'

Hoofdstuk 4: Uitdaging

Brief uit de toekomst

 
We spraken in het breed-moderamen over de taken van een classislid. We hadden de behoefte om dat thema in de classicale vergadering aan de orde te stellen. We besloten een fictieve brief te schrijven om de gedachten te prikkelen. Een brief vanuit de toekomst. Een fictieve brief van een dominee die al vier jaar ervaring heeft in het bovenplaatselijke werk aan zijn nichtje Annegreet dat gevraagd is om lid te worden van de classicale vergadering. Ze heeft haar oom in een mail gevraagd zijn ervaringen te delen. Haar oom is er echt voor gaan zitten en heeft een lang verhaal geschreven, zodat ze zich een goed beeld zou kunnen vormen.

Enschede / Almere, 2 januari 2022


Lieve Annegreet,


Wat leuk dat je gevraagd bent om lid te worden van de classicale vergadering. Ik vind het een uitdaging je iets te vertellen van mijn eigen ervaringen. Al moet ik wel eerlijk zeggen, dat ik als predikant er waarschijnlijk meer tijd in zal steken dan jij als ouderlinge. Voor het

totaalplaatje vertel ik toch maar mijn complete verhaal. En ik betrek er ook de grote veranderingen bij die zich in de jaren 2018 en 2019 hebben doorgezet. Ik behoor tot de

generatie van faraoh’s die Jozef nog hebben gekend…. Dus ik benoem dan ook maar wat ik me van Jozef herinner.

Ik heb me altijd gerealiseerd dat het een voorrecht is lid te mogen zijn van de classis. En zoals vaker bij een voorrecht: adeldom verplicht. Ooit was er een tijd dat iedere gemeente een afgevaardigde stuurde naar de classis. Dat is in 2018 veranderd. Een classis telt zo’n

dertig ambtsdragers, terwijl het aantal gemeenten meer dan 150 bedraagt en het aantal ringen bij ons in de classis elf. Een snelle rekensom leert, dat er dus uit iedere ring enkele ambtsdragers zijn, maar niet uit iedere gemeente. Ik heb het dan ook altijd als mijn ‘plicht’ gezien om in de ring, waarin ik meedoe, iets te vertellen van de classis. ‘Een positief verhaal van een afgevaardigde heeft meer effect dan duizend folders’, zeiden ze bij de

coaching van ons vanuit Utrecht. En zo is het. Tegelijk realiseer ik me, dat daarmee wel de ring is geïnformeerd, maar nog niet de gemeenten. De gemeenten zijn weliswaar in de ring vertegenwoordigd, maar of die ‘two step flow of information’, dus het verder vertellen van de informatie via de ringvertegenwoordigers goed werkt, betwijfel ik.


De ringen hebben het wat dat betreft makkelijker. Daarin zit wel elke gemeente. En daar kan men dus simpelweg via de afgevaardigde persoon een terugkoppeling naar de eigen gemeente geven. Bij de promotie van het werk van de classis in de ringen maak ik gebruik van de eflitsen en de nieuwsbrief die de classis zelf verzorgt van het werk. De classis moet volgens de kerkorde zo’n verslag opstellen voor de kerkenraden en dat maakt de

terugkoppeling makkelijker. Je hoeft dus eigenlijk niets anders te doen, dan simpelweg de teksten parafraseren en af en toe enthousiast uit te halen bij een onderdeel wat je erg leuk vindt.


Ik ben heel consequent in de rapportage. Je moet alert zijn. Want de classis vergadert maar drie keer per jaar. Dat is niet veel. Het breed-moderamen van de classis, waar ik niet in zit, vergadert vaker. Dus ik let goed op wat er uit die kanalen komt. Maar meestal bundelen ze

zelf de imput wel voor de classicale vergadering, dus dat maakt het weer eenvoudiger. Bij de ringen hebben we afgesproken dat we elkaar vier keer treffen. Als er vragen zijn in de ring over de classis ga ik daar uitvoerig op in. Dat geeft de kans om in gesprek te treden over het

beleid.


Het komt voor dat de reacties verder gaan dan een verzoek om verduidelijking. Er komen nieuwe suggesties op. Die neem ik dan mee terug naar de classis. Als het erg ingewikkeld is, stuur ik vooraf een mailtje naar de scriba. Dan overkomt het de mensen van de classis

niet zo. En er is de formele taak om in de ring en in de gemeenten in te zamelen wat er leeft en dat via de classis door te sluizen naar het landelijke niveau. Ik let daarvoor op de brieven die er van de generale synode binnenkomen en van de classis, waarin concrete vragen worden gesteld. Soms gaat het om een kerkordewijziging. Soms om een visie op een

liedboek. Soms ook draagt men omgekeerd vanuit de landelijke kerk een jaarthema aan ten dienste van de gemeenten, de ringen en de classsis. Ik maak daar altijd een aantekening van en breng het in.


