Parafrase uitgesproken door ds. Klaas van der Kamp van de overdenking gehouden op 1 mei 2022 bij de bevestiging van ds. Hans van Solkema in Heino tot interim-predikant van de protestantse kerk. 

Gemeente van onze Here Jezus Christus,
in het bijzonder Hans van Solkema en Kees van Tilburg,

Jij, Hans, hebt de tekst uitgekozen. Handelingen 8. Over de kamerling. Je reikt ons daarmee een tekst aan over twee mensen die elkaar kort ontmoeten. En je plaatst ons voor de uitdaging onszelf de vraag te stellen wanneer zo’n toevallige ontmoeting in ons leven zinvol is. Daarover gaat het bij het thema: in het gelaat van de ander. Hoe kijken we naar de ander en waar herkennen we God in het gezicht van de ander?

Ik wil drie punten aansnijden:
1. Het appel dat de ander doet (de kamerling).
2. Het appel dat we verstaan (Filippus).
3. Het hondje.

We kijken eerst naar een schilderij.

DIA 

Het is een schilderij van Rembrandt. Het gaat over de doop van de kamerling. Het is een vroege Rembrandt. De kracht van licht en donker zo kenmerkend voor Rembrandt, vind je er nog niet in terug. Filippus is een stijve Middeleeuwse monnik met een gordel om zijn lendenen waarin drie knopen zijn aangebracht, die wijzen op de beloften van gehoorzaamheid, armoede en kuisheid. In het hart van het schilderij ligt het geopende woord, in de handen van een dienaar met een blauwe mantel.  Het is een schilderij uit 1626.  

DIA 

Het werk is een replica van een schilderij van Pieter Lastman. Rembrandt woonde een half jaar bij hem in huis om het vak te leren. Pieter Lastman maakte dit schilderij, drie jaar voordat Rembrandt dat doet. Rembrandt heeft het gekopieerd. Hier zie je ze naast elkaar.  

DIA 

De schilderijen lijken op elkaar. De wagen groot in beeld. Het ene paard kijkt naar de doop en naar Filippus. De naam Filippus betekent ‘liefhebber van paarden’, de baard heeft dezelfde kleur als de paarden.   

Rembrandt heeft een soort uitsnede gemaakt van het schilderij van Lastman. Hij heeft de rotspartij weggelaten. Voor de parasol heeft hij een palm aangebracht. Rembrandt was zich bewust dat de kamerling een neger is, dus de man kreeg een zwarte kleur. Het kopieergedrag gaat zo ver, dat Rembrandt de hond overneemt, die daar ook door Pieter Lastman is aangebracht. Wat doet die hond daar eigenlijk? Daar moeten we het straks nog even over hebben in het derde punt.  

Ik wil eerst terug naar het eerste punt ‘het appel dat de ander doet’. Ik wil u de vraag voorleggen: Wat is het grootste wonder in dit verhaal? Wellicht zeggen sommigen: ‘Dat Filippus wordt aangesproken door een engel’ (vers 26). Weer iemand anders beweert: ‘Het grootste wonder is, dat de kamerling Jesaja leest, dat komt wel erg goed uit’ (vers 32).  Mijn leermeester Anne van der Meiden zou zeggen: ‘Het grootste wonder is, dat die twee mannen zo kort bij elkaar zijn en elkaar dan toch zo goed verstaan’. Anne van der Meiden analyseert communicatie tussen mensen. Hij legt uit hoe spannend het is als twee mensen aan de praat raken. Want mensen leven in een eigen bubbel. Als de één het woord ‘schaap’ gebruikt, denkt hij misschien aan de schapen die in de tempel worden geofferd. Maar de andere denkt bij het woord ‘schaap’ aan een paar honderd euro die je bij de verkoop kunt verdienen. Eén zo’n woord roept verschillende gevoelens op. Dat verschil kwadrateert zich als je meer woorden gebruikt. ‘Er is veel ruis’, legt Anne van der Meiden uit. ‘Het is een wonder, dat er door die ruis heen een vorm van gemeenschappelijk begrip kan ontstaan’.

Hoe komen twee mensen zo dicht bij elkaar? Het heeft allereerst met de kamerling zelf te maken. Hij staat voorgesorteerd. De kamerling is een Ethiopiër, een Kushiet, iemand uit het huidige Sudan. Een zwarte man. ‘Een hoge ambtenaar van Kandake, belast met het beheer van de schatkist’. Wij zouden zeggen ‘de minister van financiën’.  ‘Een eunuch’, vertaalt de NBV. Dus een gecastreerde man. Dat was vroeger gebruikelijk voor mannen die toegang hadden tot de privékamers van het paleis.

