Hoofdstuk 2: Gestalten



2. Gestalten

Kerken zien er verschillend uit. Ze hanteren verschillende riten. Achter de vorm zit een onderscheid in visie. De Raad van Kerken probeert daarvoor bij de achterban begrip te kweken. Eén manier om de ander beter te begrijpen kan zijn, dat je terugdenkt aan hoe het allemaal begon. We kijken dan niet naar de vroege kerk. We beginnen eerder. Bij de eerste verhalen in de canon. Bij de joodse nomaden. Daar waar God mensen aanspreekt. En waar mensen hem antwoorden. We oriënteren ons op de woestijn. Op het moment dat God zich verbindt met een volk.   

Het geloof zet in met een woord. Adam weet zich aangesproken. Hij antwoordt, eerst met woorden, dan met daden en daarna volgt de symboliek. Zijn kinderen, Kaïn en Abel, brengen als eersten een offer. En met die vormgeving ontstaat de discussie. Kaïn offert van de opbrengst van de aardbodem. Abel legt een dier op zijn altaar als geschenk. God wijst het offer van Kaïn af en accepteert dat van Abel. De tekst stelt het plompverloren vast en laat de lezers met vragen achter. Waarom is het geschenk van de één wel en dat van de ander niet aangenomen? Er is amper verschil tussen de broers, of het zou hun beroep moeten zijn: de één is landbouwer, de ander schaapherder.

Kaïn is verder gegaan in het spoor van Adam, die geroepen was de tuin te beheren en die met de grond verbonden bleef, nadat de grond vervloekt was, zegt een commentaar. Abel neemt een andere beslissing, hij wordt nomade, iemand die met zijn kudde rondtrekt en zich niet op één plaats vestigt. Hij moet zich telkens losmaken van de plaats waar hij zich bevindt, het vreemde onder ogen zien, open staan voor eindeloze verten. Hij loopt minder gevaar dat hij zich aanpast aan het bestaande of dat gebruiken hem vasthouden. De midrasj, een joodse uitleg, ziet in de herder iemand, die de menselijke relaties, de historische, psychologische en geestelijke aspecten van het mens-zijn behartigt, terwijl de landbouwer zich meer wijdt aan de grond en de weg opent naar economie, techniek en wetenschap. ‘De herder is in de boeken van Mozes en de profeten degene die mensen vrij maakt. Abraham, Isaak, Jakob, Mozes, David en sommige profeten waren schaapherder alvorens herder van mensen te worden’. Kaïn staat voor gevestigde macht. Hij heeft zijn broer doodgeslagen en de logische consequentie is, dat hij dolend en dwalend verder over aarde rondgaat. Kaïn wordt als het ware verplicht om weer nomade te zijn (Genesis 4, 14).

Er is aanvankelijk geen vaste plaats om te offeren. Net zo min als er een vaste woon- of verblijfplaats is voor de mensen. Zo was het nog ten tijde van de aartsvaders. De pater familias Abram neemt zijn familie mee uit het Oosten. Hij krijgt de opdracht ‘Ga uit uw land’. Hij gehoorzaamt en maakt zich los van zijn geboortestreek. Voor het besef in die tijd maakt hij zich daarmee los van zijn god, omdat die god aan één plaats gebonden zou zijn. Maar Abram gelooft, dat God met hem meereist en hem begeleidt naar beloofd land. Abram kent zijn onzekere momenten, maar dat benauwt hem niet. Het zijn juist momenten waarop de band met God zich versterkt. Terwijl de vragen van de dag zich kunnen ophopen, groeit hij in vertrouwen.

