Slavernijverleden in Overijssel

Toen ik in 2013 als algemeen secretaris van de Raad van Kerken in Nederland het voortouw nam om met een slavernijverklaring te komen, had ik niet kunnen bevroeden dat het om een geschiedenis ging die zeven jaar later zoveel zou losmaken. Gelukkig maar. En ik had niet kunnen bevroeden dat Overijssel qua historie zo sterk met het slavernijverleden zou zijn verweven. Dat laatste wordt nu zichtbaar dankzij de IJsselacademie die al 800 documenten heeft geoormerkt als bewijs dat slavernij niet alleen iets is van Holland, maar ook van Overijssel.

Wat in 2013 wel direct duidelijk was, dat er onder witte Nederlanders veel verzet is om over het slavernijverleden te praten. Het is dan ook geen leuke boodschap. Nederland was het laatste land ter wereld dat de handel in slaven verbood. Het zou tot 1863 duren voor er een verbod kwam; dat is een generatie nadat Engeland en Frankrijk – toch ook geen lieverdjes – al een verbod hadden doorgevoerd. En om de ‘pijn’ voor de liberale eigenaren van slaven te verzachten verplichtte de Nederlandse overheid de baten en lasten-calculatie van de meest liberale elites in Nederland door de slaven nog tien jaar te verplichten tegen enige vergoeding op de plantages in Suriname te blijven werken, zodat de eigenaren naar alternatieve werklieden konden uitzien. Het zet ons Nederlanders te kijk als mensen met een grote mond als het gaat over mensenrechten ergens op de wereld, maar met een klein hartje als het over onszelf gaat.

Het is de verdienste van scriba dr. Bas Plaisier dat de verklaring er kwam; hij drukte me al bij mijn aanstelling als algemeen secretaris in 2008 op het hart: ‘Ik heb geen bijzondere tips voor je dan deze ene: Vergeet niet in het jaar 2013 naar buiten te treden over het  slavernijverleden van Nederland. Want daar rust een zware verantwoordelijkheid op onze blanke schouders’.

Oppositie

Er was in 2013 toen we toe werkten naar een verklaring trouwens onverwacht veel oppositie. Ik had daar niet op gerekend, moet ik eerlijk zeggen. De oppositie kwam van sommige kerken, van wie de woordvoerders zeiden: ‘Wij waren zelf vervolgd in Nederland en moesten ons verborgen houden in schuilkerken’. Anderen zeiden: ‘Wij komen uit een regio waar we nooit een cent hebben gezien van de slavernij, integendeel: onze arbeiders werden zelf als slaven behandeld’. En weer anderen zeiden: ‘We zoeken een klinkend bewijs, dat we inderdaad betrokken zijn en zeker wanneer we als kerken zoiets als een schulderkenning formuleren’ en  rijke diaconieën en kerkrentmeesters met veel vermogen ageerden: ‘Een verklaring mag als het maar niet over de centen gaat die wij als vermogen hebben belegd ten dienste van de armen’. Nog weer andere reacties: ‘Die hele slavernijgeschiedenis is toch al lang verjaard, dat was toch iets van de Romeinen?’ en ‘Er waren toch ook veel mensen met wie we ons verwant voelen die tegen de slavernij hebben geageerd’. En nog een andere: ‘Het was toch vooral de overheid en de VOC die de slavernij in stand hebben gehouden, daar staan wij als kerk toch buiten?’

In de meeste oppositie zat iets of weinig van waarheid, de argumenten dienden vooral om het hele thema van tafel te krijgen. Dat is niet gelukt. In 2013 kwam er een tekst, die tot op het laatst is geamendeerd door leiders van kerken binnen de Raad.  Het ging bijvoorbeeld over de vraag of de woorden ‘schuld belijden’ in de mond mochten worden genomen. Het werd uiteindelijk: ‘Wie kan de schuld vergeven en vergiffenis aanreiken voor mensen die zelf geen woorden meer in de mond kunnen nemen en die tot het einde van hun leven in slavernij hebben moeten doorbrengen? We realiseren ons dat we te laat spreken, te weinig op het goede moment de goede inzichten hebben gehad en ons hebben laten leiden door misplaatst winstbejag en machtsmisbruik. Het is een vorm van onrecht, die doorwerkt tot in de huidige generatie toe, waar een deel van onze samenleving is gebouwd op misbruik van anderen en waar discriminatie onvoldoende wordt uitgebannen’. Het zat er allemaal in: het spreken over schuld, over de noodzaak vergiffenis te ontvangen, het onrecht, de doorwerking tot in de huidige generatie; maar door gebruik te maken van de vragende vorm en het verwoorden dat iedere vorm van boete te kort doet aan mensen die in het verleden leefden kon via de ontkennende vorm toch een statement worden gemaakt.  

