Volksvroomheid in Oldenzaal

Eigenlijk kwamen we veel te laat. Een kwartiertje voor sluitingstijd stapten we over de drempel. Maar de conservator Toos Achterweust deed er niet moeilijk over. Ze scande de museumjaarkaart en liep met haar 76 jaar voor ons uit om op cruciale plekken in het museum het licht op te steken, en tekst en uitleg te geven. ‘U bent zelf niet rooms-katholiek? Geeft niks. Maar dan is het soms even zoeken’.

Wat we aan kennis misten werd ruimschoots gecompenseerd door Toos haar niet aflatende woordenstroom, die als een weldadige deken het hart verwarmde en een kader schetste bij de honderden voorwerpen die zij in de loop der tijd bijeen had weten te brengen. Wat een beelden, voorwerpen, rozenkransen, bidprentjes, schoolboekjes, leesplankjes in openbare en rooms-katholieke context, ambtsgewaden. ‘Eén ding is duidelijk’, beloofde de folder al, ‘dit is een verzameling zoals u hem nog nooit eerder hebt gezien’. Onmiskenbaar.

Het museum is gevestigd in twee armenhuisjes uit de jaren twintig. Het zijn piepkleine diaconiehuisjes. De ruimtes zijn klein. En de verkenning begon voor ons met het bestijgen van een smal trappetje naar boven waar liturgische gewaden, kardinaalsmutsen en beelden van de drievoudige Maria elkaar verdrongen in de kleine ruimte.

‘Hier zie je een klein zakje, wat meneer pastoor vroeger droeg als hij in allerijl naar een zieke moest om de eucharistie te geven. Hij heeft onze lieve Heer op het hart, zeiden we vroeger, als we hem met de hand op het zakje op de borst door de straat zagen fietsen. Dat was een moment waarop we eerbiedig toekeken en niets zeiden’.

Als Toos Achterweust één ding wist over te dragen, was het de eerbied voor de kerk. ‘Dat was vroeger nog indringender. Dan moest je biechten, zoals je hier in dit boekje ziet. Het boekje met de gehaktballen, noemde een bezoeker het. Je leerde dan hoe de biecht je hart reinigde. Dat maakte als kind grote indruk. Je zag erg op tegen dat moment’.  Voorzichtig pakte de conservatrice vervolgens een goudkleurige monstrans op. Ze wees op de plek waar de hostie te zien was. De monstrans werd gebruikt als de priester rondtrok met de eucharistie.

Via een deur ging het naar een binnenplaatsje, waar een tuinhuisje stond. Toos Achterweust had er de kleinoden opgesteld die met de eerste communie te maken hadden. Er lagen kleine boekjes met teksten uit de mis, die je kreeg om voortaan vaker de plechtigheid te kunnen bijwonen en meevieren. Er waren speciale borden waarop tekst gegraveerd stond over de eerste communie. ‘Dat soort dingen kregen de kinderen. Maar de meeste waren toch vooral geïnteresseerd in geld en snoepgoed’.

Als we het pelgrimsmuseum willen verlaten heeft Toos nog een cadeautje. Een zakje ‘kerktijd’, waarin ‘een heilig boontje’ en speciaal toegevoegd een kaart die je iemand cadeau kunt geven, met op de voorkant een moeder met kind afbeelding en op de achterkant een tekstje van Herman Finkers, een Weesgegroet in het Twents:

goeiendag Maria,
völl heil en zeagen.
De Heer mag oe lieden.
Van alle vrouwleu
hef Hee oe zeagend,
en zeagend is Jezus,
het Keend wa’j dreagt.

Heil’ge Maria,
God zien Mao,
bid veur oons zeunders,
noe, en in ’n tied
van oons stearven.

Amen

Foto: Toos Achterweust laat het heilige boontje in de cadeautas glijden.  

Onder: servies bij de heilige communie