Noordmans vergelijkt Abram met Don Quichot. Er zitten overeenkomsten tussen Genesis en het boek van Cervantes. Noordmans stelt vast dat er bij beide sprake is van dolende ridders. Zij hebben ‘geen blijvende stad’ (Hebreeën 13: 14). Ze blijven zwerven en komen niet tot rust. Zowel Abram als Don Quichot weten nooit goed waar ze zijn, hier of in het land dat God hun zal wijzen. ‘Abram doet niets dan scheiden. Scheiden van zijn vader; van zijn neef Lot; van Hagar. Wat zijn dat voor ledige ruimten, die daartussen ontstaan?’ Het zijn onzekere momenten in zijn leven, die hij onder ogen durft te zien. ‘Abram was zich bewust van de dynamiek van deze leegten in zijn leven. Hij wist, dat God leegten nodig heeft om te kunnen scheppen en dat het met het geloof evenzo gesteld is’. Het geloof, zo citeert Noordmans Hebreeën, is immers een vaste grond der dingen, die men hoopt, en een bewijs der zaken die men niet ziet. ‘Het is dus niet raadzaam deze leegten, die ons verschrikken en die ons verhinderen van het leven een vriendelijk beeld te maken, met iets anders op te vullen. Zij staan heel nauw met het geloof, met God in verband’.

Abram bereikt uiteindelijk Kanaän. Hij is dankbaar en brengt God een offer (Genesis 12: 8). Daarna trekt hij verder, richting Zuiderland. En als de honger toeslaat gaat hij nog verder, richting Egypte.


Abraham past zich geregeld aan bij wat de omgeving op religieus gebied van hem vraagt. Guus Kuijer geeft daarvan in zijn boek over Genesis een curieus voorbeeld. De aartsvader is uitgeweken naar Egypte vanwege de droogte in Kanaän. Hij merkt dat de dienaren van de farao hun oog laten vallen op zijn vrouw, die er bekoorlijk uitziet. Hij geeft haar de instructie: ‘Zeg maar, dat je mijn zuster bent’. Niet gehinderd door schroom neemt de farao Sara tot zijn eigen vrouw. Overeenkomstig de religieuze overtuiging van de Egyptenaren moet Sara de wellust van farao opwekken, om op die manier continuïteit te geven aan de vruchtbaarheid van het land. Maar de farao is oud geworden en qua erotische gevoeligheid op leeftijd gekomen. De missie van Sara mislukt en daarmee blijft de dreiging over het land Egypte bestaan, dat de seksuele onvruchtbaarheid van de farao zich zal weerspiegelen in de onvruchtbaarheid van het land.  


Abraham sterft zonder vaste woon- of verblijfplaats te hebben gekregen. Het graf waarin hij komt te liggen, is zijn eerste eigendom. Na Abraham komt Isaak. Na Isaak volgt Jakob. Alle aartsvaders zijn herders, die weliswaar hun vaste waterbronnen steeds weer opzoeken, maar die blijven rondgaan. Je krijgt de indruk dat ze geregeld dezelfde plaatsen aandoen, en daar ook offeren. Isaak combineert het aanleggen van een waterput en het bouwen van een altaar zelfs met elkaar (Genesis 26: 25). Maar hij richt geen permanente offerplaatsen op, waar de gelovige met regelmaat een ritueel uitvoert.

Bij Jakob heeft het heiligdom nog steeds iets van de oorspronkelijke vluchtigheid. Letterlijk. Als Jakob op de vlucht is voor zijn broer Esau, heeft hij ’s nachts bij Bethel een droom. De plek is hem als ‘een poort naar de hemel’, tegelijk is het een grensstation naar een ander land, oostwaarts, vergelijkbaar met de ‘boog van St. Louis’, het symbool van de pioniers in de Verenigde Staten, op de plaats van waar zij in de negentiende eeuw massaal westwaarts, naar nieuwe gebieden verhuisden. Jakob beleeft zijn nachtgezicht als een openbaring en hij drukt dat ritueel uit door het uitgieten van olie over een rotssteen. Hij wijdt de plek, wellicht ondersteund door ervaringen vanuit zijn opvoeding.

Er is steeds een besef dat de God van Abraham, Isaak en Jakob een persoonlijk karakter heeft. De relatie overstijgt het gekozen ritueel. Het ritueel sluit aan bij wat andere volkeren gewend zijn. Als Jakob zich vestigt op één plaats, krijgt de liturgie een vastere gestalte. Jakob woont na zijn verblijf in het buitenland in de buurt van Sichem. Hij richt daar een altaar in en geeft het een naam: ‘De God van Israël is God’ (Genesis 33: 20). 

