Hoofdstuk 2: Gestalten



2. Gestalten

Kerken zien er verschillend uit. Ze hanteren verschillende riten. Achter de vorm zit een onderscheid in visie. De Raad van Kerken probeert daarvoor bij de achterban begrip te kweken. Eén manier om de ander beter te begrijpen kan zijn, dat je terugdenkt aan hoe het allemaal begon. We kijken dan niet naar de vroege kerk. We beginnen eerder. Bij de eerste verhalen in de canon. Bij de joodse nomaden. Daar waar God mensen aanspreekt. En waar mensen hem antwoorden. We oriënteren ons op de woestijn. Op het moment dat God zich verbindt met een volk.   

Het geloof zet in met een woord. Adam weet zich aangesproken. Hij antwoordt, eerst met woorden, dan met daden en daarna volgt de symboliek. Zijn kinderen, Kaïn en Abel, brengen als eersten een offer. En met die vormgeving ontstaat de discussie. Kaïn offert van de opbrengst van de aardbodem. Abel legt een dier op zijn altaar als geschenk. God wijst het offer van Kaïn af en accepteert dat van Abel. De tekst stelt het plompverloren vast en laat de lezers met vragen achter. Waarom is het geschenk van de één wel en dat van de ander niet aangenomen? Er is amper verschil tussen de broers, of het zou hun beroep moeten zijn: de één is landbouwer, de ander schaapherder.

Kaïn is verder gegaan in het spoor van Adam, die geroepen was de tuin te beheren en die met de grond verbonden bleef, nadat de grond vervloekt was, zegt een commentaar. Abel neemt een andere beslissing, hij wordt nomade, iemand die met zijn kudde rondtrekt en zich niet op één plaats vestigt. Hij moet zich telkens losmaken van de plaats waar hij zich bevindt, het vreemde onder ogen zien, open staan voor eindeloze verten. Hij loopt minder gevaar dat hij zich aanpast aan het bestaande of dat gebruiken hem vasthouden. De midrasj, een joodse uitleg, ziet in de herder iemand, die de menselijke relaties, de historische, psychologische en geestelijke aspecten van het mens-zijn behartigt, terwijl de landbouwer zich meer wijdt aan de grond en de weg opent naar economie, techniek en wetenschap. ‘De herder is in de boeken van Mozes en de profeten degene die mensen vrij maakt. Abraham, Isaak, Jakob, Mozes, David en sommige profeten waren schaapherder alvorens herder van mensen te worden’. Kaïn staat voor gevestigde macht. Hij heeft zijn broer doodgeslagen en de logische consequentie is, dat hij dolend en dwalend verder over aarde rondgaat. Kaïn wordt als het ware verplicht om weer nomade te zijn (Genesis 4, 14).

Er is aanvankelijk geen vaste plaats om te offeren. Net zo min als er een vaste woon- of verblijfplaats is voor de mensen. Zo was het nog ten tijde van de aartsvaders. De pater familias Abram neemt zijn familie mee uit het Oosten. Hij krijgt de opdracht ‘Ga uit uw land’. Hij gehoorzaamt en maakt zich los van zijn geboortestreek. Voor het besef in die tijd maakt hij zich daarmee los van zijn god, omdat die god aan één plaats gebonden zou zijn. Maar Abram gelooft, dat God met hem meereist en hem begeleidt naar beloofd land. Abram kent zijn onzekere momenten, maar dat benauwt hem niet. Het zijn juist momenten waarop de band met God zich versterkt. Terwijl de vragen van de dag zich kunnen ophopen, groeit hij in vertrouwen.

Noordmans vergelijkt Abram met Don Quichot. Er zitten overeenkomsten tussen Genesis en het boek van Cervantes. Noordmans stelt vast dat er bij beide sprake is van dolende ridders. Zij hebben ‘geen blijvende stad’ (Hebreeën 13: 14). Ze blijven zwerven en komen niet tot rust. Zowel Abram als Don Quichot weten nooit goed waar ze zijn, hier of in het land dat God hun zal wijzen. ‘Abram doet niets dan scheiden. Scheiden van zijn vader; van zijn neef Lot; van Hagar. Wat zijn dat voor ledige ruimten, die daartussen ontstaan?’ Het zijn onzekere momenten in zijn leven, die hij onder ogen durft te zien. ‘Abram was zich bewust van de dynamiek van deze leegten in zijn leven. Hij wist, dat God leegten nodig heeft om te kunnen scheppen en dat het met het geloof evenzo gesteld is’. Het geloof, zo citeert Noordmans Hebreeën, is immers een vaste grond der dingen, die men hoopt, en een bewijs der zaken die men niet ziet. ‘Het is dus niet raadzaam deze leegten, die ons verschrikken en die ons verhinderen van het leven een vriendelijk beeld te maken, met iets anders op te vullen. Zij staan heel nauw met het geloof, met God in verband’.