Je bent dus echt een ambassadeur, een pendelaar van informatie, een postbode, een tolk. Dat alles in één. Het is niet altijd makkelijk, maar wel heel nodig. Want ik ben voor veel mensen het enige gezicht dat ze kennen van de classis. Dus als ik het niet benoem, moeten ze bijvoorbeeld wachten tot één keer per vier jaar de classispredikant langskomt, en dat lijkt me wat te mager.


Natuurlijk impliceert het afgevaardigde zijn naar de classis inhoudelijke bezinning. In artikelen die ik las spreken de mensen over ‘geestelijk leidinggeven’. Dat zijn grote woorden. Het betreffende artikel in de kerkorde (ord. 4.14) geeft liefst zestien gedachtestreepjes van

wat een classicaal bestuurder moet doen. Dat is nogal wat, zo lijkt het. De eerlijkheid gebiedt te zeggen, dat de streepjes van de kerkorde in mijn beleving nogal ongelijksoortig worden uitgewerkt.


Het meest herken ik de opdracht ‘het bevorderen van samenwerking tussen gemeenten met het oog op de vitaliteit van de gemeenten en met het oog op het behouden dan wel verkrijgen van formatieplaatsen van voldoende omvang voor predikanten’. Een hele

mondvol. We hebben het daar vaak over. We leven in een tijd van krimp. En dat impliceert dat gemeenten meer samenwerken, predikantsplaatsen worden gebundeld en er een hele lichting hbo-theologen inschuift op de kerkelijke werkzaamheden. Natuurlijk hoeven we zelf

de uitwerkingen niet allemaal te bedenken. Er komen stukken van mensen die er voor zijn vrijgesteld. Maar je merkt iedere keer weer dat het heel goed is dat wij vanuit de praktijk van de gemeente daar nog eens goed naar kijken. Datgene wat we onder ogen krijgen is soms

nog te theoretisch, heeft te veel een bureau-karakter.


We hebben op dit punt in de achterliggende vier jaren veel bereikt. Er zijn in diverse regio’s regionale kerkbesturen ontstaan, een flinterdunne bestuurslaag, waaraan enkele predikantsplaatsen en formatieplaatsen zijn verbonden en die verschillende kerken in zo’n

streek bedienen. We zijn er nu aan gewend dat je regiobesturen hebt als Klein-Salland, Steenwijkerland, Groot-Vroomshoop, Klein-Twente en Noordoostpolder, maar nog geen vijf jaar geleden was alleen al de gedachte revolutionair. Ik denk dat de sleutel voor de acceptatie achteraf gezien is geweest, dat we zoveel mogelijk taken in de deelnemende dorpen hebben gelaten met hun eigen – noem het – wijkkerkenraad.


Als ik vier jaar classicaal werk overzie en mezelf de vraag stel welke belangrijke thema’s het vaakst zijn langsgekomen, zie ik er twee: de twaalf-jarig-werkverband-discussie en de fusieprojecten. Ik zal ze beiden kort toelichten.


Eerst die twaalf-jarig-werkverband-discussie. Als je in de kerkorde kijkt, zie je dat eigenlijk niet expliciet staan bij de taken van de classis. Het zit wat onder de regels, zoals het zo vaak gaat. Als taak hebben we ‘het signaleren van wat leeft in de gemeenten met het oog op een goede vervulling van de dienst van ambtsdragers in de gemeenten, alsmede met het oog op het bevorderen van de onderlinge verhoudingen’. Dat klinkt algemeen. Het gaat dus om de vraag of ieder goed in zijn of haar vel zit. In de praktijk gaat het hier vaak over de dominees

en de kerkelijk werkers. Sinds kort (1 januari 2021) moet je dit kerkorde-artikel verbinden met art. 3.26, waar het gaat over predikanten. Daar staat dat het breed moderamen van de classicale vergadering de predikant kan losmaken van de gemeente op gezamenlijk verzoek