Jakob moet tegen het einde van zijn leven door de hongersnood gedreven uitwijken naar Egypte. Hij brengt offers aan de God van zijn vader, op de plek waar zijn vader een altaar heeft ingericht, in Berseba (Genesis 46: 1) en hij vertrekt. Daarna valt het stil wat de vermelding van offerplaatsen betreft. De generaties volgen elkaar op en leven lange tijd in Egypte.


Tabernakel 


De geboorte van Mozes luidt een nieuwe periode in. Mozes is een bijzondere man, die de wetenschappelijke kennis van Egypte, geleerd aan het hof van de farao, weet te combineren met de praktische vaardigheden die je nodig hebt in de woestijn, dat laatste leerde hij tijdens zijn ballingschap in de Sinaï. Beide eigenschappen komen goed van pas als hij het volk Israël uit Egypte leidt.

Mozes is goed op de hoogte van wat er in zijn tijd aan religie is te vinden. Hij kent de piramiden en de gevoelens die de Egyptenaren er in uitdrukken. Hij kent de donkere ruimte, bijna een kubus, in het hart van de piramide, de leegte en de heilige betekenis. En hij heeft in de woestijn kennisgemaakt met de religieuze praktijken van de woestijnvolken. We weten hoe de woestijnvolken hun religie vorm hebben gegeven. Bij opgravingen in de Negev zijn Kanaänitische tempels gevonden. Bij Arad is een tempel blootgelegd met een voorhof, een heilige ruimte en een ‘heilige der heiligen’. Die driedeling keert terug in de joodse tabernakel. De joden laten zich bij de vormgeving van hun geloof inspireren door hun omgeving. Ze passen de vorm aan, maar de relatie met God blijft uniek.

Het volk zoekt ten tijde van de woestijnreis naar een liturgische vorm. Het Bijbelboek Leviticus beschrijft tot in de details hoe het heiligdom en de cultus worden ingericht. Het contact met God raakt iets van zijn spontaneïteit kwijt.


Bijbeluitgevers in de Verenigde Staten hebben sinds 1909 in Nashville, Tennessee, de gewoonte ontwikkeld om zogenaamde red-letter-editions van de Bijbel te maken. Ze drukken in dergelijke uitgaven de citaten van Jezus in een afwijkende rode letter. Je ziet daardoor direct wat Jezus als tekst zou kunnen hebben uitgesproken. Sinds 2008 zijn er ook uitgaven met gekleurde citaten van God in het Oude Testament. Opvallend genoeg blijkt Leviticus het Bijbelboek te zijn met de meeste gekleurde teksten. Met andere woorden: God zelf formuleert hoe de tabernakel vorm moet krijgen en de liturgie ingevuld moet worden. De auteur geeft daarmee gezag aan het instituut.  


De nomaden in de woestijn benoemen talloze details. De woestijn is daarmee de bakermat van het geweten in dubbele zin. Het is de plek waar de wet op schrift wordt gesteld en het is de plaats waar het heiligdom en de liturgie gestalte krijgen. Het volk trekt van Egypte naar beloofd land en vormt zich een identiteit. De invulling van de eredienst draagt daaraan bij. 

De beschrijving van de liturgie laat enige spanning zien tussen structuur en flexibiliteit. Meest duidelijk spreekt die flexibiliteit uit de manier waarop God zelf aanwezig is. Hij manifesteert zich in de natuurelementen. Overdag is er een wolk. Een wolk is een schaduw en daarmee rust in de woestijn. Het is een belofte van regen. De wolk maakt God zichtbaar en verhult tegelijk. God is ’s nachts een vuur. Vuur is warmte als het afkoelt in de woestijn; het beschermt tegen de wilde dieren die ’s nachts actief zijn; het geeft licht in het donker.

De Israëlieten maken gebruik van symbolische voorwerpen om hun geloof tot uitdrukking te brengen. Er is een wasbekken in de voorhof en een altaar om te offeren. In het wasbekken zit water. Het verwijst naar de noodzaak van reiniging. Op het altaar ligt vuur. Het vuur laat offerdieren in rook opgaan. Het beeld ontstaat van leven dat opstijgt en zich een weg baant naar de dimensie van leven bij God. Water en vuur leggen de verbinding met de wolkkolom en de vuurkolom.

