Enige gedachtegangen bij het gat van de kerk

Ds. Hans van Solkema, preses van de classicale vergadering van Overijssel-Flevoland, geeft zijn mening over het zogenaamde ‘gat in de kerk’, het ontbreken van jonge generaties in de kerkbanken. Veel kerkenraden snijden tijdens een vierjaarlijks ontmoeting met de classispredikant het onderwerp aan van de jonge generaties die beduidend minder de weg naar de kerk weten te vinden dan de oudere generatie. Ds. Wim Beekman, classispredikant in Friesland, hield er een inleiding over voor de Vereniging van Kerkrentmeesterlijk Beheer (klik hier). Klaas van der Kamp, classispredikant in Overijssel-Flevoland, schreef er over in het boek ‘De Bijna-Bisschop’ en publiceerde er over op deze website (klik hier). Hieronder de benaderingswijze van Hans van Solkema.

Het “gat van de kerk” bestrijden met een actieplan

Onlangs hield Wim Beekman, classispredikant van Friesland, op de algemene ledenvergadering van de Vereniging voor Kerkrentmeesterlijk Beheer in de Protestantse Kerk (afdeling Friesland) een vurig pleidooi om het probleem van het ontbreken van de middengeneratie in onze gemeenten hoog op de agenda te zetten van de synode. Hij kwam tot die aanbeveling na zijn eerste kennismakingsronde langs zo’n 30 Friese gemeenten. Overal waar hij kwam hoorde hij van dezelfde zorg en teleurstelling: we missen steeds meer de middengeneratie in ons midden. Ik denk een terechte signalering. Was het een tiental jaren geleden nog heel gewoon dat in de profielschets van predikanten werd geschreven dat zij iets moesten doen voor de jeugd, nu lijkt het probleem verschoven naar de generatie daarboven. We hebben het hier over de zogenaamde x en y generatie (pak ‘m beet de mensen van onder de 55). Deze groep wordt in de kerkelijk literatuur ook wel minder fraai “het gat van de kerk” genoemd. Kortom, Beekman signaleert op zijn ronde langs de gemeenten dat de kerk steeds grijzer wordt. Eerlijk vertelt Beekman aan zijn gehoor dat hij zelf ook niet zo gauw weet hoe dit probleem moet worden opgelost en dus stelt hij voor dat het onderwerp hoog op de agenda komt van de synode.

Maar ja, denk ik dan, als we het aan het grondvlak al niet weten, als de classis het al niet weet of de classispredikant, wat moet de synode er dan mee? Ik ben bang dat er niet veel anders uitkomt dan weer een studiecommissie die allerlei activistische aanbevelingen doet die de gemeente vervolgens nog meer met de handen in het haar doet grijpen: moeten we naast al het andere ook nog deze plannen uitvoeren? Laat ik eerlijk zijn: ik zie in deze weg geen heil. Natuurlijk is het altijd goed dat ook de synode bespreekt waar het grondvlak mee worstelt, maar dit gaat niet werken. Sterker nog: ik word er eigenlijk een beetje moe van. Wil ik eigenlijk nog wel bij zo’n kerk horen die constant bezig is om wanhopig, ja bijna paniekerig, de gaten in de dijk te dichten? Gelukkig word ik van dit alles ook opstandig.

