Jaap Wiegers, emeritus-predikant uit Olst, heeft een versie gemaakt van de 150 Psalmen die zich goed laat zingen op de vertrouwde melodie van onder meer het liedboek. Hieronder staat werk van hem. Het is vrij te gebruiken voor mensen en gemeenten die dat willen. 


Psalm 1


1. 

Gelukkig wie zich niet verleiden laat

om mee te doen met wie verlangt naar kwaad,

niet mee wil doen met wie Gods wetten haten,

zich niet met dwaze spotters in wil laten,

maar steeds op Gods geboden is bedacht,

Gods wetten overdenkt bij dag en nacht.


2.

Hij zal zijn als een grote, sterke boom

die staat te pronken aan een brede stroom.

Hij levert telkens weer zijn rijpe vruchten,

zijn blad heeft van de droogte niet te duchten.

Hij is in staat tot ongekende groei,

wat hij begint komt elke keer tot bloei.


3. 

Maar kijk naar wie op wetteloosheid zint:

hij is als kaf dat wegwaait in de wind.

Waar recht heerst is geen plaats voor wettelozen,

de zondaars hebben zelf daarvoor gekozen.

De trouw van God voor wie Hem dient is groot,

de weg van wettelozen loopt steeds dood.

Psalm 2

1.
Wat gaan de volken overal tekeer,

wat willen zij met hun rumoer bereiken?

Zij komen steeds voor niets in het geweer.

De vorsten van de grote koninkrijken,

de wereldmachten spannen allen samen

tegen de Heer en zijn gezalfde knecht:

“Hun slavenjuk, waarvoor wij ons nu schamen

moeten wij kwijt, want wij zijn niemands knecht”.

 

2.
God, in zijn hemel, spot met hen en lacht.

Zij staan verbijsterd als Hij spreekt in woede:

“Op Sion gaf Ik aan mijn koning macht,

op mijn berg nam Ik hem onder mijn hoede”.

 

3.
Ik maak de wereld Gods besluit bekend.

Hij wil mij als zijn eigen zoon beschouwen:

“Als mijn gezalfde heb Ik je erkend.

Wat je Mij vraagt geef Ik je in vertrouwen.

Ik maak je heerser over alle streken,

de hele aarde is jouw eigendom.

Jij kunt de volken met een ijzer breken,

je kunt ze stukslaan als een aarden kom”.

 

4.
Gebruik, o koningen, toch uw verstand,

en wees gewaarschuwd, leiders van de aarde.

Weet dat u door zijn macht bent overmand,

toon bevend dat u vrees voor Hem bewaarde.

Ga met een kus zijn zoon uw eer bewijzen

anders bedreigt zijn wrok u met de dood,

al het geringste kan zijn toorn doen rijzen.

Gelukkig is wie Hij een schuilplaats bood.


Psalm 3

1.
Hoe talrijk zijn, o Heer, / de schenders van mijn eer,
zij willen mij bestrijden.
Zij komen dichterbij / en zeggen over mij:
“God zal hem niet bevrijden”.
U bent mijn schild, o Heer, / en U bent ook mijn eer,
U steunt mij in het leven.
Roep ik: “Het wordt te erg”, / vanaf zijn hoge berg
zal Hij mij antwoord geven.

2.
De nacht brengt diepe rust / en als de zon mij kust
zal God mij weer beschermen.
Ik vrees niet voor het plan / van die tienduizend man
die dreigend rond mij zwermen.
Sta op en red mij, Heer, / sla mijn belagers neer,
versla de wettelozen.
Bij U is redding, Heer, / U zegent keer op keer
het volk door U gekozen.

Psalm 4

1.
O, Here, wil mij antwoord geven,
God, die mij recht doet en mij redt.
Als ik bedreigd word in mijn leven,
wil mijn bestaan dan ruimte geven.
Genadig God, hoor mijn gebed.
Hoe lang maak je me nog te schande,
jij rijke met je leugentroep,
in valse schijn zal je verzanden.
Ik leg mijn toekomst in Gods handen,
de Heer hoort naar mij als ik roep.

