bitter meer / wilde Ik je testen.

 

5.
Hoor naar mijn gebod, / dit moet je wel weten:

Noem geen ander god. / Ik ben jullie Heer,

redde je weleer, / en Ik gaf je eten.

 

6.
Maar hun oor was dicht, / zij wilden niet horen,

Ik was uit het zicht. / Ik liet hen begaan,

in hun eigen waan / liepen zij verloren.

 

7.
Ach, wilden zij maar / naar mijn boodschap horen,

en zich richten naar / wat Ik tot hen zeg.

Ik joeg schurken weg, / die hadden verloren.

 

8.
Onheil is er voor / wie de Here haten,

dat gaat altijd door. / Ik kom bij jou aan

met het beste graan / en met honingraten”.


Psalm 82

1.
God heeft hen naar zijn troon ontboden

en oordeelt over al de goden:

“Hoe lang nog spreekt u onrecht uit

en neemt partijdig een besluit?

Doe recht aan weerlozen en armen,

toon de verdrukten eens erbarmen,

bevrijd wie arm en weerloos zijn,

bescherm hen en verlicht hun pijn.

 

2.
U hebt geen inzicht, geen geweten,

bent in de duisternis gezeten,

de aarde wankelt op haar grond.

Ik prees u eens toen u hier stond.

Toch zult u sterven als de mensen,

ja, ook voor u gelden hun grenzen”.

Sta op, God, spreek op aarde recht,

want alle volken zijn uw knecht.


Psalm 83

1.
God, zwijg niet, blijf niet onberoerd,

zie hoe uw vijand op ons loert.

Zij spannen tegen uw volk samen,

willen haar ondergang beramen:

‘Kom, wij gaan Israel verminken,

hun naam mag nooit meer bij ons klinken.’

 

2.
Zij hebben een boos plan bedacht

en tegen U bijeengebracht:

Edom, Ismaël en de zijnen,

Ammon, Gebal, de Filistijnen;

zelfs de Assyriër kwam kijken

om zoons van Lot een hand te reiken.

 

3.
Doe met hen als met Midian,

dat hakte U toch in de pan,

zij bleven liggen, onbegraven.

Voer al hun vorsten aan de raven.

Zij zeiden: “Wij zijn voortaan koning,

wij zijn bezetters van Gods woning”.

 

4.
Mijn God, maak hen tot distelpluis,

kaf, dat verwaait tot ver van huis.

Zo snel als vlammen bos inloeien,

de bergen razendsnel verschroeien,

laat zo uw storm hen achtervolgen,

een wervelwind heeft hen verzwolgen.

 

5.
Maak hen door schande onbekwaam,

dan vragen zij wel naar uw Naam.

Laat hen beschaamd, met rode kaken,

eerloos voorgoed verloren raken.

Dan zullen zij  uw naam aanvaarden:

U bent de Hoogste op de aarde.


Psalm 84

1.
Hoe lieflijk is uw woning, Heer,

de plaats waar ik U altijd eer,

U heerst over de hemelmachten.

Ja, ik verlang met hart en ziel

dat ik daar voor uw altaar kniel,

ik blijf naar uw nabijheid smachten.

Mijn ziel en lichaam roepen tot

de Levende, mijn Here God.

 

2.
De mus zelfs vindt bij U een huis

en ook de zwaluw voelt zich thuis,

zij nestelt bij U vol vertrouwen.

Bij uw altaren, machtig Heer,

legt zij gerust haar jongen neer,

bij U mijn koning, mijn Getrouwe.

Gelukkig is wie bij U woont

en U met lofzang eerbied toont.

 

3.
Gelukkig wie zijn toevlucht heeft

bij U en naar uw wetten leeft,

wie zich wil houden aan uw wegen.

Trekken zij door een kurkdroog dal,

dan komt daar milde regenval,

het daalt op hen als rijke zegen.

Steeds krachtiger gaan zij dan voort,

tot aan de Godsstad, Sions poort.

 

4.

Heer, machtig God, hoor mijn gebed,

U, Jakobs God, die op mij let,

zie naar ons om, wil naar ons horen,

houd uw gezalfde in het oog.

Beter één dag onder uw boog

dan duizend dagen ver verloren,

liever de drempel van Gods huis

dan bij de goddelozen thuis.

 

5.
Want God, de Heer, is zon en schild.

Hij schenkt genade, rijk en mild,

Hij geeft het mensenkind zijn zegen.

Zijn weldaden onthoudt Hij niet

aan wie vertrouwend op Hem ziet:

die gaat vrijmoedig op zijn wegen.

Heer, die uw grote macht ontvouwt,

gelukkig wie op U vertrouwt.

 

Psalm 85

1.
U was genadig voor uw land, o Heer,

in Jacobs leven bracht U voorspoed weer.

U zag zijn zonde, maar gaf hem geen straf.

Uw grote woede hield U van hem af.

God, onze helper, maak een ommekeer,

koester uw afschuw van ons niet te zeer.

Of duurt uw toorn zolang als wij bestaan,

zal die na eeuwen nog niet overgaan?

 

2.
Wij bidden, breng weer leven in ons hart,

zodat daar blijdschap heerst in plaats van smart.

Wij vragen U: Toon ons uw trouw, o Heer,

en geef uw goede hulp ons nu ook weer.

Ik wil graag horen wat de Heer ons zegt:

woorden van vrede, liefde, trouw en recht,

die spreekt Hij tegen wie zijn heil verstaan.

Laat hen niet weer in dwaasheid ondergaan.

 

3.
Voor wie Hem eren is zijn hulp nabij,

zijn glorie woont bij ons en maakt ons vrij,

zijn trouw en waarheid wonen in ons land,

vrede en recht reiken elkaar de hand,

uit aarde bloeit de waarheid op van God,

vanuit de hemel ziet het recht ons lot.

De Heer geeft al het goede van het land,

zijn recht schuift hindernissen aan de kant.