Het "gat van de kerk" bestrijden met hoop

Klaas van der Kamp, classispredikant in Overijssel en Flevoland, pakt het probleem anders aan. Ook hij werd niet vrolijk van zijn rondgang langs de diverse gemeenten. In zijn boekje “De bijna bisschop” probeert hij aan dit gevoel van melancholie weerstand te bieden door te laten zien dat breuklijnen niet nieuw zijn, maar van alle tijden. De bijbel staat er vol mee en telkens was het zo dat het oude niet meer terugkomt, maar dat het geloof op een andere manier gestalte krijgt. Wen er dus maar aan, is zijn boodschap: de kerk van vroeger komt niet meer terug. Ik kan hem op dit punt alleen maar bijvallen. Van der Kamp hoopt met zijn kijk op de breuklijnen de gemeenten een hart onder de riem te steken. Tegelijkertijd ziet hij ook tekenen van hoop. Zo haalt hij het boek “Ongelofelijk" aan van Yvonne Zonderop. Zij beschrijft dat religie bezig is met een verassende comeback. Het is niet allemaal neergang. Op tal van plaatsten zien we nieuwe vormen en het lijkt wel alsof mensen “ongeneeslijk religieus” zijn. Dat mag allemaal wel waar zijn, denk ik dan, maar de vraag is wel in hoeverre de nieuwe vormen een band houden met de oude religie (zij het via een continuüm of een breuklijn). Het lijkt mooi, maar in essentie komt het bij op de breuklijn binnen de kerk en de hoop neer op: stil maar wacht maar, alles wordt nieuw. Ook van deze benadering word ik moe. Want doet ze wel recht aan de gevoelens en de situatie waarin de kerk nú verkeert? Gelukkig word ik ook van deze benadering opstandig.

Een gat is een gat en blijf daar bij…

Waar beide benaderingen mijns inziens de mist in gaan, is dat ze weigeren de diepgaande crisis waarin de kerk (in Europa) verkeerd echt serieus te nemen. In plaats van stil te staan bij wat ons overkomt wordt er te snel naar een oplossing gezocht. Of in de vorm van een handelingsplan zoals Beekman die graag wil hebben of in de vorm van een hoopvol verwachten zoals van der Kamp dat beschrijft. Beide benaderingen zijn sympathiek, maar richten ook de blik af van wat is, de pijn dat de kerken almaar leger worden. Natuurlijk ik weet ook dat dat niet over de hele linie het geval is, maar wie om zich heen kijkt kan er de ogen niet voor sluiten. In mijn eigen gemeente, een redelijke bloeiende gemeente, overkwam het ook ons. Van de een op de andere week was er ineens geen wekelijks kindernevendienst meer. Oorzaak: een gebrek aan kinderen. Dit is zeker niet het hele verhaal. We hebben in tegenstelling tot andere gemeenten nog steeds catechese waar maar liefst 15 jongeren aan deelnemen, maar toch, de tekenen zijn er….

Ik zei al dat ik van al die berichten over de terneer gang van de kerk moe word, maar ook opstandig. Opstandig omdat ik geloof dat er nog een andere weg mogelijk is. Eén die de dood recht doet (de terneer gang) en het opstaan (de plannen). Die benadering is een balanceren tussen twee uitersten. Het heeft veel weg van de bijbelse doortocht verhalen. We staan nog met één been in het oude land en met het andere al in het beloofde land. De kunst is om niet te aarzelen, maar ook om niet te snel te gaan: de doortocht zelf moet doorleefd worden. In mijn rol als voorzitter van de classis Overijssel en Flevoland heb ik daarom gepleit dat er in het beleidsplan van de classis aandacht komt voor rouwpastoraat aan gemeenten. Want dat is wat er volgens mij aan de hand is. Vele gemeenten (en ik ook zelf) bevinden zich in rouw: rouw om wat weg is en niet meer terugkomt. Vergelijk dat eens met normale situaties van rouw. Pastoraal zou het onverstandig zijn om aan een rouwende te suggereren dat het oude nog terug zou kunnen komen middels een goed plan van aanpak. Het zou ook onverstandig pastoraat zijn om te zeggen: je moet maar zo denken “alles wordt nieuw”. Nee, rouwpastoraat vraagt om een diepgaande verkenning van de situatie waarin iemand zich bevindt. Het is de kunst om het met iemand in de pijn te kunnen uithouden. Pas als je als pastor het gat het gat durft te laten zijn, ontstaat er ruimte om vandaar uit te ontdekken waar de weg je brengt.