van de kerkenraad en de predikant; als de predikant tenminste twaalf jaar aan een gemeente is verbonden. Hij of zij krijgt dan wachtgeld. We hebben daar heel veel over gepraat. Overijssel-Flevoland heeft relatief veel predikanten die langer dan twaalf jaar in een gemeente staan. De meeste predikanten kiezen er zelf voor langer te blijven. Er zijn er ook die wel willen verkassen, maar geen gelegenheid krijgen. Ze willen liever geen wachtgeld ontvangen, omdat ze dan een gevoel krijgen ‘uitgerangeerd’ te zijn. In de praktijk komt het

nogal eens voor, dat alleen de kerkenraad om toepassing van het artikel vraagt. Wij als classis zitten daar wat mee en hebben er uitvoerig over gepraat welke beleidslijn we moeten hanteren. Ik zeg nadrukkelijk ‘beleidslijn’, want in de praktijk is het vaak het moderamen, de classispredikant, de visitatie en het beheercollege die we die beleidslijn dan weer laten toepassen.


Het andere punt wat vaak terugkeert is de samenvoeging van gemeenten. Veel gemeenten in onze regio zijn inmiddels gefuseerd tot een protestantse gemeente. Vaak grijpt men de veranderingen aan om ook de structuur van de kerkenraad aan te passen. Dat

zie je trouwens ook wel buiten de fusies gebeuren als reorganisaties. Men kiest dan voor een kleine kerkenraad en veel raden en commissies daaromheen. Dat geeft meer slagkracht van de kerkenraad en tegelijk vaak gedoe op het moment dat een commissie zich niet gehoord voelt. Enfin, je begrijpt de gevoeligheid. Als classis hoeven we niet direct positie te kiezen tussen ‘grote kerkenraad’ of ‘kleine kerkenraad’, maar we proberen wel woorden te

geven aan de consequenties van zo’n keus. We hebben daarvoor een beleidslijn geformuleerd met aandachtspunten. Dat begon bij ons met een brainstorm en is uitgebouwd tot een soort advieslijn, waar later ook de landelijke organisatie gebruik van heeft gemaakt

en een brochure over heeft geschreven.


We hebben nogal wat tijd besteed aan een andere taak: ‘het stimuleren van nieuwe vormen van kerkelijke presentie’. Dat was aanvankelijk een evangelisch initiatief overgenomen door de landelijke kerk. Er werden allerlei pioniersplekken gestart. Eerst meer in het westen. Maar gaandeweg ontdekten wij in onze classis ook allerlei toepassingsmogelijkheden. Het begon

in grotere plaatsen als Almere, Zwolle en Enschede. Het groeide verder en leidde tot nieuwe initiatieven op het snijvlak van diaconaat en missionair werk. Begrippen als ‘levenshuizen’ en ‘gemengde appartementen’ zijn nu gemeengoed. We weten allemaal dat het gaat om kerken

gespecialiseerd in zingevende centra en zorginstellingen. Vijf jaar geleden kwamen we nog niet op het idee om dergelijke taken te verbinden met de kerk; we lieten dat toen nog over aan bibliotheken en onafhankelijke zorgaanbieders. Nu zijn het kerken die spiritualiteit,

mantelzorg en cultuur als vanzelfsprekend in elkaars verlengde zien.


Wellicht stel je de vraag wat wij als classis daarin hebben te betekenen. Ik denk dat wij initiatieven van particulieren op het goede moment hebben gezien en meer power hebben gegeven door er over te spreken in de classis en door het breed-moderamen te vragen in

samenwerking met kerkenraden er steun aan te geven. Als wij het niet hadden genoemd en er in hadden geloofd was het niet van de grond gekomen. Ik weet het: succes heeft vele vaders en moeders; toch meen ik te kunnen zeggen dat wij als classicaal bestuur een belangrijke stimulans hebben gegeven en nog steeds geven aan de vernieuwing van de kerk.


Je vroeg me in een persoonlijk gesprek welke mogelijkheden je hebt als nieuwkomer in een classis om van betekenis te kunnen zijn. Je zou mijns inziens kunnen beginnen met een wit briefje voor je neus te leggen, naar buiten te staren en jezelf de vraag te stellen wat je zelf belangrijk vindt. Als je tien minuten mediteert borrelen er vast enkele trefwoorden op die je kunt inbrengen bij de beleidsplandiscussie die de classis opzet. Want na vier jaar is de classis toe aan een nieuw beleidsplan en het zou leuk zijn als je daar een thema voor aanreikt wat ze opnemen.