Abram bereikt uiteindelijk Kanaän. Hij is dankbaar en brengt God een offer (Genesis 12: 8). Daarna trekt hij verder, richting Zuiderland. En als de honger toeslaat gaat hij nog verder, richting Egypte.


Abraham past zich geregeld aan bij wat de omgeving op religieus gebied van hem vraagt. Guus Kuijer geeft daarvan in zijn boek over Genesis een curieus voorbeeld. De aartsvader is uitgeweken naar Egypte vanwege de droogte in Kanaän. Hij merkt dat de dienaren van de farao hun oog laten vallen op zijn vrouw, die er bekoorlijk uitziet. Hij geeft haar de instructie: ‘Zeg maar, dat je mijn zuster bent’. Niet gehinderd door schroom neemt de farao Sara tot zijn eigen vrouw. Overeenkomstig de religieuze overtuiging van de Egyptenaren moet Sara de wellust van farao opwekken, om op die manier continuïteit te geven aan de vruchtbaarheid van het land. Maar de farao is oud geworden en qua erotische gevoeligheid op leeftijd gekomen. De missie van Sara mislukt en daarmee blijft de dreiging over het land Egypte bestaan, dat de seksuele onvruchtbaarheid van de farao zich zal weerspiegelen in de onvruchtbaarheid van het land.  


Abraham sterft zonder vaste woon- of verblijfplaats te hebben gekregen. Het graf waarin hij komt te liggen, is zijn eerste eigendom. Na Abraham komt Isaak. Na Isaak volgt Jakob. Alle aartsvaders zijn herders, die weliswaar hun vaste waterbronnen steeds weer opzoeken, maar die blijven rondgaan. Je krijgt de indruk dat ze geregeld dezelfde plaatsen aandoen, en daar ook offeren. Isaak combineert het aanleggen van een waterput en het bouwen van een altaar zelfs met elkaar (Genesis 26: 25). Maar hij richt geen permanente offerplaatsen op, waar de gelovige met regelmaat een ritueel uitvoert.

Bij Jakob heeft het heiligdom nog steeds iets van de oorspronkelijke vluchtigheid. Letterlijk. Als Jakob op de vlucht is voor zijn broer Esau, heeft hij ’s nachts bij Bethel een droom. De plek is hem als ‘een poort naar de hemel’, tegelijk is het een grensstation naar een ander land, oostwaarts, vergelijkbaar met de ‘boog van St. Louis’, het symbool van de pioniers in de Verenigde Staten, op de plaats van waar zij in de negentiende eeuw massaal westwaarts, naar nieuwe gebieden verhuisden. Jakob beleeft zijn nachtgezicht als een openbaring en hij drukt dat ritueel uit door het uitgieten van olie over een rotssteen. Hij wijdt de plek, wellicht ondersteund door ervaringen vanuit zijn opvoeding.

Er is steeds een besef dat de God van Abraham, Isaak en Jakob een persoonlijk karakter heeft. De relatie overstijgt het gekozen ritueel. Het ritueel sluit aan bij wat andere volkeren gewend zijn. Als Jakob zich vestigt op één plaats, krijgt de liturgie een vastere gestalte. Jakob woont na zijn verblijf in het buitenland in de buurt van Sichem. Hij richt daar een altaar in en geeft het een naam: ‘De God van Israël is God’ (Genesis 33: 20). 

Jakob moet tegen het einde van zijn leven door de hongersnood gedreven uitwijken naar Egypte. Hij brengt offers aan de God van zijn vader, op de plek waar zijn vader een altaar heeft ingericht, in Berseba (Genesis 46: 1) en hij vertrekt. Daarna valt het stil wat de vermelding van offerplaatsen betreft. De generaties volgen elkaar op en leven lange tijd in Egypte.


Tabernakel 


De geboorte van Mozes luidt een nieuwe periode in. Mozes is een bijzondere man, die de wetenschappelijke kennis van Egypte, geleerd aan het hof van de farao, weet te combineren met de praktische vaardigheden die je nodig hebt in de woestijn, dat laatste leerde hij tijdens zijn ballingschap in de Sinaï. Beide eigenschappen komen goed van pas als hij het volk Israël uit Egypte leidt.