2.
Beef voor Gods naam bega geen zonde
bezin u zwijgend in de nacht.
Breng juiste offers, ongeschonden,
blijf in geloof met God verbonden.
“Door wie wordt ons geluk gebracht?”,
zo luidt de moede vraag van velen.
Heer, laat uw licht steeds met ons zijn,
uw stralenglans over ons spelen.
Mijn hart wil in uw vreugde delen,
zij hebben liever brood en wijn.

3.
‘s Nachts kan ik slapen zonder zorgen,
ik slaap, als was ik bij U thuis.
Ik voel mij in uw hand geborgen,
kan bij U slapen tot de morgen
in een vertrouwd en veilig huis.

Psalm 5

1.

Heer God, ik breng voor U mijn zorgen,

luister toch naar mijn jammerklacht.

Sla op mijn roep om hulp toch acht,

ik ben voor U toch niet verborgen,

vroeg in de morgen.


2.

God, U zult misdaad niet gedogen,

U schept geen vreugde in het kwaad.

En een gewetenloze staat

door eigen kwaad diep neergebogen

onder uw ogen.


3.

U haat hen, Heer,die onrecht plegen,

een leugenaar wordt weggevaagd.

Wie zich aan bloedvergieten waagt

en wie constant bedrog wil plegen

die staan U tegen.


4. 

Maar ik mag door uw rijke zegen

uw hoge woning binnengaan,

respectvol in uw tempel staan.

O Heer, houd mijn belagers tegen,

effen mijn wegen.

 


5.
De waarheid hebben zij vergeten,

het onheil huist diep in hun hart,

hun keel is als het graf zo zwart.

Hun tong wil slechts van leugens weten

en is gespleten.


6. 

Laat hen maar boeten voor hun daden,

stuur hen hun eigen valkuil in.

Verstoot hen om hun kwade zin,

zij trachten zelfs om U te schaden.

Bestraf hun daden.


7. 

Wie U een schuilplaats hebt gegeven

jubelt en juicht uw naam ter eer

omdat U hen beschermt, o Heer.

U geeft rechtvaardigen uw zegen,

behoedt hun leven.

 
Psalm 6

1.
Heer, straf mij niet in woede,

sla mij niet met uw roede.

Erbarm U, ik ben bang.

Wil mij genezing geven,

want ik vrees voor mijn leven.

Waarom duurt het zo lang?


2.

Kom weer Heer, spaar mijn leven,

U kunt mij redding geven,

toon mij uw trouw, o Heer.

Wie onder al de doden

heeft uw naam nog van node?

Wie looft U daar nog, Heer?


3.

Moe ben ik van het zuchten,

ik moet in tranen vluchten,

een stroom die almaar zwelt.

Verdriet bedekt mijn ogen,

ik kan ze niet meer drogen

door alles wat mij kwelt.


4.

Weg zij, die mij belagen!

De Heer hoort naar mijn klagen,

Hij hoort mijn roepen aan.

Mijn vijanden, zij vluchten,

zij zweten en zij zuchten.

Zie hen te schande staan!


Psalm 7

1.

Heer, ik wil mij bij U verbergen,

mijn vijanden komen mij tergen.

Ik zie geen kans meer tot verzet

en er is niemand die mij redt.


2.

Heb ik iets tegen U misdreven,

zou onrecht aan mijn handen kleven?

Wanneer ik goed vergold met kwaad,

was ik tot misdaden in staat -

laat dan de vijand op mij jagen,

mij vangen in zijn hinderlagen

en mij vertrappen in het slijk,

mij achterlaten als een lijk.


3.

Sta op, Heer, laat uw toorn ontbranden,

bescherm mij tegen mijn vijanden,

keer U tegen hun razernij.

God van het recht, verdedig mij.

Laat alle volken U omgeven,

uw troon is boven hen verheven,

zie uit uw hoogte op hen neer,

U bent de grootste rechter, Heer.


4.

Help mij, ik ben onschuldig Here,

straf hen die zich van U afkeren.

Geef ons de steun van uw verbond,

U, die de mens geheel doorgrondt.

God is het schild tot mijn bescherming,

oprechten toont Hij zijn ontferming.

Hij is een rechter met gezag:

het kwaad bestraft Hij elke dag.


5.