De ark is het hart van de tabernakel. De ark krijgt later een plaats in de tempel als herinnering en verwijzing naar de woestijn. De Midrash Rabbah (een oud Joods geschrift) legt uit dat het spirituele geloof een gestalte krijgt om daarin mensen in hun visuele oriëntatie tegemoet te komen. God zegt: 'Maak een schuilplaats voor de Herder, zodat hij kan komen en jullie kan voeden'. De ark ziet er kostelijk uit. ‘Laat van acaciahout een ark maken. Overtrek die met zuiver goud', zegt Exodus 25: 10. Als je eenmaal de drempel overgaat, blinkt het kostbare materiaal je tegemoet. Dat is ook geen wonder, want de ark is het voorportaal van de hemel. Cherubs houden er de wacht in het allerheiligste en versperren de toegang tot de boom des levens. Anders zou je maar zo bij God kunnen binnenlopen.

In de ark liggen tien woorden. Eigenlijk is het een contract. God en Mozes sluiten een verbond en de tekst bezegelt het. De tekst ligt in een ark. Je mag ook vertalen: in een kist. We komen die ark vaker tegen. Je vindt de ark in de synagoge. De joden bewaren er de Thorarol. Je komt Mozes tegen in een ark als hij dobbert op de Nijl. Noach vaart in een ark. En Jozef zijn gebalsemde lichaam ligt in een ark als hij van Egypte naar Israël gaat. De ark is een voorraadkist. Het is een bewaarplaats, bedoeld om kostbaar leven veilig te stellen. En dat is precies wat die tien woorden zijn, woorden van leven, woorden, die mensen weghouden uit slavernij.

Er zit een plaat op de kist. Een plaat van ontzondiging, noemt Cees Houtman hem. Een verzoendeksel. Het onderstreept de noodzaak van zuivering. Het heiligdom is er om vergeving van God te ontvangen en het contact te herstellen. Daarvoor wordt er een ritueel uitgevoerd. Er komt een ambtsdrager aan te pas. De hogepriester sprenkelt bloed in het heiligdom. Het bloed draagt het leven. Er zitten ringen in de ark. Je mag de ark niet maar zo aanraken. De ringen handhaven de distantie. Voor je het weet ben je het besef van heiligheid kwijt en denk je, dat je God naar je eigen hand kunt zetten; dat het God geen moeite kost ons te vergeven. Je hebt God niet in je greep. De tabernakel wordt op zijn plaats gehouden door tentpinnen, die gemakkelijk weer kunnen losschieten. God laat zich niet vastpinnen op één plaats. Hij blijft flexibel. 


Confucius vertelt een verhaal over een groep reizigers. De reizigers trekken door het land en komen voor een rivier te staan. Dat is lastig. Goede raad is duur. Tot iemand een idee oppert om hout te verzamelen. Dat doen ze. Ze bouwen daarvan een vlot. Met het vlot gaan ze naar de overkant. Ze nemen daarna het vlot op de schouders en dragen het mee op hun verdere tocht. Probleem is alleen dat ze daarna nooit meer een rivier zijn tegengekomen. Zo wordt datgene wat hen eerst heeft geholpen alleen maar ballast.


Macht 

‘Het is duidelijk dat de verhalen over het verblijf in de woestijn en de verovering van Kanaän naar een schema geordend zijn, ten bate van “geheel Israël” en ten nadele van de afzonderlijke stammen’, zegt De Vaux. Hij laat zien hoe de sociale structuur en de religieuze structuur met elkaar verbonden zijn. De politieke situatie verandert; de inrichting van de cultus verandert mee. Het overheidsbestuur wordt gecentreerd en daarmee ontstaat er ook een belang om de cultus vanuit één plek te structureren. Het is alsof je leest van de zestiende en zeventiende eeuw, als de staten de godsdienst volgen van hun leider. ‘Wie eigenaar is van een gebied, bepaalt de religie’ (‘Cuius regio, eius religio’), zoals de Conventie van Augsburg het zegt (1555). Zo neemt het joodse volk het land Kanaän in bezit. De overheid wijst de tempel in Jeruzalem aan als enige plaats waar de offerdienst wettig is.