Mozes is goed op de hoogte van wat er in zijn tijd aan religie is te vinden. Hij kent de piramiden en de gevoelens die de Egyptenaren er in uitdrukken. Hij kent de donkere ruimte, bijna een kubus, in het hart van de piramide, de leegte en de heilige betekenis. En hij heeft in de woestijn kennisgemaakt met de religieuze praktijken van de woestijnvolken. We weten hoe de woestijnvolken hun religie vorm hebben gegeven. Bij opgravingen in de Negev zijn Kanaänitische tempels gevonden. Bij Arad is een tempel blootgelegd met een voorhof, een heilige ruimte en een ‘heilige der heiligen’. Die driedeling keert terug in de joodse tabernakel. De joden laten zich bij de vormgeving van hun geloof inspireren door hun omgeving. Ze passen de vorm aan, maar de relatie met God blijft uniek.

Het volk zoekt ten tijde van de woestijnreis naar een liturgische vorm. Het Bijbelboek Leviticus beschrijft tot in de details hoe het heiligdom en de cultus worden ingericht. Het contact met God raakt iets van zijn spontaneïteit kwijt.


Bijbeluitgevers in de Verenigde Staten hebben sinds 1909 in Nashville, Tennessee, de gewoonte ontwikkeld om zogenaamde red-letter-editions van de Bijbel te maken. Ze drukken in dergelijke uitgaven de citaten van Jezus in een afwijkende rode letter. Je ziet daardoor direct wat Jezus als tekst zou kunnen hebben uitgesproken. Sinds 2008 zijn er ook uitgaven met gekleurde citaten van God in het Oude Testament. Opvallend genoeg blijkt Leviticus het Bijbelboek te zijn met de meeste gekleurde teksten. Met andere woorden: God zelf formuleert hoe de tabernakel vorm moet krijgen en de liturgie ingevuld moet worden. De auteur geeft daarmee gezag aan het instituut.  


De nomaden in de woestijn benoemen talloze details. De woestijn is daarmee de bakermat van het geweten in dubbele zin. Het is de plek waar de wet op schrift wordt gesteld en het is de plaats waar het heiligdom en de liturgie gestalte krijgen. Het volk trekt van Egypte naar beloofd land en vormt zich een identiteit. De invulling van de eredienst draagt daaraan bij. 

De beschrijving van de liturgie laat enige spanning zien tussen structuur en flexibiliteit. Meest duidelijk spreekt die flexibiliteit uit de manier waarop God zelf aanwezig is. Hij manifesteert zich in de natuurelementen. Overdag is er een wolk. Een wolk is een schaduw en daarmee rust in de woestijn. Het is een belofte van regen. De wolk maakt God zichtbaar en verhult tegelijk. God is ’s nachts een vuur. Vuur is warmte als het afkoelt in de woestijn; het beschermt tegen de wilde dieren die ’s nachts actief zijn; het geeft licht in het donker.

De Israëlieten maken gebruik van symbolische voorwerpen om hun geloof tot uitdrukking te brengen. Er is een wasbekken in de voorhof en een altaar om te offeren. In het wasbekken zit water. Het verwijst naar de noodzaak van reiniging. Op het altaar ligt vuur. Het vuur laat offerdieren in rook opgaan. Het beeld ontstaat van leven dat opstijgt en zich een weg baant naar de dimensie van leven bij God. Water en vuur leggen de verbinding met de wolkkolom en de vuurkolom.

De ark is het hart van de tabernakel. De ark krijgt later een plaats in de tempel als herinnering en verwijzing naar de woestijn. De Midrash Rabbah (een oud Joods geschrift) legt uit dat het spirituele geloof een gestalte krijgt om daarin mensen in hun visuele oriëntatie tegemoet te komen. God zegt: 'Maak een schuilplaats voor de Herder, zodat hij kan komen en jullie kan voeden'. De ark ziet er kostelijk uit. ‘Laat van acaciahout een ark maken. Overtrek die met zuiver goud', zegt Exodus 25: 10. Als je eenmaal de drempel overgaat, blinkt het kostbare materiaal je tegemoet. Dat is ook geen wonder, want de ark is het voorportaal van de hemel. Cherubs houden er de wacht in het allerheiligste en versperren de toegang tot de boom des levens. Anders zou je maar zo bij God kunnen binnenlopen.

In de ark liggen tien woorden. Eigenlijk is het een contract. God en Mozes sluiten een verbond en de tekst bezegelt het. De tekst ligt in een ark. Je mag ook vertalen: in een kist. We komen die ark vaker tegen. Je vindt de ark in de synagoge. De joden bewaren er de Thorarol. Je komt Mozes tegen in een ark als hij dobbert op de Nijl. Noach vaart in een ark. En Jozef zijn gebalsemde lichaam ligt in een ark als hij van Egypte naar Israël gaat. De ark is een voorraadkist. Het is een bewaarplaats, bedoeld om kostbaar leven veilig te stellen. En dat is precies wat die tien woorden zijn, woorden van leven, woorden, die mensen weghouden uit slavernij.