Bij het instellen van de classispredikant heeft de kerk er sterk op ingezet dat de classis “geestelijk leiding” geeft aan het leven van de gemeenten. Wat dat precies inhoudt, bleef onbesproken, maar ik denk dat we hier een stap verder komen als wij ons oor te luisteren leggen bij de traditie van de geestelijke begeleiding. Het is die traditie die bekend is met het gat, met de donkere nacht van de ziel. Het is die traditie die weet hoe ze hier mee moet omgaan. Ik wil daarom een poging doen om de huidige situatie geestelijk te verkennen aan de hand van het begrip heimwee.

Heimwee naar vroeger

Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat het gevoel waarover Beekman en van der Kamp met vele gemeenten gesproken hebben een gevoel van heimwee is. Ook in mijn eigen gesprekken met kerkleden en kerkenraden merk ik dat een vroegere situatie vaak de norm is waarmee naar het heden wordt gekeken. Een kerkdienst is geslaagd als er net zoveel mensen waren als vroeger. Een kerkenraad die moeite heeft om de vacatures te vervullen roept verzuchtend uit dat er geen kandidaten meer zijn zoals vroeger. In mijn eigen kerkenraad zie ik dat ook. Bij het bespreken van plannen om de jeugd binnen onze gemeente recht te doen, leeft bij velen nog steeds de verwachting (hoop) dat jongeren daarmee terugkeren naar de kerk (of eigenlijk wordt bedoeld: de kerkdienst). Als ze er even over nadenken zeggen ze in tweede instantie wel dat dit niet de inzet van de plannen moet zijn, maar onderbewust leeft het wel. Ook zelf ben ik niet vrij van dit gevoel van heimwee. Laatst was ik in Rotterdam op weg naar het gemeentemuseum en kwam een kerk tegen die nu dienst doet als hal voor springkussens. Mooi dat zo’n kerk zo’n herbestemming heeft gevonden, denk ik dan, maar tegelijkertijd heb ik last van dat heimwee. Weer een kerk die aan de eredienst is onttrokken, weer een stukje minder zichtbaarheid van de kerk in de samenleving, weer een stukje “heilige ruimte” dat ten prooi is gevallen aan de oprukkende commercie. Of ik daarin gelijk heb, doet er niet toe: wat waar is, is mijn gevoel, het gevoel van heimwee.

Heimwee brengt aan het licht wat we missen

Een interessant perspectief vanuit de geestelijk begeleiding op het begrip heimwee biedt ons Frans Maas. In een artikel uit 2008 “Heimwee als spirituele mogelijkheid” beschrijft hij zijn eigen ervaring met heimwee. Hij heeft dit heimwee zelf ondervonden toen hij als jonge jongen op een internaat werd geplaatst. Ver van huis voelde hij het gemis, voelde hij ook dat de plek waar hij nu was, niet zijn thuis-was. Dat is wat heim-wee ook letterlijk is: de pijn om het gemis van een thuis. De nieuwe omgeving van het internaat was hem nog niet vertrouwd. Maas verlangde heftig naar zijn ouderlijk huis. Door te schrijven en te tekenen probeerde hij de pijn te verzachten door zich een voorstelling te maken van hoe het op dat moment thuis zou zijn. Dat is wat heimwee doet. Het maakt je bewust van wat je mist. Sterker nog: pas door het gemis komt naar voren wat dat thuis (waar hij naar zocht) precies is. In zijn geval waren dat zaken als: geborgenheid, veiligheid, jezelf kunnen zijn, kwetsbaar kunnen zijn, enz. Hij schrijft dat toen hij nog thuis woonde hij zich van deze dingen eigenlijk niet bewust was. Thuis was toen nog iets vanzelfsprekends.