De vijand zal zijn zwaard scherp vijlen,

hij controleert zijn boog en pijlen,

hij schiet met vuur, veroorzaakt smart

en draagt verderf onder het hart.

Hij graaft een kuil, omringd met wallen,

is daarna zelf daar in gevallen.

Het onheil keert zich tegen hem,

hij zit in eigen bruutheid klem.


6.

Ik zal de Heer van harte prijzen,

Hij zal rechtvaardig vonnis wijzen.

Zijn naam luidt: Allerhoogste Heer.

Ik zing mijn lofzang tot zijn eer.


Psalm 8

1.

Heer, op de aarde klinkt uw naam zo machtig

en aan de hemel toont U zich zo prachtig.

Met stemmetjes die zacht en weerloos zijn

krijgt U een wreed en machtig vijand klein.


2.

Ik vind de hemel op een kunstwerk lijken,

de maan, de sterren, die daar boven prijken.

Wat is de mens, een kleine sterveling?

U houdt hem vast, dat wekt verwondering.

   
3.                    

U hebt hem bijna goddelijk verheven,

luister en glans bekronen heel zijn leven.

U droeg uw schepping over aan uw knecht,

hebt alles aan zijn voeten neergelegd:


4.

het vee, de dieren die op aarde leven,

die in het water en het luchtruim zweven,

al wat U in uw schepping hebt bedacht.

Op heel de aarde klinkt uw naam met macht.


Psalm 9

1.

Alles in mij roept van uw eer,

vertelt uw wonderdaden, Heer.

Aan U dank ik de mooiste dingen,

ik wil verheugd uw naam bezingen.


2.

Beschaamd wijkt nu mijn vijand uit,

hij kwam ten val door uw besluit.

Bekwaam verdedigt U mijn rechten,

wilt als een rechter voor mij vechten.


3.

Bedreigd hebt U de kwade macht,

de goddelozen omgebracht.

De vijanden zijn nu verslagen,

hun grond zal slechts ruïnes dragen.


4.

Dat is hun lot! Maar altijd staat

Gods rechterstoel voor ons paraat.

De wereld zal Hij leiding geven,

Hij oordeelt over ieders leven.


5.

Een burcht is Hij in tijd van nood

voor al wie vrezen voor de dood.

Elk die U kent mag U vertrouwen,

U laat niet los wie op U bouwen.


6.

Feest voor Hem die op Sion troont,

die zich door al zijn daden toont.

Ferm wreekt Hij bloed, gedenkt de doden,

Hij heeft een oog voor alle noden.


7.

God, help mij nu ik word gehaat,

de dood mij dicht voor ogen staat.

Graag zal ik van uw werk getuigen

en in de poort van Sion juichen.


8.

Hij die een kuil voor iemand graaft,

wie dom zijn eigen net in draaft:

hemelse rechtspraak geldt voor allen,

God doet de goddelozen vallen.


9.

Ik zeg: Ga naar het dodenrijk,

daar staat wie God vergeet te kijk.

In Gods bescherming zijn de armen,

voor zwakken geldt zijn groot erbarmen.


10.

Ja, Heer, sta op en toon uw macht.

Berecht de volken door uw kracht.

Jaag volken angst aan, laat hen weten:

je mag je mens-zijn niet vergeten.


Psalm 10

1.

Kom toch, o God, blijf niet zo veraf staan,

waarom verbergt U zich in tijd van nood?

Lafhartig vallen zondaars zwakken aan -

zet hen gevangen tot hun eigen dood.

Machtigen zonder God vinden zich groot.

Zij willen slechts hun eigen winst najagen:

“Geen God die mij om rekenschap zal vragen”.


2.

Niets gaat hen mis, uw oordeel raakt hem niet.

Zijn tegenstanders wrijft hij leugens aan.

Och, denkt hij, geen probleem, want ik faal niet.

Hij vloekt en liegt, jaagt mensen doodsangst aan,

pervers misdadig is heel zijn bestaan.

Onschuldigen doodt hij in hinderlagen,

hij loert op mensen op wie hij kan jagen.


3.

Roofzuchtig loert hij op hen als een leeuw,

verborgen voor de prooi die hij bejaagt,

springt dan plots op en slaakt een luide schreeuw

als hij hem onverwachts het net injaagt,

terwijl de prooi ineenkrimpt, weerloos klaagt.