Er zit een plaat op de kist. Een plaat van ontzondiging, noemt Cees Houtman hem. Een verzoendeksel. Het onderstreept de noodzaak van zuivering. Het heiligdom is er om vergeving van God te ontvangen en het contact te herstellen. Daarvoor wordt er een ritueel uitgevoerd. Er komt een ambtsdrager aan te pas. De hogepriester sprenkelt bloed in het heiligdom. Het bloed draagt het leven. Er zitten ringen in de ark. Je mag de ark niet maar zo aanraken. De ringen handhaven de distantie. Voor je het weet ben je het besef van heiligheid kwijt en denk je, dat je God naar je eigen hand kunt zetten; dat het God geen moeite kost ons te vergeven. Je hebt God niet in je greep. De tabernakel wordt op zijn plaats gehouden door tentpinnen, die gemakkelijk weer kunnen losschieten. God laat zich niet vastpinnen op één plaats. Hij blijft flexibel. 


Confucius vertelt een verhaal over een groep reizigers. De reizigers trekken door het land en komen voor een rivier te staan. Dat is lastig. Goede raad is duur. Tot iemand een idee oppert om hout te verzamelen. Dat doen ze. Ze bouwen daarvan een vlot. Met het vlot gaan ze naar de overkant. Ze nemen daarna het vlot op de schouders en dragen het mee op hun verdere tocht. Probleem is alleen dat ze daarna nooit meer een rivier zijn tegengekomen. Zo wordt datgene wat hen eerst heeft geholpen alleen maar ballast.


Macht 

‘Het is duidelijk dat de verhalen over het verblijf in de woestijn en de verovering van Kanaän naar een schema geordend zijn, ten bate van “geheel Israël” en ten nadele van de afzonderlijke stammen’, zegt De Vaux. Hij laat zien hoe de sociale structuur en de religieuze structuur met elkaar verbonden zijn. De politieke situatie verandert; de inrichting van de cultus verandert mee. Het overheidsbestuur wordt gecentreerd en daarmee ontstaat er ook een belang om de cultus vanuit één plek te structureren. Het is alsof je leest van de zestiende en zeventiende eeuw, als de staten de godsdienst volgen van hun leider. ‘Wie eigenaar is van een gebied, bepaalt de religie’ (‘Cuius regio, eius religio’), zoals de Conventie van Augsburg het zegt (1555). Zo neemt het joodse volk het land Kanaän in bezit. De overheid wijst de tempel in Jeruzalem aan als enige plaats waar de offerdienst wettig is.

Het is zeker in onze tijd van belang dat we ons bewust zijn hoezeer macht en religie in de traditie met elkaar zijn verbonden. We komen er bij het onderwerp ‘secularisatie’ op terug. Voor nu is het voldoende vast te stellen, dat macht in Israël wordt gebruikt om de dynamiek van het leven te dienen en om de gezamenlijke identiteit te ontwikkelen. Waar het naar ons besef heden ten dage op aankomt, is dat machtsuitoefening wordt (h)erkend en dat mensen die macht hebben zich publiekelijk laten bekritiseren en corrigeren. Daarover meer als het gaat over imago.

We stellen vast dat in Israël aanvankelijk de eredienst en het éne heiligdom het centrale bestuur ondersteunen. Als je een gemeenschappelijk doel wilt bereiken – of het nu het behoud van de aarde is of de belangen van een monarch – is een gemeenschappelijk verband conditio sine qua non en de religie kan daarin bijdragen, zo was de gedachte. De plaats waar men de cultus positioneert, wisselt al naar gelang het politieke zwaartepunt zich verplaatst. Aanvankelijk is Sichem de centrale locatie en tevens het centrum waar de stammen hun onderlinge verband bevestigen. Dat verschuift naar Silo, waar de ark is en van waaruit de rechtspraak plaatsvindt. Dan is het Gibeon, waar Salomo nog zijn godsdienstige geloofsbrieven laat zien (1 Koningen 3: 4-15). Uiteindelijk komt het heiligdom in Jeruzalem en ook daar komen politieke en religieuze belangen samen. 


Tempel


David vat als koning het plan op om een tempel te bouwen. De profeet Nathan ziet daar weinig heil in. Voor je er erg in hebt is de gekozen vorm belangrijker dan de spiritualiteit, is zijn gedachte. Een ritueel gebouw staat gemakkelijk de meer persoonlijke relatie in de weg. Maar David zet door en uiteindelijk geeft de profeet zich gewonnen. ‘Als het dan tot een gebouw moet komen, moet jij de bouwmaterialen maar verzamelen en je zoon Salomo mag de tempel bouwen. Jij niet. Want er kleeft bloed aan jouw handen…’ David heeft als legeraanvoerder talloze oorlogen gevoerd, dorpen uitgemoord en mensen om het leven gebracht. Hij is daarom niet geschikt bouwmeester te zijn van een heilig huis. 