Een lastig punt heb ik steeds het ingrijpen gevonden in gemeenten en situaties die niet goed functioneren. De meeste kwesties worden door het breed-moderamen afgehandeld. We krijgen eigenlijk als classis maar het topje van de ijsberg te zien. Ik denk dat je als classicaal

bestuurder een beetje moet aanvoelen waar je op wilt doorgaan en wat je zwijgend voor kennisgeving aanneemt. Je zou er op kunnen letten wat slechts je eigen nieuwsgierigheid dient; daar moet je niet op doorgaan; en bepaalde tendensen die je meent te herkennen in de problemen, moet je wel oppakken. Als je een tendens ziet, is het belangrijk er verder over door te spreken.


Zo heb ik zelf het punt aangesneden van ‘toerusting voor kerkelijk werkers’. Ik merkte dat er veel kerkelijk werkers worden aangesteld en dat ze op verschillende plaatsen overvraagd worden. Kerkelijk werkers moeten preken, mogen steeds vaker sacramenten bedienen,

maar dat vraagt ook weer om extra pastoraat, leren omgaan met klachten, adequaat reageren op kritiek die te maken heeft met hun soms wat moralistische preken. Enfin, dat wordt dan op een gegeven moment een meltingpot van problemen, waarbij er veel kerkelijk werkers zijn die onderbetaald worden; je kan ook zeggen: die meer tijd nodig hebben om hun werk goed te doen dan waarvoor ze betaald krijgen.


Het heeft bij ons in de classis een hele discussie gegeven of het breed-moderamen niet veel te snel meegaat in het beleid van gemeenten om kerkelijk werkers aan te stellen en predikantsplaatsen af te stoten. Al pratende ontdekten we dat de weeffout groter is dan we dachten: plaatselijke gemeenten moeten wel toestemming hebben om een predikant aan te stellen, maar een kerkelijk werker behoeft geen bijzondere goedkeuring, geen approbatie.

We hebben na veel discussie dat punt aangekaart bij de landelijke kerk en dat is aanleiding geweest om een kerkordewijziging door te voeren, zodat we als classis nu mogen meekijken in de boeken als er een kerkelijk werker wordt aangesteld. Feitelijk wordt dat meekijken uitgevoerd door ons classicaal college voor de behandeling van beheerszaken, maar de wijziging die ik beschreef is toch maar mooi doorgevoerd door onze discussies.


Sommige punten die de classis moet uitvoeren zijn niet zo ingewikkeld. We moeten bijvoorbeeld ‘de grenzen vaststellen tussen de plaatselijke gemeenten in het ressort van de classis’. Dat is op zich niet zo’n moeilijk karweitje, zo lijkt het. Maar vergis je niet. Het probleem kan bijvoorbeeld ontstaan doordat een hervormde gemeente en een gereformeerde kerk gaan fuseren. Dan moet je natuurlijk goed in beeld hebben waar de

grenzen liggen. Maar die grenzen liggen niet altijd precies gelijk. De Randstraat hoort soms wel bij de hervormde gemeente, maar niet bij de gereformeerde kerk. Daar ligt de grens anders. Dan is het toch wel handig om de grens gelijk te trekken. Dat is nog een heel

gepraat en het kost overtuigingskracht om mensen op één lijn te brengen.


We hebben daar als classicale vergadering op twee manieren mee te maken. We geven de laatste klap op voorstellen. Vaak gebeurt dat via het breed-moderamen. Maar we zijn soms ook bij de ‘ontrafelfase’ betrokken. We hebben al in 2018 bij het ontstaan afgesproken dat

groepjes binnen de classis meehelpen bepaalde besluiten voor te bereiden. In feite hebben we er daarmee voor gekozen om taken wat weg te halen bij het breed-moderamen en onder te brengen bij de classis zelf. Eerst was er wel wat verzet. Dat je dingen extra moet doen.

‘Projecten verdelen’ heette het. Later merk je dat je het leuk vindt en dat je op die manier meer bij het bovenplaatselijke werk betrokken raakt.


Ik heb in die vier jaar één zo’n project voor mijn rekening genomen. Ik heb me aangeboden om een consideratie op het liedboek voor te bereiden voor de vergadering. Dat staat dicht bij mijn dagelijkse werk, zo dacht ik. En zo was het ook. We hebben het met zijn

vijven gedaan, die voorbereiding. En het gaf echt een inhoudelijk gesprek. We hebben er voor gekozen om eerst een mening ‘op te halen’ bij de diverse ringen. Dat gaf wel het nodige extra werk. Maar ik vond het ook leuk. Het gaf een kijkje achter de schermen in de

ring Enschede en de ring Flevoland; regio’s waar ik anders niet kom.