Maar hij denkt zelf: “God zal het wel vergeten,

Hij kijkt niet mee, Hij wil er niets van weten”.


4.
U
kunt hem aan, Heer, hef uw arm vol macht,

vergeet de armen op uw aarde niet.

Hoe kan het, dat de zondaar U veracht,

verwacht dat God zijn misdaden niet ziet.

U ziet de pijn, uw hand weegt het verdriet.

De mensen die op U blijven vertrouwen

krijgen uw hulp, zij kunnen op U bouwen.


5.

Wreek U op goddelozen zonder spijt,

eis rekenschap, en ban het kwade uit.

De Heer is koning, eeuwig en altijd,

zuivert zijn land volgens zijn wijs besluit.

U hoort van armen hun gesmoord geluid,

U zorgt voor hen die om uw aandacht vragen.

Geen mens kan hen nog uit het land verjagen.

 

Psalm 11

1.

Mijn schuilplaats vind ik altijd bij de Here.

Hoe kan je zeggen: “Vogel vlieg maar weg?”

De zondaar laat zijn boog begerig veren,

zijn pijlen zijn al aan de pees gelegd

om de rechtvaardige te doen bezwijken.

Ook al is iemand helemaal oprecht,

wat als zijn toekomst ongewis gaat lijken?


2.

De Heer is hoog en heilig is zijn woning,

zijn troon staat boven in de hemel vast.

Vandaar kijkt Hij met aandacht, als een koning,

naar wie op aarde op zijn schepping past.

Al fronsend keurt Hij mensen naar hun daden,

ziet wie rechtvaardig is en wie tot last,

geweldenaars slaat Hij met afschuw gade.


3.

Zwavel en vuur geeft Hij hen als beloning,

zij krijgen storm vanuit zijn beker wind

die Hij aanreikt uit zijn hoge woning.
Gerechtigheid is wat de Heer bemint, 

Hij is rechtvaardig voor wie op Hem bouwen.
Hij toont geen liefde waar je ontrouw vindt. 
Oprechten zullen zijn gelaat aanschouwen.


 

Psalm 12

1.
Grijp in, o Heer, niemand is te vertrouwen,

er is geen mens die nog de waarheid zegt.

Men wil alleen nog maar op leugens bouwen:

hun woord is trouweloos en onoprecht.

2.

Heer, zet het mes in al hun valse tongen,

en snoer hun mond, vol grootspraak en vol waan.

Zij pochen: “Niemand heeft ons nog bedwongen,

met onze grote mond kan geen ons aan!”


3.

Zwakken en armen die zij bruut beroven -

“Ik, zegt de Heer, “Ik zal bij hen zijn”.

Zijn woorden zijn als zilver, uit een oven,

gelouterd in het vuur, volkomen rein.


4.

Bescherm hen, Heer, de armen en de zwakken,

bescherm hen tegen predikers van haat.

Er zijn verraders die hen willen pakken,

onder de mensen groeit allengs het kwaad

 

Psalm 13

1.

Hoe lang, o Heer, vergeet U mij,

hoe lang verbergt U zich voor mij?

Hoe lang word ik gekweld door zorgen?

Ik ben verdrietig, elke morgen.

Hoe lang bedreigt mijn vijand mij?


2.

Antwoord mij toch, o Heer, mijn God,

maak niet de doodsslaap tot mijn lot.

Laat niet de vijand mij verjagen

en roepen: “Ik heb hem verslagen”.

Maak mij geen doelwit van hun spot.


3.

Ik reken op uw liefde, Heer,

want U brengt in mijn lot een keer.

Mijn hart zal vrolijk voor U juichen

en zingen en U dank betuigen.

U ondersteunt mij telkens weer.


Psalm 14

1.
De dwazen denken: “Nee, er is geen God”.

Zij zijn verdorven, gruwelijk hun daden.

God in de hemel, slaat de mensen gade,

zoekt wijze mensen die bereid zijn tot

zoeken naar God.


2.

Allen zijn afgedwaald, allen zijn slecht,
niemand wil nog een deugdzaam leven leiden.
Willen ze een slecht leven niet vermijden?
Als smaakloos brood verslinden zij mijn knecht
geen die “God” zegt.