David kon het heiligdom niet bouwen, omdat er geen vrede in zijn leven was. Jezus zal later diverse malen onderstrepen dat de vrede zich verbindt met mensen die dragers van de vrede kunnen zijn. Hij stuurt bijvoorbeeld in Lucas 10 zeventig (of 72) apostelen er op uit om de wereld het evangelie te brengen. Als ze mensen zonder vrede tegenkomen, moeten ze doorlopen. Maar als ze een huis binnengaan waar vrede is, moeten ze met vrede groeten en vaststellen dat er verbondenheid kan zijn met de groet: ‘Zonen van vrede’.


De profeet maakt duidelijk dat de bouw van een tempel tegemoet komt aan een menselijke behoefte aan een locatie. Op het moment dat je er voor kiest een tempel te bouwen, moet je consequent zijn, meent hij, en de plek met egards behandelen. De oprichting van een sacrale ruimte impliceert een onderscheid tussen profaan en heilig. Het verlangen naar een plek voor een geheimenis vraagt om een gebouw waar mensen respect voor laten blijken. 

Salomo bouwt de tempel. De kroniekschrijver doet er omslachtig verslag van. Hij verhaalt hoe Salomo het hout regelde, hoe de tempel werd ingericht en hoe tenslotte de ark, symbool van Gods aanwezigheid in de woestijn, naar de tempel wordt overgebracht en een plaats gaat innemen in het allerheiligste deel. God laat zich nog eenmaal zien op de manier waarop hij zichtbaar was in de woestijn. Zijn wolk vervult het hart van het huis; hij neemt intrek in het heiligdom. Koning Salomo vervult daarbij een rituele hoofdrol. Hij spreekt een gebed uit. Hij benoemt de oorspronkelijke opdracht heel summier als hij herinnert aan de reserve ten opzichte van David: ‘U hebt gezegd, dat David dat huis niet mocht bouwen, maar dat zijn zoon dat moest doen’. Salomo staat daarbij als een soort priester voor het altaar van de Heer, tegenover de gemeente van Israël. Hij heeft zijn handen uitgespreid naar de hemel als hij spreekt. ‘Heer, God van Israël, er is geen god zoals u, noch in de hemel daar boven, noch op de aarde hier beneden (…). Maar zou God werkelijk op aarde kunnen wonen? Zelfs de hoogste hemel kan u niet bevatten, laat staan dit huis dat ik voor u heb gebouwd’ (1 Koningen 8: 27). Er is dus vanaf het begin een besef dat de tempel een verlegenheidsoplossing is.

Politiek en religie blijven in het vervolg van de traditie nauw met elkaar verweven. De schrijver van de Bijbelboeken Koningen en Kronieken heeft daarbij sympathie voor de lijn van koningen die verbonden is met het tweestammenrijk. Hij ziet deze koningen als de legitieme opvolgers van David. En hij benadrukt de noodzaak om de politieke legitimiteit te koppelen aan religieuze zuiverheid. Er is een vast patroon van beoordelingen, waarbij religie en politiek in elkaar zijn gevlochten. Van Abiam staat er bijvoorbeeld: ‘Hij wandelde overeenkomstig alle zonden van zijn vader, die deze vóór hem gedaan had, en zijn hart was niet volkomen met de Here, zijn God, zoals het hart van zijn vader David’. Zelfs van een vorst als koning Achab, van wie bekend is dat hij een periode van materiële voorspoed wist te realiseren, is de eindevaluatie van de Bijbelschrijver toch negatief, omdat zijn religieuze oriëntatie halfslachtig is en deels aansluit bij de cultus van Jeruzalem, deels aansluit bij heidense alternatieven.

David en Salomo hebben de verschillende stammen tot een eenheid proberen te vormen. Dat is ook korte tijd gelukt. Maar – we beschreven het al in het vorige hoofdstuk – direct na de regering van Salomo valt het rijk uiteen in twee delen, respectievelijk van tien en twee stammen. Als de stammen zich scheiden, voltrekt zich ook een religieuze scheiding. Jerobeam brengt zijn eigen accenten aan, door de ene God (dat wel) krachtig af te beelden. De stieren in Dan en Bethel, strategisch gekozen plaatsen in het rijk, onderstrepen dat. De scheiding zet door al blijft er altijd een verlangen naar eenheid.

De tempeldienst houdt op als de tempel wordt verwoest. Hij blijkt niet opgewassen te zijn tegen het onrecht dat de joden in hun land laten bestaan. Ze zijn geroepen om de sabbatsjaren te houden en de armen recht te doen. Maar ze hebben, zo waarschuwen profeten, die wet veronachtzaamd en vallen in ongenade. De tempeldienst is zinloos geworden als er geen persoonlijke vroomheid garant staat om de offers kracht bij te zetten.