Dat is het goede wat het heimwee de kerk zou kunnen brengen. Kennelijk voelen we ons niet meer helemaal thuis in de situatie waarin we ons bevinden (ik vraag me af of we dat we eigenlijk wel voldoende beseffen). We worden ons bewust van waarden die er kennelijk vroeger wel waren, maar die we nu missen. Voor mijzelf zou ik er zo een paar kunnen opnoemen. Ik denk dan aan het gemak waarmee je over je geloof kon praten. Vroeger bestond er een gedeeld taalveld. Iedereen wist (althans dat dachten we) waar je het over had. Vandaag de dag heb ik wel eens het gevoel niet begrepen te worden. Iedereen heeft een ander invulling van het woord “God” en we slaan elke discussie dood door te zeggen: “zo voel ik dat, als jij dat anders voelt, ook goed hoor”. Een ander aspect is dat je lidmaatschap van de gemeente niet langer vanzelfsprekend is. Vroeger was iedereen wel lid van één of ander kerkgenootschap. Daarvoor hoefde je je niet te verantwoorden (hooguit moest je duidelijk maken waarom je lid was van de ene denominatie en niet van de andere). Nee vroeger moest je je verantwoorden als je geen lid was van een kerkgenootschap. Nu is dat precies andersom. De vanzelfsprekendheid is voorbij. Ik heb wel eens het gevoel dat ik tot een uitstervende minderheid behoor en dat ik door mijn omgeving wat meewarig word aangekeken. Ik ben een tijd lang lid geweest van de Rotary. Gelukkig had ik ook nog een studie scheikunde op zak. Ik liet dat graag blijken, alsof ik daarmee wilde zeggen: je moet niet denken dat ik “achterlijk" ben. Ik weet heus mijn verstand wel te gebruiken. Een derde aspect waar ik aan denk is het verlies van relevantie of zo je wil macht. Vroeger had de kerk wat te zeggen. Vroeger werd er naar de kerk geluisterd. Nu ziet niemand je meer staan en moet je soms bij de overheid aan de bel trekken waarom wij niet in een gemeentelijk platform zitten waarbij iedere andere maatschappelijke organisatie betrokken is. Zomaar wat dingen die ik persoonlijk tegenkom als het gaat om mijn heimwee naar vroeger. We moeten dit niet bagatelliseren, maar volop verkennen. Het is het heimwee wat aan het licht brengt wat wij ten diepste missen.

Verheerlijking van het verleden

Maas laat ook zien dat het thuis zoals je dat van vroeger kent, ook een soort van symbool kan worden waar meer op geprojecteerd wordt als wat in werkelijkheid ooit het geval was (bijvoorbeeld dat het thuis altijd goed was, dat er nooit ruzie was, enz.). Maas stelt dat deze voorstelling van het thuis in het gemis een sterke rol kan spelen en dat dit verbeelde thuis in zekere zin reëler kan worden dan het "echte huis van vroeger” waar je nu niet meer bent.

Als we deze kijk op het heimwee toepassen op het heimwee van de kerk, dan zie je ook bij ons dat we de neiging hebben om het verleden te idealiseren. “Vroeger deed iedereen nog belijdenis”, wordt er geroepen. Het wordt gesteld als een ideaal, maar je kunt je afvragen wat dat belijdenis doen precies inhield. Als predikant heb ik de merkwaardige ervaring dat ik soms meer sympathie had voor mijn catechisanten die bewust geen belijdenis deden dan voor hen die dat wel deden. Bij de eerste groep was de betrokkenheid vaak veel groter.