3.

Nog even, tot de angst het van hen wint.

God is met mensen die rechtvaardig leven.

Lach je om hen die Hem vertrouwen geven -

weet dat een zwakke bij Hem als een kind

zijn toevlucht vindt.


4.

Ach, dat er eens een eind komt aan die hel!

Als God zich over Isrel gaat ontfermen,

zich wendt tot wie in doodsnood tot Hem kermen,

zal Jakob juichen: “God maakt alles wel

voor Israël”.


Psalm 15

1.

Heer, wie mag gast zijn in uw tent,
bij U, op uw berg komen wonen?
Wie de volmaakte wegen kent,
aan doen wat goed is is gewend,
oprecht zijn zuiverheid wil tonen.

2.
Hij doet niet mee aan lasterpraat,
hij wil een ander niet duperen,
belast zijn naaste niet met smaad.
Maar hij veracht wie waarheid haat,
eert wie ontzag heeft voor de Here.

3. 
Zijn eed staat vast, hij breekt hem niet,
ook al zou dat tot nadeel leiden,
hij vraagt geen rente op krediet,
onschuldigen verraadt hij niet.
Wie zo doet kan een val vermijden

Psalm 16

1.
Bescherm mij, God, ik schuil bij U, o Heer.

“Niemand, o God”, zeg ik, “gaat U te boven.”

De oude afgoden prijs ik niet meer:

“Jij brengt verdriet aan wie in jou geloven”.

Ik zal voor hen geen bloedoffers meer plengen,

ik zal hun naam niet op mijn lippen brengen.


2.

Heer, God, U houdt mijn leven in uw hand,

en U hebt mij een prachtig land gegeven.

Uw goedheid gaat mij boven het verstand.

Ik prijs de Heer voor inzicht in mijn leven.

Zelfs in de nacht houd ik de Heer voor ogen,

over zijn steun ben ik steeds opgetogen.


3.

Daarom verheug ik mij en juicht mijn ziel,

mijn lichaam geef ik veilig in uw handen,

zodat, zelfs als ik aan de dood verviel,

uw trouwe knecht niet in het graf zou landen.

U geeft mij altijd vreugde in het leven:

U zult mij dicht bij U een woonplaats geven.


Psalm 17

1.
Heer, hoor naar mij, ik vraag om recht,

hoor mijn gebed, hoor naar mijn smeken,

U hoort mijn mond geen leugen spreken.

U hebt Uw oordeel aangezegd.

Komt U mij in de nacht bezoeken,

kijk in mijn hart, geloof van mij,

het is totaal van onrecht vrij,

bij mij hoeft U geen kwaad te zoeken.


2.

Ik hield mij altijd aan uw woord,

wat mensen om mij heen ook deden.

Geweld heb ik altijd gemeden,

ik volg uw weg, zoals het hoort.

Ik roep tot U, wil antwoord geven,

toon mij het wonder van uw trouw.

Wie bij U schuilt krijgt geen berouw,

hun tegenstanders zullen beven.

 

3.

O Heer, bescherm mijn broos bestaan,

wil met uw vleugels mij verbergen

voor goddelozen die mij tergen,

voor wie mij naar het leven staan.

Hun hart is liefdeloos en toe,

zij kunnen slechts hoogmoedig praten.

Zij willen mij geen rust meer laten,

bespieden mij wat ik ook doe

en hopen dat ik neer zal vallen.

Mijn vijand, op een prooi belust,

gaat grommend rond, geeft mij geen rust,

hij wil mij stiekem overvallen.


4.

Sta op, Heer, pak mijn vijand aan

en kom mij met uw zwaard bevrijden

van hen die mij zo zwaar doen lijden,

die slechts voor vluchtig voordeel gaan.

Laten zij niet hun straf ontlopen,

tref met uw oordeel hun gezin.

Red mij en ik verdiep mij in

uw beeld als ik mijn ogen open.


Psalm 18

1.

Ik heb U lief, o Heer, mijn sterke strijder,

mijn rots, mijn vesting, U bent mijn bevrijder,

o Heer, mijn God, U bent mijn sterke kei,

want U biedt veilig onderdak aan mij.