Aanvankelijk heeft de ark een plaats gekregen in de tempel. Maar als de legers uit Babel komen, het geweld escaleert, en de tempel wordt verwoest, raakt ook de ark zoek. Misschien nemen de Babylonische soldaten hem mee. Misschien verstoppen de priesters hem. Hoe het ook zij, de ark speelt vanaf dat moment geen rol meer en is uit de annalen verdwenen. Daarmee is de ontmoetingsplaats met God er niet meer. Als er ergens een relativerend moment te benoemen is voor iedere cultusplaats, dan is het dit. De ark, het meest oorspronkelijke symbool van Gods aanwezigheid in de wereld, is zoekgeraakt.


Harry Mulisch gaat in De ontdekking van de hemel daarop door. In de ark lagen immers de tien geboden. En ook die tien geboden zijn verdwenen. Maar Mulisch sluit niet uit dat ze nog ergens op aarde zijn. Quinten, de hoofdpersoon in zijn boek, vindt de tafels in Rome en gaat er mee naar Jeruzalem. En dan staat er: 'Opeens hoort Quinten een zacht knisteren. Het lijkt wel of het geluid uit de stenen tafelen komt. Het is of de grauwe korst leeft, zij beweegt, smelt, iets wil zich er onder vandaan worstelen. Letters. Het zijn letters! De tien woorden. Met allebei zijn handen graait hij er naar, maar de zwerm stijgt op in de koepel en verdwijnt door de zwarte ingang'. Mulisch brengt tot uitdrukking dat het besef van de tien geboden van de aarde verdampt. Mulisch – schrijver van deze tijd – ziet de religie verdwijnen. Wetenschap en techniek overheersen. Hij beschrijft hoe God als wetgever terugkomt op zijn oorspronkelijke gave en de wet weer terugneemt. Of je zo negatief naar secularisatie moet kijken, willen we verder op aan de orde stellen. Op dit moment is het voldoende te onderstrepen, dat vormen van religie en gekozen gestalten niet automatisch van één geslacht op een volgend geslacht overgaan.

Synagoge 


De ballingschap brengt de joden opnieuw door woest land. Velen van hen belanden in een andere cultuur, in Babel. Daar in den vreemde zoeken de joden naar een manier om het geloof weer gestalte te geven. Ze komen bijeen in een synagoge. Ze openen als geloofsgenoten onder elkaar de schriftelijke bronnen, die in rap tempo op schrift worden gesteld. Rabbi’s lezen de Thorarollen voor en leggen de teksten uit. De synagoge geeft de traditie een concrete plek. Van een offerdienst is geen sprake meer. De synagoge komt in de plaats van de tempel, weliswaar niet mentaal, maar wel de facto. Het leren neemt de plaats in van het offeren. Wijsheid creëert zich een plek naast de verzoening. Zo blijft het ten tijde van de ballingschap.


In iedere synagoge kan je een plek aanwijzen, waar de bouwers zijn gestopt en hun werk niet hebben afgemaakt. Je vindt er een ruwe steen of metselwerk dat ontbreekt. De omissie wijst op de noodzaak dat een ieder bijdraagt om het stenen gebouw van God zelf door zijn of haar manier van leven onder de mensen af te maken.


De uit ballingschap terugkerende joden zoeken naar herstel van hun identiteit. Ze realiseren dat onder meer door het herbouwen van de tempel. De tweede tempel is minder fraai dan de eerste. De hogepriester voltrekt er wel een ceremonie in het heilige der heiligen, maar hij kan geen bloed meer sprenkelen op de ark. Die is verdwenen. De joden passen het ritueel aan.

Dit is de situatie waarmee Jezus te maken heeft. Hij groeit op in Nazareth. Hij komt geregeld in de synagoge en is er later één van de voorgangers. Als hij volwassen is verplaatst zijn leven zich naar Kafarnaüm. Hij komt ook daar geregeld in de synagoge. Net als andere joden gaat hij regelmatig op bedevaart naar Jeruzalem, naar de tempel. Hij krijgt als jood deel aan de leerervaringen in de synagoge en als pelgrim participeert hij in de cultus van de tempel. 

Dat is de setting waarin de christelijke gemeente ontstaat en zich thuis voelt. De joodse christenen onderscheiden zich amper van joodse broeders en zusters. Jakobus, grondlegger van de joods-christelijke gemeente, heeft ‘eelt op zijn knieën als een kameel’ van het knielen in de tempel. De christenen combineren joodse gestalten met vernieuwde inhoud. Zij geloven net als de schriftgeleerden in een weg die niet ophoudt bij de dood, maar die over de grenzen van de ‘doodsjordaan’ heen naar nieuw leven leidt. De discipelen zijn als schriftgeleerden die ‘uit hun voorraad nieuwe en oude dingen tevoorschijn halen’ (Mattheüs 13: 52). De christelijke gemeente heeft geen behoefte om profiel te kiezen naast de joodse gemeente.