Deze zwarte Afrikaan was op bedevaart in Jeruzalem. Dat is opmerkelijk, want wat heeft zo’n zwarte Afrikaan nou met de religie van het Joodse volk van doen? Het is nog vreemder als je je realiseert dat hij als gecastreerde man, volgens Deuteronomium 23: 1, geen toegang heeft tot de tempel. Dus hij kon wel door de oude stad banjeren, maar het heiligdom binnengaan, dat mocht hij niet.   

Hij kon alleen souvenirwinkeltjes bezoeken. En dat heeft hij gedaan. Hij heeft een boek in handen van de profeet Jesaja. Hij leest hoofdstuk 53. Het gaat over een schaap dat ter slachting wordt geleid. De eunuch wil weten op wie dat slaat. Gaat het over de schrijver zelf of over iemand anders? Voor hem is dat van belang, want als hij Jesaja 56: 4 komt hij zichzelf tegen. Daar staat: ‘De eunuch die mijn sabbat in acht neemt, die vasthoudt aan mijn verbond, geef ik iets beters dan zonen en dochters: namelijk een naam in mijn tempel, een eeuwige naam’. Die eunuch ziet toekomst. De eunuch heeft als zoveel mensen die niet in de kerk komen honger naar diepgang in zijn leven. Hij zoekt als zovele mensen in Heino naar een leven waarin hij boven zichzelf wordt uitgetild. Het is een misverstand te denken, dat je kerkbezoekers hebt en kerkonverschillige mensen. We zijn allemaal mensen hongerig naar gezondheid, geluk, vrede, en een beetje erkenning.

‘Verstaat u wat u leest?’, vraagt Filippus. ‘Nou nee’, zegt de eunuch, ‘Gaat dat over de schrijver zelf of over iemand anders?’ En dan ontspint zich het gesprek. Het gaat over Jesaja, maar meer nog dan over Jesaja gaat het over Jezus. En die schrijver is iemand die hem niet aan de kant duwt, wat in Jeruzalem gebeurde, maar iemand die zichzelf minder op de voorgrond plaatst, zodat er ruimte is voor anderen. Wij zeggen: Jezus is God zelf. En God is niet iemand die opdringerig is, maar die juist bescheidenheid aan de dag legt, zodat wij niet in de knel komen. Is dat niet de zin van wat we verzoening noemen en opoffering? We vatten dat samen met: Jezus is van het koninkrijk van God, waar andere wetten tellen, de wereld zoals God die heeft bedoeld.

De eunuch heeft in Jeruzalem over dat koninkrijk gehoord. Een plek op de wereld waarin mensen ongeacht hun achtergrond tot hun recht komen. Hij heeft gezien hoe zijn leerlingen zich lieten dopen en daarmee uitdrukten dat ze als nieuw, als schone mensen, op die wereld betrokken willen zijn. Hoe mooi zou het zijn voor deze eunuch als hij al die prachtige beloften op zichzelf van toepassing mag weten? Zou Filippus hem willen dopen?

En dan ben ik bij het tweede punt: de rol van Filippus, de persoon die er in slaagt de ander wezenlijk te peilen. Hij is niet bezig met zichzelf, maar ziet hoe de eunuch in gesprek is met God en hij probeert op die golflengte te reageren. Wat is er op tegen dat ik gedoopt word?, vraagt de eunuch. En dan ontstaat er een spannende vraag, vooral voor mij als vertegenwoordiger van de classis. Want Filippus is geen apostel, hij is diaken. De classis vergunde hem geen sacramentsbevoegdheid. Het is tegen de kerkorde. Filippus is een diaken; blijkens Handelingen 6, aangesteld om de weduwen tegemoet te komen in hun noden, iemand die het geld herverdeelt onder de armen. Daarin zit de humor van de tekst. Dat de minister uit Kandacé, die geld oppot, zich laat veranderen door een minister, een dienaar, een diaken, die zoveel mogelijk geld uitgeeft ten dienste van de armen. Misschien zijn ze daarom wel onderweg naar Gaza, Gaza is een Perzisch woord en betekent letterlijk ‘schat’. Zal deze passant iets voor de eunuch kunnen doen?