U bent mijn schild, U redt mij door uw krachten,

U bent mijn burcht waar ik kan overnachten.

Ik roep tot U: “Geprezen zij de Heer”,

want dankzij U heb ik geen vijand meer.


2.

Mijn leven was door doodsgevaar omgeven,

een ziedend diepe afgrond deed mij beven,

het dodenrijk leek donker, zwart en groot,

vlak voor mij lag een valstrik van de dood.

Wanhopig riep ik: “Heer, ik ben verloren”,

en hoopte dat Hij naar mij wilde horen.

In zijn paleis vernam de Heer mijn stem,

mijn bange roep om hulp bereikte Hem.


3.

Toen schudde, schokte, trilde heel de aarde,

er was niets dat zijn woede evenaarde.

Rook en verterend vuur kwam uit zijn mond,

Hij strooide as en stenen in het rond.

Hij schoof de hemel open, zag de aarde,

het was slechts duisternis waar Hij naar staarde.

De cherub, die Hem naar beneden bracht,

zweefde op stille vleugels door de nacht.

4.

De waterbodems werden als het droge,

de diepste zee verdampte zienderogen.

Uw blik, o Heer, verjoeg hem furieus

door woeste adem, briesend uit uw neus.

Hij greep mij vast, trok mij eruit naar boven,

Hij kwam mij aan de wateren ontroven.

Mijn redding van mijn vijand was zijn werk,

mijn haters waren voor mij veel te sterk.


5.

Zij vielen aan toen ik voorgoed zou vallen,

God zelf voorkwam dat hun gejuich zou schallen.

Hij gaf mij ruimte, Hij bevrijdde mij.

Om mijn verleden sprak de Heer mij vrij:

Ik volgde wegen die Hij had gewezen,

Hij hoefde voor mijn ontrouw niet te vrezen.

Altijd hield ik zijn voorschrift in het oog,

zijn levenslessen hield ik altijd hoog.


6.

Ik wilde mij volkomen aan Hem wijden

en trachtte steeds het kwade te vermijden,

mijn onschuld heeft de Heer daarom beloond,

mijn reine handen heb ik Hem getoond.

Wie trouw is aan uw woord wilt U belonen,

aan een volmaakte uw volmaaktheid tonen,

maar wie vertrouwt op sluwheid is een zot,


7.

U bent de redder van wie zijn verpletterd,

maar brengt ten val wie trots verheven schettert.

Zonder uw licht voel ik een groot gemis,

U, Heer, mijn God, verlicht mijn duisternis.

Met U als hulp versla ik legermachten,

de hoogste muur beklim ik door uw krachten.

Gods weg is zuiver, helder en volmaakt,

Hij is een schild dat heel zijn volk bewaakt.


8.

Wie anders is God dan God, onze Here,

Hij, onze rots, zal zich niet van ons keren.

De God die mij steeds weer voorziet van kracht

wijst mij de weg die Hij voor mij bedacht,

Hij maakt mijn voeten snel als schuwe hinden,

laat mij de toppen van de bergen vinden,

oefent mijn zwakke handen voor de slag

waarin ik bronzen bogen spannen mag.


9.

U was het schild dat mijn bestaan bevrijdde,

Uw rechterhand stond mij stabiel terzijde,

U sterkte door uw woord mijn zwakke voet,

het volgen van uw weg ging altijd goed.

Mijn vijand werd door mij voorgoed verslagen,

ik ging niet weg voor zij vernietigd lagen,

hun weerstand was volledig ondermijnd,

ze waren dood, geen stond nog overeind.


10.

U hebt mij voor de strijd uw kracht gegeven,

mijn tegenstanders deed U voor mij beven,

ik zag van hen alleen hun achterkant,

mijn haters beten voor mij in het zand.

Zij riepen luid, zij vreesden voor hun leven,

God wilde op hun klacht geen antwoord geven.

Ik stampte hen tot stof dat niets meer weegt,

ik heb hen als vuil van de straat geveegd.


11.

U kwam mij van een dreigend volk bevrijden,

U liet mij vele vreemde naties leiden.

Een volk, tot dan toe mij zeer onbekend,

heeft zich vrijwillig aan mijn juk gewend,

gehoorzaamde zodra het van mij hoorde.