Veelkleurig begin


Paul S. Minear heeft een beschrijving gegeven van hoe het Nieuwe Testament spreekt over de kerk. Het zijn geen bouwtekeningen; het zijn metaforen. Minear noemt er tientallen. Om er een paar te noemen: zout der aarde, een brief van Christus, een vis(net), een boot, een ark, ongezuurd brood, tafel van de Heer, wijn, wijngaard, olijfboom, vijgenboom en vele andere. Minear stelt vast dat er sprake is van een grote spontaneïteit in het gebruik van beelden. De beelden zijn zo talrijk, dat ze nooit inperkend kunnen worden geanalyseerd. ‘De kerk is een goddelijk mysterie dat niet kan worden omschreven door een begripsmatig of institutioneel instrument’. Men moet de beelden niet tegen elkaar uitspelen, maar laten zien hoe ze elkaar aanvullen.

De veelkleurigheid van de kerk gaat terug op de veelkleurigheid van het Jodendom. Bert Jan Lietaert Peerbolte, hoogleraar Nieuwe Testament aan de Vrije Universiteit, wijst daarop in een interview. Het Jodendom uit het begin van onze jaartelling kent vele groepen en stromingen, en het christendom is vanaf het begin op een zelfde manier pluriform.

De discussie over de oorspronkelijkheid van de kerk duikt steeds weer op in oecumenische gesprekken. Geestelijken proberen te laten zien dat de eigen kerk oude wortels heeft en ze proberen daarmee de oorspronkelijkheid van hun denken te onderbouwen. Lietaert Peerbolte wil daar niet van weten. Christenen in het oosten beroepen zich bijvoorbeeld graag op Thomas. Rooms-katholieken verwijzen naar Petrus. En orthodoxe christenen trekken een lijn vanuit Marcus. ‘Blijkbaar hebben christenen een behoefte om zich als oud te presenteren, en willen ze het idee voeden dat ze teruggaan op een apostel. Dat is niet erg. Maar je moet je wel realiseren dat er al in de vroegste vorm van het christendom sprake is van grote pluriformiteit’.

Zouden studenten niet automatisch met meer gevoel voor oecumene in de kerk staan, als ze het begin van het christendom serieus zouden nemen? Lietaert Peerbolte: ‘Dat denk ik wel. Die pluriformiteit van het begin betekent niet dat je je eigen traditie moet opgeven, maar het betekent wel dat je je ook moet realiseren dat er andere vormen van religiositeit zijn’.

Als Paulus, de apostel der heidenen, samen met Barnabas een jaar lang in Antiochië werkt, maakt de Bijbel voor het eerst melding van de ontwikkeling van een christelijke identiteit los van het Jodendom. ‘En het gebeurde dat zij een heel jaar met de gemeente samenkwamen en een grote menigte onderwezen en dat de discipelen voor het eerst in Antiochië christenen genoemd werden’ (Handelingen 11: 26). De kerk zet daar een koers uit, onafhankelijk van de synagoge. 

Paulus komt in Korinte in aanvaring met de synagoge. Hij roept dat hij zich voortaan tot de ‘heidense’ volken zal wenden. We lezen: ‘Hij vertrok vandaar en kwam in het huis van iemand, genaamd Titius Justus, die God vereerde, wiens huis naast de synagoge stond’ (Hand. 18: 7). Het is een positie waarin de kerk tussen wal en schip geraakt. De breuk met het Jodendom zet zich door. En het duurt niet lang of er ontstaan ruzies en onenigheden. Paulus zegt: ‘Want scheuringen moeten er wel onder u zijn, wil het blijken, wie onder u de toets kunnen doorstaan’ (1 Kor. 11, 19).

Handelingen 15 beschrijft het eerste concilie, waar de christenen de nieuwe verhoudingen regelen tussen de kerk in het Oosten en die in het Westen. De lokale kerken van Jeruzalem en Antiochië erkennen elkaar als gelijkwaardige gestalten van de kerk. De één gaat zich op de joden richten, de ander op heidenen. Beiden zijn gelijkwaardig. Tegelijk merk je als je doorleest dat de Semitische variant aan invloed verliest en dat de Westerse variant aan invloed gaat winnen. Het centrum wordt verlegd van Jeruzalem naar Rome. De kerk heeft een liberaal spoor gekozen, waarbij christenen van heidense komaf verschillende joodse regels niet meer in acht nemen. De scheiding tussen joden en christenen is daarmee niet alleen theologisch van aard, maar ook een sociologisch gegeven. De kerk maakte een scheiding mee en verliest haar onschuld.