Het is zeker in onze tijd van belang dat we ons bewust zijn hoezeer macht en religie in de traditie met elkaar zijn verbonden. We komen er bij het onderwerp ‘secularisatie’ op terug. Voor nu is het voldoende vast te stellen, dat macht in Israël wordt gebruikt om de dynamiek van het leven te dienen en om de gezamenlijke identiteit te ontwikkelen. Waar het naar ons besef heden ten dage op aankomt, is dat machtsuitoefening wordt (h)erkend en dat mensen die macht hebben zich publiekelijk laten bekritiseren en corrigeren. Daarover meer als het gaat over imago.

We stellen vast dat in Israël aanvankelijk de eredienst en het éne heiligdom het centrale bestuur ondersteunen. Als je een gemeenschappelijk doel wilt bereiken – of het nu het behoud van de aarde is of de belangen van een monarch – is een gemeenschappelijk verband conditio sine qua non en de religie kan daarin bijdragen, zo was de gedachte. De plaats waar men de cultus positioneert, wisselt al naar gelang het politieke zwaartepunt zich verplaatst. Aanvankelijk is Sichem de centrale locatie en tevens het centrum waar de stammen hun onderlinge verband bevestigen. Dat verschuift naar Silo, waar de ark is en van waaruit de rechtspraak plaatsvindt. Dan is het Gibeon, waar Salomo nog zijn godsdienstige geloofsbrieven laat zien (1 Koningen 3: 4-15). Uiteindelijk komt het heiligdom in Jeruzalem en ook daar komen politieke en religieuze belangen samen. 


Tempel


David vat als koning het plan op om een tempel te bouwen. De profeet Nathan ziet daar weinig heil in. Voor je er erg in hebt is de gekozen vorm belangrijker dan de spiritualiteit, is zijn gedachte. Een ritueel gebouw staat gemakkelijk de meer persoonlijke relatie in de weg. Maar David zet door en uiteindelijk geeft de profeet zich gewonnen. ‘Als het dan tot een gebouw moet komen, moet jij de bouwmaterialen maar verzamelen en je zoon Salomo mag de tempel bouwen. Jij niet. Want er kleeft bloed aan jouw handen…’ David heeft als legeraanvoerder talloze oorlogen gevoerd, dorpen uitgemoord en mensen om het leven gebracht. Hij is daarom niet geschikt bouwmeester te zijn van een heilig huis. 


David kon het heiligdom niet bouwen, omdat er geen vrede in zijn leven was. Jezus zal later diverse malen onderstrepen dat de vrede zich verbindt met mensen die dragers van de vrede kunnen zijn. Hij stuurt bijvoorbeeld in Lucas 10 zeventig (of 72) apostelen er op uit om de wereld het evangelie te brengen. Als ze mensen zonder vrede tegenkomen, moeten ze doorlopen. Maar als ze een huis binnengaan waar vrede is, moeten ze met vrede groeten en vaststellen dat er verbondenheid kan zijn met de groet: ‘Zonen van vrede’.


De profeet maakt duidelijk dat de bouw van een tempel tegemoet komt aan een menselijke behoefte aan een locatie. Op het moment dat je er voor kiest een tempel te bouwen, moet je consequent zijn, meent hij, en de plek met egards behandelen. De oprichting van een sacrale ruimte impliceert een onderscheid tussen profaan en heilig. Het verlangen naar een plek voor een geheimenis vraagt om een gebouw waar mensen respect voor laten blijken. 

Salomo bouwt de tempel. De kroniekschrijver doet er omslachtig verslag van. Hij verhaalt hoe Salomo het hout regelde, hoe de tempel werd ingericht en hoe tenslotte de ark, symbool van Gods aanwezigheid in de woestijn, naar de tempel wordt overgebracht en een plaats gaat innemen in het allerheiligste deel. God laat zich nog eenmaal zien op de manier waarop hij zichtbaar was in de woestijn. Zijn wolk vervult het hart van het huis; hij neemt intrek in het heiligdom. Koning Salomo vervult daarbij een rituele hoofdrol. Hij spreekt een gebed uit. Hij benoemt de oorspronkelijke opdracht heel summier als hij herinnert aan de reserve ten opzichte van David: &lsquo