DIA (landkaartje)

Het is midden op de dag, het moment dat geen hond naar buiten gaat. Filippus wordt er toe geroepen: ‘Sta op. Treed in het voetspoor van Jezus. Sta op’. ‘De Geest plaatst Filippus op een eenzame weg’. Hier heb ik een landkaartje afgedrukt. Die weg tussen Jeruzalem en Gaza of die nu via Bersheba loopt of nog directer, want er zijn meer wegen, is op zich helemaal geen rustige landweg. Het is juist een handelsroute die van Babel naar Egypte leidt en nog verder. We zouden zeggen: Het is een snelweg. In het Hebreeuws letterlijk, een Horeb-weg. Misschien een zinspeling op de berg van de Godsopenbaring, misschien gewoon om aan te geven dat God zich niet manifesteert op de drukke handelsweg, maar op een rustige variant.

Daar op die weg zijn geen richtingwijzers, geen restaurants om woorden te wisselen. Er wordt geen gebruik gemaakt van managementmodellen van Caluwé. Daar in de woestijn is het vooral luisteren naar de innerlijke stem. Dat is eigenlijk het wapen dat je hebt als passant, als interimmer. Ik vroeg iemand die een interimopleiding volgde: ‘Wat is een goede interimmer?’. Hij zei: ‘Een goede interimmer is dom, lui en dakloos’. Hij wilde zoveel zeggen als: een interimmer verstaat de kunst kwetsbaar te blijven. Geldt dat niet voor ons allemaal? Filippus laat zich vooral meeslepen door de Geest van het moment. En – als je het kaartje bekijkt – gaat  hij maar een klein stukje mee met de kamerling. Ergens het stukje van Jeruzalem naar Gaza. Daarna volgt er nog een lange weg van Gaza naar Beneden Egypte en dan stroomopwaarts langs de Nijl naar Soedan.

Ik ben ooit in Indonesië geweest. Ik zou er enkele mensen voor de krant interviewen. Die gesprekken gingen aanvankelijk niet zo goed. Ik sprak er mijn verwondering over uit. En toen zij één van de Indische mensen tegen mij: ‘Jij bent misschien wel te veel Europeaan. Je wilt alles snel doen. Je bent een Mr. Runfast. Je zou je wat meer in Henoch kunnen spiegelen. Hij rende niet met God. Hij wandelde met God’.

Filippus reageert menselijk. Vers 35, ik citeer de HSV: ‘Filippus deed zijn mond open en verkondigde’. Dat mag je lezen direct na vers 32, waar het gaat over ‘een lam, dat stemmeloos is bij de scheerder, - ik citeer – zo doet Hij zijn mond niet open’. Filippus gaat door, daar waar de Here Jezus, zwijgt. Dat is dus de roeping van ons mensen als we meekuieren. Wij geven betekenis aan wat Jezus belichaamt. En we doen dat op de maat die aansluit bij de situatie waarin mensen zich bevinden.

En dat is het geheim van Jezus. Hij is een schaap dat ter slachting wordt geleid. Een wonder is het, dat Hij in het dilemma van de zonde indaalt, de zonde niet ontkent, maar er zich door laat neerbeuken en dat Hij bereid is in het dilemma ten onder te gaan, zoals een lam bij de scheerders zijn wol weggeeft, nee, nog dieper, zoals een schaap voor de slachter zijn leven opoffert.

De passant laat de incarnatie plaatsvinden. Hij spreekt het goede woord op het goede moment. De open bijbel op de schilderijen van Rembrandt en Lastman.

DIA 

Ik keer terug naar het schilderij. Ons rest nog één vraag: Wat doen die honden op het schilderij? Er is een verhaal van Jezus. Hij verblijft in Galilea. Hij doorkruist zijn geboortestreek. Dan trekt Jezus noordelijker, naar het gebied van Tyrus en Sidon (Mattheüs 15: 21 v.v.). En hij raakt in gesprek met een Kananese vrouw. Ze wil dat Jezus haar dochter geneest. Maar Jezus doet net of Hij niets hoort. De vrouw zet door. Dan zegt Jezus: ‘Ik ben gezonden naar de verloren schapen van Israël. Het is niet behoorlijk het brood van de kinderen te nemen en naar de hondjes te werpen’. Maar de vrouw antwoordt: ‘Jawel, Heere, toch wel. De hondjes eten toch ook van de kruimels die van de tafel van de heer vallen’.

Daarom lekt dat hondje bij Rembrandt met zijn mond in het doopwater. Het zijn de kruimels van de tafel. Via de eunuch wordt de belofte doorgezet dat ook wij, heidenen, deel krijgen aan de tafel die voor Israël is gevuld.

Dat laat ons opnieuw naar onszelf kijken. We zien onszelf als Filippus. Zo is het. Maar nog vaker zijn we de kamerling. We krijgen op het laatste nippertje deel aan de tafel. Wij zijn die hond