Spiegel


De oecumenische beweging kan zich spiegelen in duizenden jaren vormgeving. Je realiseert je hoe de context van het volk Israël bepalend is geweest voor de invulling van de joodse eredienst. Die invulling levert een spiegelbeeld op, een spiegelbeeld als in water: het glanzende evenbeeld vertekent de contouren, maar toch zie je jezelf. Het is een foto van een ander, die deels op je lijkt. De vergelijking met Israël voorkomt dat de kerk zich verliest in narcisme. De Tanach kan een bodem geven van respect en relativering. Hij beschrijft wisselende gestalten, die elk op een eigen manier identiteit verlenen. Naast de liturgische aanzet in de tempeldienst is er de meer verbale aanzet van de synagoge. De gestalten ontwikkelen zich al naar gelang de omstandigheden dat vereisen.


Paus Benedictus XVI heeft een unieke daad verricht in de geschiedenis. Hij heeft zijn ambt afgelegd op het moment dat het hem te zwaar werd. Hij heeft zich niet laten opslokken in de verplichtingen en de traditie. Hij heeft authenticiteit en eerlijkheid voorrang gegeven boven de vorm.


Diezelfde paus, die zich op zijn hoogwaardigheid zou kunnen beroepen, heeft dat niet gedaan, toen hij een boek schreef over Jezus van Nazareth. Hij schreef: 'Ik ben innerlijk lang onderweg geweest naar dit boek. Het is op generlei wijze een document van leergezag, maar enkel en alleen een uitdrukking van mijn persoonlijk zoeken “naar het gelaat van de Heer”. Iedereen is daarom vrij mij tegen te spreken’.


Als we de geschiedenis van Israël lezen, zien we dat de Geest al voor de vorming van de kerk diverse gestalten heeft gerealiseerd van hoe God onder mensen aanwezig is. Je merkt dat de Geest niet vast zit aan één vorm. De meest heilige vorm, want waarschijnlijk mag je de ark in het Oude Testament zo wel typeren, is helemaal verdwenen. En van de oorspronkelijke plek van verzoening, die van de tempel, is niet meer over dan een Klaagmuur.

Het is goed als kerken over onderlinge samenwerking spreken en over oecumene. Onder die kerkelijke samenspraak ligt de vraag hoe de christenen zich verhouden tot de synagoge. De kerk, schrijft Maarten den Dulk, ‘heeft het recht en de plicht steeds weer te zoeken naar een relatie met het Jodendom’. De verschillen hebben, zo blijkt dan, evenzeer met sociologie en politicologie te maken als met theologie. We hebben weliswaar theologische motieven voor wat we doen, maar onder de theologie zit vaak de routine van het leven, die we ons eigen hebben gemaakt in onze jeugd of ergens verderop in ons leven. En die ervaringen blijken vaak belangrijker dan het besef dat de theologie ons daartoe zou dwingen. Studie van hoe het was onder de joden, kan helpen om die eigen biografie iets vaker ter discussie te durven stellen.


Chaim Potok laat zien hoezeer onder theologische verschillen menselijke verhalen schuil gaan. Hij vertelt in het verhaal ‘Schimmen’ hoe hem verzocht werd te bemiddelen in een ruzie tussen een voorzitter van de Raad van de synagoge en een rabbijn. Vlak voor de opening van een nieuwe synagoge in Jeruzalem was ruzie ontstaan over de plaatsing van de stoelen. De één wilde een kooropstelling tegenover elkaar. De ander wilde rijtjes achter elkaar. De bemiddelaar bezoekt de beide opponenten afzonderlijk. De rabbijn vertelt: ‘Ik zie de synagoge voor me waar ik voor de oorlog rabbijn was, in Bratislava. Mijn vrouw en ik hadden geen kinderen, maar de vele kinderen van de gemeente waren onze kinderen. Ik zie ze daar nog zitten. Geen van hen heeft de oorlog overleefd. Nu wil ik dat deze nieuwe synagoge er zo uitziet als de synagoge daar in Tsjecho-Slowakije, waar die kinderen zo graag kwamen’. Even later is de bemiddelaar bij de voorzitter. De voorzitter vertelt: ‘Ik woonde voor de oorlog al in Jeruzalem en voelde me er vrij. We konden goed opschieten met de Palestijnen. Onze zoon speelde vaak met ze. Een prachtige zoon was het. In 1948 werd hij doodgeschoten en verminkt. Nu wil ik dat deze synagoge er zo uitziet, als de synagoge waar hij graag wilde bidden’.