Van vreemden hoorde ik bescheiden woorden,

zij waren krachteloos, haast als gewurgd,

trillend van angst kwamen zij uit hun burcht.


12.

De Here leeft, mijn steenrots zij geprezen,

mijn redder is een hoogverheven wezen.

De God die mij in staat stelde tot wraak

stelde zich voor een zelfgekozen taak:

Hij liet de vreemde volken voor mij knielen,

maakte dat al mijn haters voor mij vielen,

heeft mij als heer van allen aangesteld,

ontrukte mij aan mannen van geweld.


13.

Daarom wil ik, o Heer, U luidkeels prijzen

en alle volken op uw grootheid wijzen.

Mijn loflied klinkt ter ere van uw naam:

“Hij geeft zijn trouwe dienaar grote faam,

veel overwinningen schenkt Hij zijn koning”.

Daarom zing ik een loflied in zijn woning.

Aan zijn gezalfde heeft Hij trouw gedacht,

aan David en zijn verre nageslacht.


Psalm 19

1.

De hemel roemt altijd / Gods grote majesteit

die heel de aarde schiep.

De dag vertelt het door, / de nacht volgt in zijn spoor,

toch blijft de stilte diep.

Taal klinkt er zonder woord, / er wordt geen klank gehoord

en toch wordt er gesproken.

Een stem klinkt uit hun mond / en gaat de wereld rond,

blijft eeuwig ongebroken.


2.

Hij maakte voor de zon / als voor een bruidegom

een feestelijke tent,

waaruit hij vroeg opstaat / en blij zijn bed verlaat,

een held die vrolijk rent.

De zon begint zijn taak, / de dag is in de maak,

hij brengt de vroege morgen.

En breekt de avond aan / dan zal hij laag gaan staan,

niets blijft voor hem verborgen.


3.

De wet van God is goed / omdat hij leven doet,

hij geeft de mens zijn kracht.

De richtlijn van de Heer, / betrouwbaar zonder meer,

is wijs en weldoordacht.

De Heer geeft regels aan / als steun voor ons bestaan,

waarnaar wij leven mogen.

Het heldere gebod / komt van de Here God:

een licht voor onze ogen.


4.

Waardering voor Gods woord / wordt overal gehoord,

het houdt voor altijd stand.

De voorschriften van God, / zijn heilige gebod:

rechtvaardig voor het land.

Begerenswaard als goud / zijn zij voor wie hen houdt:

een prachtige beloning;

hun smaak is wondergoed, / is minstens even zoet

als verse bijenhoning.


5.

Wie zich uw dienaar toont / wordt rijkelijk beloond.

Wie kent zijn grootste fout?

Spreek mij van zonden vrij, / bescherm en zuiver mij

als zonde mij benauwt.

Als U over mij waakt / ben ik voor U volmaakt

bevrijd van grote zonde.

Hoor mijn bespiegeling, / aanvaard wat ik U zing:

“Ik heb mijn rots gevonden”!

 

Psalm 20

1.

Ik bid dat God in bange dagen

u antwoordt in uw nood,

ik wil voor u zijn bijstand vragen

- Hij is in Sion groot -

dat Hij uw gaven wil ontvangen,

uw offers accepteren,

u geven naar uw diepst verlangen:

uw plan realiseren.


2.

Laten wij juichen om uw zege,

hang alle vlaggen uit.

U hebt nu hulp van God gekregen,

uw wensen komen uit.

God zal zijn knecht de zege schenken,

Hij zal hem antwoord geven,

Hij zal zijn zegepraal gedenken,

schenkt door zijn hand hem leven.

 
3.

Een ander steunt op al zijn paarden,

wij op de naam van God.

Een ander buigt en valt ter aarde,

wij houden Gods gebod,

Hij richt ons op en houdt ons staande.

Heer, schenk de koning zege,

wij houden de gebeden gaande,

en blijven op uw wegen.


Psalm 21

1.
Uw kracht verblijdt de koning, Heer,

hij roemt uw overwinning

waar heel zijn hart naar uitging.

Daarom prijst hij uw goedheid zeer.

Hij vroeg U en U gaf,

wees zijn verzoek niet af.