Heimwee stelt het heden onder kritiek

Heimwee is volgens Maas in eerste instantie dus een negatieve ervaring. Het is de pijn van het gemis, maar het stelt ook de plek waar je bent onder kritiek. Deze plek is namelijk niet wat het moet zijn: er ontbreekt iets aan. Hierin zit de kracht van heimwee. Hierin zit de mogelijkheid die heimwee ons biedt om stil te staan bij de situatie waarin we ons bevinden. Maar dat vraagt geduld. Dus niet aarzelen zoals ik eerder stelde, maar ook niet te snel willen vertrekken. Heimwee is pijnlijk, maar het biedt ook een kans dat als we deze pijn verdragen we gaan zien wat er in onze gemeente-zijn mist. Ik ben ervan overtuigd dat dan niet het gemis aan de aantallen, de macht, of de vanzelfsprekendheid van de kerk naar bovenkomt, maar eerder zaken als verlegenheid, gebrek aan taal om over ons geloof te kunnen spreken, gebrek aan mogelijkheden om te participeren in de samenleving, gebrek aan trots om gewoon te kunnen zeggen waarom we lid zijn enz… Dit bedoel ik met de verkenning van de situatie waarin we ons bevinden. Een verkenning die we het liefste overslaan omdat het zo’n pijn doet, omdat het ons confronteert met onmacht, zwakheid en verlegenheid.

Een kinderlijk verlangen naar het verleden

Heimwee biedt twee kansen, stelt Maas. Het kan ons iets goeds brengen, maar het kan er ook toe leiden dat we om de pijn niet te willen verdragen op een kinderlijke, regressieve, manier op zoek gaan naar het thuis zoals je dat ooit gekend hebben (met het risico dat je het niet zult vinden omdat dat huis al lang niet meer bestaat). Het is een beweging die probeert te restaureren, terug te halen wat was. De roep om met een handelingsplan te komen, zoals Beekman doet, kan al gauw deze kant op gaan. Ik zeg niet dat het zo is, maar ik heb inmiddels al teveel plannen gezien die daar wel iets van weg hebben. Je kunt je zelfs afvragen of de hele operatie “Back to the basics” in feite niet een grote restauratieve beweging is. Weliswaar wordt dan niet het recente verleden als uitgangspunt genomen, maar een ver verleden dat nooit bestaan heeft en dat niemand kent. Het regressieve, kinderlijke, hiervan is dat het ons gerust stelt, omdat we er ergens diep van binnen van uitgaan dat we terug kunnen, dat dat mogelijk is. Wat mij betreft is dat inderdaad een kinderlijke voorstelling van zaken.

Heimwee als verlangen naar bestemming

Een meer volwassen reactie is volgens Maas de progressieve. "Heimwee brengt dan een beweging op gang naar een voleinding, naar een denkbeeldig en verhoopt thuis dat aan telkens nieuwe vormen van gemis en ontheemding die mensen in hun leven meemaken, bestemming biedt, en zo ook de mogelijkheid om met dat gemis om te gaan". Met andere woorden: deze reactie op de pijn van het heimwee staat open naar de toekomst en probeert daarin te ontdekken waar de oorspronkelijke gekende ervaring van thuis zou kunnen terugkomen. Heimwee wordt zo een spiritueel verlangen. Maas weet dit verlangen ook theologisch te onderbouwen door gebruik te maken van Karl Rahners visie op relatie tussen natuur en bovennatuur. In die visie wordt gesteld dat de bovennatuurlijke genade bouwt op de natuurlijke genade. Maas schrijft daarover: "Karl Rahner ziet de richting van elk menselijk handelen, liefhebben en kennen uiteindelijk als uitgelokt door en gericht op de ultiem Transcendente. Impliciet en onrechtstreeks zijn volgens hem mensen in al wat zij ondernemen om het leven goed te maken - en het bewonen van een plek is daarin heel elementair - in aanraking met de Bron en de Bestemming van dat goede leven: God.” Eenvoudig gezegd: een ervaring die we hebben in het alledaagse leven (waarvan 'God' de natuurlijke bron is) smaakt naar meer en doet verlangen naar het ultieme (waarvan 'God' de bestemming is). Zo bouwt het bovennatuurlijk voort op het natuurlijke. In termen van geestelijke begeleiding gesproken gaat het er om dat we ontdekken welk gemis voortkomt uit de Bron en waar we getrokken worden naar onze Bestemming. Dit alles betekent dat wil je weten wat je spiritueel zoekt dat je die oorspronkelijke ervaring van een thuis wel moet hebben. Helaas geldt dat niet voor iedereen. Wie deze ervaring van een thuis niet kent, kan daardoor in het leven rusteloos blijven zoeken om een thuis te vinden. Rusteloos, omdat hij in feite niet weet wat hij zoekt. Dat laatste geeft te denken. Om te weten hoe de kerk van de toekomst er uit moet zien, om te weten wat we verlangen, moeten we toch enigszins een notie hebben van een kerk waarin je je thuis voelde (de vraag is: kennen we die echt en waar dan). Opnieuw een pleidooi om de situatie waaruit we komen en waarin we ons nu bevinden goed te verkennen.