Ik had me niet gerealiseerd trouwens dat er na het uitbrengen van de reacties nog zoveel verontwaardigde mail naar mijn kant zou komen. Wie ik was om namens kerken zoiets naar voren te brengen? Of ik ook nog iets wilde verklaren over de moord op Bonifatius? Of de vermogende kerken en diaconieën nu het chequeboekje zouden gaan trekken? Het gaf ook hernieuwde consequenties voor mijn eigen werk: een ambassadeurschap van The Black Movement, die me jaarlijks uitnodigde voor een maand waarin zwarte artiesten werden gepromoot, te beginnen met een feestavond in de Amsterdamse schouwburg; een ambassadeurschap van NiNsee, het Nationaal instituut Nederlands slavernijverleden en een ambassadeurschap bij Sofak, de organisatie die migranten aan kerkgebouwen probeert te helpen. Toen we het moment herdachten dat het 150 jaar geleden was dat de handel in slaven was afgeschaft tijdens het Keti-Koti-feest was prinses Beatrix te gast in de kerkdienst van de Evangelische Broedergemeente. Toen ik laat in de avond in de trein naar huis ging van Muiderpoort naar Kampen was ik één van de weinige witte mensen, het waren vooral zwarte mensen die het feest afsloten en mij vriendelijk groeten in de trein, omdat ze de blonde man herkenden van een video waarin in tien seconden iets over de slavernijverklaring van de kerken werd gezegd. De verklaring kreeg de nodige aandacht via de media. Enkele landelijke kranten schreven er over. En bij Knevel en van den Brink mocht ik uitleggen op televisie wat de verklaring voorstelde. De NOS bracht het later als bericht in breder verband.

Wonderlijk blijft het dat nu pas zeven jaar later het idee onder de verklaring breed in de media naar voren komt. De kerken zelf refereren weinig aan de tekst uit 2013. Het is nu eenmaal niet leuk om je eigen zonden te blijven oprakelen. En de kerk was ook maar een klein onderdeel van een systeem dat als geheel niet deugde. Als Raad van Kerken hadden we er een breed programma om heen gezet, waarbij ik me nog levendig de tocht herinner die we door Utrecht maakten langs de pakhuizen waar de goederen destijds uit de Oost en West waren ondergebracht en de stop die we maakten bij een grafmonument in de Jacobikerk, waar een handelaar in slaven een grote grafsteen kreeg, waarbij hij op een klein hoekje een rozet liet plaatsen van een negerin, een maîtresse die hem op zijn eeuwigheidsreis mocht vergezellen.

Deventer

De IJsselacademie maakt nu zichtbaar dat ook de provincie Overijssel deelt in het slavernijverleden. De schepen van de VOC kwamen geregeld in de haven van Blokzijl. De eerste multinational bouwde aan de vloot met 2000 schepen alleen door hout te gebruiken dat uit Deventer kwam. Onder de vloot trof je dan ook een schip dat de naam Deventer op de boeg voerde. Het stadsbestuur van Deventer en een aantal kooplieden in Deventer namen in 1624 voor 100.000 gulden deel aan de pas opgerichte West-Indische Compagne, die zijn geld verdiende met de Trans-Atlantische slavenhandel. Buitenplaatsen bij Dalfsen als De Horte en Dieze kwamen tot stand met geld van Matthias van Rhijn, die zijn geld verdiende in de Oost als opperkoopman. De oud-Indië-gouverneur Duymaer van Twist liet de havezate Nieuw Ronde bij Diepenveen bouwen met geld uit de Indische markt onttrokken. Het is tegen die achtergrond logisch dat de Enige Rijks Koloniale Landbouwschool in Nederland vanaf 1912 in Deventer belandde. Daar was ook het Nationaal Landbouwmuseum.

Godert Willem van Dedem tot den Berg uit Dalfsen bezat 1/63ste aandeel in de plantage ’t IJland in Suriname. Caroline van Dedem barones uit Zwolle had een zelfde aandeel. Johanna Theodora van Dedem barones uit Dalfsen had 2/1764ste aandeel. De familie De Vos van Steenwijk uit Vollenhove had aandelen in hetzelfde ’t IJland en Peperpot. Bij de afschaffing van de slavernij in 1863 ontvingen de Van Dedems en De Vos van Steenwijk nog jarenlang een financiële compensatie van de Nederlandse regering voor het verlies van hun eigendom. Ook de vrouw van de commissaris van de koning, Cornelis Backer, was mede-eigenaar van een plantage waarop slavenarbeid werd verricht, net als een zekere Femmetje Reijns uit Goor en tientallen andere inwoners uit Overijssel, schrijft historicus Martin van de Linde van de IJsselacademie.

Het oudste graf van een moslim in Nederland, voor zover bekend, is in Overijssel te vinden. Lepejou, geboren op Celebes in Indië, overleed op 28 juli 1828 en kreeg een graf in Haerst bij Zwolle.

De bibliotheek in Kampen is gehuisvest in de Van Heutszkazarne, vernoemd naar de gouverneur-generaal Jo van Heutsz, geboren in Coevorden, toegetreden in 1867 tot het instructiebataljon in Kampen, en overleden in Montreux, die bekend is geworden van zijn contra-guerrilla in Atjeh, Sumatra. Hij speelde trouwens ook nog een verdienstelijke rol bij het oprichten van het Tropeninstituut in Amsterdam.

Je vraagt je met de kennis van tegenwoordig af hoe bijvoorbeeld de kerk zich verhield tot dergelijke praktijken. Het is een ingewikkelde vraag. Allereerst omdat predikanten het in de zeventiende en achttiende eeuw niet altijd even breed hadden. Ze hadden de handen vol, om zo te zeggen, aan het rondbreien van hun eigen huishoudportemonnee. Het was de adel die de dienst uitmaakte. In de dorpen waar de adel de scepter zwaaide hadden de predikanten het slecht. Jonker Johan van Steenwijk, zo klaagde een Overijssels predikant in 1594, die aanspraak maakte op het jus patronatus (inkomsten uit pastoriegoederen), vergaf de pastoriegoederen aan anderen dan de predikant. De synode stond daarbij machteloos. Het is bekend dat predikanten in allerlei plaatsen armoede leden, zoals die in: Merckel, Borne, IJhorst, Ens, Isselmuyden, Sallick, Cuynder, Blanckenham, Wanneperveen en Zwartsluis. Er gingen arme predikanten, vaak zelfs mensen die het qua titel niet verder brachten dan ziekenbroeders, mee op de schepen.

Van Hoëvell

In de steden hadden de predikanten het beter. En er waren ook predikanten met een adellijke achtergrond. Eén van hen is ds. Wolter Robert baron van Hoëvell. Hij was geboren in 1812 in Deventer. Hij werkte van 1837 tot 1848 als predikant in Batavia, het latere Jakarta. Hij staat juist bekend als pleitbezorger voor de afschaffing van de slavernij. Hij schreef in 1854 het boek ‘Slaven en vrijen’, dat met de Max Havelaar van Multatuli als de meest kritische exponent van het Nederlandse regime in de vreemde geldt. Van Hoëvell beschreef de wantoestanden op de plantages in Suriname, hoewel hij daar zelf nooit was geweest.

Hij vertelde van een plantage-eigenaar die te maken kreeg met een dood geboren kalfje. In plaats van zijn verlies te nemen liet hij slaaf Herman straffen. Herman werd zonder eten en drinken opgesloten in een koffieloods. En toen hij eenmaal hongerig en dorstig geworden was, zette hij hem een zwaar gezouten haring voor. Het zout brandde in de buik van de slaaf, die uiteindelijk door alle pesterijen gekweld uit een raam sprong en zichzelf van het leven beroofde. Een ander voorbeeld gaat over een slaaf die vele stokslagen kreeg, toen hij iets te lang naar een vierspan met paarden keek, dat passeerde. Het vastleggen van de verhalen heeft bijgedragen aan het besef dat zelfs Nederland uiteindelijk in 1863 zich gewonnen moest geven en afscheid moest nemen van een regime dat zich verrijkte, letterlijk over de ruggen van andere mensen. Van Hoëvell had daarbij de nodige invloed dankzij zijn lidmaatschap van de Tweede Kamer. Als afgevaardigde namens het kiesdistrict Almelo trok hij samen op met zijn geestverwant B.W.A.E. baron Sloet tot Oldhuis.