Een verlangen naar onze bestemming is iets anders dan de hoop dat het doorgaat…

Een verlangen naar een nieuw thuis waarin gevonden wordt wat we in het huidige huis missen, lijkt op de positie van van der Kamp waarin hij ons wijst op de hoop. Hoop alleen doet leven, ja, maar het wil nog niet zeggen dat het tot een transformatie komt. Hoop als zodanig geeft nog geen richting. Die richting wordt alleen gevonden als we weten wat we missen. Van der Kamp heeft gelijk om te wijzen op de breuklijnen in de tijd van de bijbel en in de kerkgeschiedenis. Nee, het wordt nooit meer zoals vroeger… Een kinderlijke restauratie is een zinloze onderneming. Staan we nu ook voor een breuk? Ik denk het wel. Een breuk doet je voelen dat het oude niet meer past en dat het nieuwe nog niet gekomen is. Met andere woorden op een breuklijn voelen wij ons unheimisch (niet thuis). En precies dat moeten we serieus nemen (net als in het gewone rouwpastoraat). De breuk is een crisis, een negatieve ervaring, maar ook een kans om opnieuw in een andere vorm een thuis te vinden.

Onderscheiding der geesten

Hoe maken wij dit alles vruchtbaar voor het werk van de classis? De gang naar de synode heeft voor mij weinig zin. Als het grondvlak al niet weet hoe we met de crisis moeten omgaan, dan weet de synode het ook niet. Mijn punt is dat het grondvlak het wel weet of anders gezegd daar moet het proces van bezinning plaats vinden. De woestijnvaders zouden zeggen: ga in je cel en je cel leert je alles. Gemeente keer je naar binnen en ontdek wat er boven komt aan gemis, pijn, verlangen enz. Vervolgens is het nodig dat een gemeente het instrument van de onderscheiding der geesten leert te hanteren. Zoals het begrip heimwee al liet zien kan de reactie op wat je tegenkomt twee kanten opgaan: een onvruchtbare en een vruchtbare. Precies daarbij helpt de onderscheiding der geesten. Door plannen, gedachten scherp tegen het licht te houden en te wegen of ze ons dichter bij onze bestemming brengen of er juist verder van af. Deze wijze van kijken zou verder ontwikkeld moeten worden in handzame gesprekshandleidingen of mensen die deze gesprekken kunnen leiden. Ook in classicaal en ringverband zouden we deze gesprekken kunnen initiëren. De benadering die ik voorsta lijkt enigszins op die van de waarderende gemeenteopbouw. Daar heeft ze inderdaad veel van weg, maar waarderende gemeenteopbouw sluit aan bij wat er is, bij wat goed gaat en wil dat verder uitbouwen. Mijn benadering gaat verder. Het gaat niet alleen om wat er is, maar ook om wat er ten diepste gemist wordt. Want horen we daar niet de stem van de Eeuwige die ons roept? Mens waar ben je…., gemeente waar ben je?

Ds. Hans van Solkema

Foto boven: Van de sokkel gevallen (foto uit de Koornmarktspoort in Kampen)
Foto onder: De auteur ds. Hans van Solkema, tijdens een bijeenkomst van het breed-moderamen