De vraag die blijft is: Is de slavernij werkelijk afgeschaft of is er sprake van een systeem waarbij mensen met macht, geld en een westerse naam nog steeds op voorsprong liggen in de samenleving? Überhaupt kan je vragen stellen bij al die mensen die met beleggingen geld weten te cumuleren en de daarbij passende vraag: Als ze zelf dat geld niet met de handen hebben verdiend, wie heeft het dan voor hen bij elkaar geschraapt?

Negro-spirituals

Tijdens de campagne die we in 2013 voerden als Raad van Kerken brachten we ook de culturele verdiensten van de slaven naar voren. De negrospirituals zouden niet zijn ontstaan, als de slaven niet de teksten van het evangelie aangereikt hadden gekregen en die in allerlei toonsoorten een plek gaven om hun eigen bestaan fundament te geven.

Go down Moses
Way down in Egypt land
Tell all pharaoes to
Let my people go!

When Israel was in Egypt land
Let my people go!

Oppressed so hard they could not stand
Let my people go!

So the God said: go down, Moses
Way down in Egypt land
Tell all pharaoes to
Let my people go!

So moses went to Egypt land
Let my people go!

He made all pharaoes understand
Let my people go!
Yes the lord said: go down, Moses
Way down in Egypt land
Tell all pharaoes to
Let my people go!

Thus spoke the lord, bold Moses…



Tot slot de tekst van de verantwoording van het slavernijverleden uitgebracht in 2013.

VERANTWOORDING VAN HET SLAVERNIJVERLEDEN


Wij als kerken in Nederland, verenigd in de Raad van Kerken, hechten er aan onderstaande uit te spreken tot de kerken en de nazaten van de mensen die ooit als slaven werden verhandeld en als slaven moesten werken; nazaten leven in verschillende landen, onder meer in Suriname, Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Caribisch Nederland en Nederland.

We weten uit de Bijbel dat alle mensen naar Gods beeld zijn geschapen maar we hebben mensen niet als beelddrager recht gedaan; ze zijn niet behandeld zoals het conform het later geformuleerde handvest voor de rechten van de mens wenselijk zou zijn. We erkennen onze betrokkenheid in het verleden van afzonderlijke kerkleden en van kerkelijke verbanden bij het in stand houden en legitimeren van de slavenhandel; de slavernij heeft  eeuwenlang tot 1863 plaatsgevonden onder Nederlandse vlag. Er was geen of onvoldoende respect voor Bijbelse en menselijke waarden. Honderdduizenden mensen werden van huis en haard weggehaald en moesten een leven lang in gevangenschap verkeren, werden uitgebuit, kregen geen kans om in vrijheid van geloof, meningsuiting en arbeid hun leven invulling te geven. Velen stierven tijdens het transport. Miljoenen mensen werden slaaf gehouden. Als kerken weten we ons deel van dit schuldig verleden en moeten we vaststellen dat theologie in bepaalde omstandigheden misbruikt is om de slavernij te rechtvaardigen. Als kerken benoemen we deze betrokkenheid, en willen we helpen recht te doen aan de nazaten van hen die soms generaties achtereen zijn geknecht en uitgebuit, waarbij we als kerken ons realiseren dat kerken destijds onderling verschilden qua mogelijkheden en dat er binnen diverse kerken ook verschillende geluiden te horen waren. 


Wie kan de schuld vergeven en vergiffenis aanreiken voor mensen die zelf geen woorden meer in de mond kunnen nemen en die tot het einde van hun leven in slavernij hebben moeten doorbrengen? We realiseren ons dat we te laat spreken, te weinig op het goede moment de goede inzichten hebben gehad en ons hebben laten leiden door misplaatst winstbejag en machtsmisbruik. Het is een vorm van onrecht, die doorwerkt tot in de huidige generatie toe, waar een deel van onze samenleving is gebouwd op misbruik van anderen en waar discriminatie onvoldoende wordt uitgeban