Ik vond de regionale kerkenmiddag een hoogtepunt. Dat was weer voorbereid door een andere groep uit onze classis. Ik ben er naar toe gegaan met een delegatie van drie mensen uit onze gemeente. De commissaris van de koning hield een referaat over de raakvlakken van staat en kerk. De rooms-katholieke vicaris gaf voorbeelden van de liturgie in zijn kerk. En iemand van omroep Flevoland liet zien hoe hij nieuwsitems selecteerde. De viering na afloop vond ik wat slapjes. Maar de diversiteit van de kerkenmiddag sloot wel aan bij wat de kerkorde van ons vraagt, dat we contact met andere kerkgenootschappen, maatschappelijke organisaties en media onderhouden.


Je vroeg me wat ik het moeilijkste vind. Ik denk toch de opdracht ‘erop toe te zien dat de ringen de ontmoeting van de gemeenten gestalte geven’. Dat gaat bij onze ring wel goed. Maar er zijn ook ringen bij ons, die eigenlijk te klein zijn. De ringen vallen zo’n beetje samen met het werkverband van predikanten en een kerkenraad in een grote stad. Dan vallen de agenda’s te veel samen. En op den duur komen de mensen niet meer. Ik weet

eigenlijk niet zo goed hoe je dat op moet lossen.


Ja, op papier weet ik het wel. De werkgemeenschap is voor de theologie, zal ik maar zeggen, en de classispredikant moet daar stimulans aan geven. De ringen zijn voor de praktische ecclesiologie, en de voorzitter van de visitatie moet dat oppeppen. En de kerkenraden en de regioraden zijn voor het kerkbestuur. Op papier is het wel uit elkaar te denken. Maar de

praktijk is weerbarstiger. Daarom ben ik blij dat jij gaat meedoen in de classis. Nieuwe mensen, nieuwe inzichten.


Ik hoop je over een half jaar te spreken bij de verjaardag van je moeder. Misschien kunnen we bij elkaar gaan zitten. En ik hoop dan dat je me de oren van het hoofd praat met enthousiaste verhalen over jouw eerste ervaringen in de classis.



Voor je verdere oriëntatie stuur ik je nog twee bijlagen. Een kopie van artikel 4.14. van de kerkorde over de taken van de classis en een kopie van een artikel dat ooit is geschreven door dr. Jan Dirk Wassenaar, de scriba van onze classis over de ringen; wie weet geeft het jou ideeën over het dossier dat ik zelf nog niet helemaal helder voor me zie; dat van de specifieke taak van de ring in het spectrum van de andere geledingen die er zijn.


Hartelijke groet,


Je oom Gert Smederij.


Mail uit Enschede en Almere

Het is gelukt. Er is een afgevaardigde vanuit Enschede gekozen voor de generale synode. Een mijlpaal. Eén van de doelen was immers het meer betrekken van de steden aan de rand van de provincies bij het beleid. Achteraf gezien is het kinderlijk eenvoudig gegaan. Ik was op een vrije zondag in Enschede naar de kerk gegaan en sprak er na afloop de dienstdoende predikant aan. Een vrouw. Ik peilde, of zij niet genegen zou zijn zich te laten afvaardigen naar een generale synode of naar een classicale vergadering. Ze had wel oren naar het eerste en beloofde het aanhangig te maken in eigen bestuurlijke kring. Uiteindelijk kwam er een brief binnen bij de classis dat haar mannelijke collega bereid was zich te kandideren voor de generale synode. 

Doordat allerlei bestuurlijke gremia opnieuw moesten worden samengesteld, waren er diverse kandidaten nodig. Toen de tweede scriba Johan Kuiper uiteindelijk de lijsten met kandidaten ordende, bleek dat er nog te weinig gegadigden waren voor de classis en diverse belangstellenden voor de generale synode. Bij de predikanten was er meer aanbod dan behoefte. Er waren drie namen voor één enkele vacature. Er zou moeten worden gestemd. Het waren alle drie mannen, die niet in Overijssel of Flevoland waren geworteld, alle drie relatief jong en ambitieus. De denominatie verschilde een beetje. Ik zag verschillende classisafgevaardigden kijken naar het totaalplaatje van Overijssel-Flevoland. Ze hielden rekening met spreiding in denominatie. De predikant uit Enschede werd gekozen. 

Er kwam een mail uit Almere. Over problemen met de missionaire wijk. Eerst waren er vragen om tot de vorming van een missionaire wijk te mogen overgaan. Het lag niet moeilijk. In de wijk Almere Poort zijn inmiddels al meer dan 13.000 inwoners en de kerk is er slechts met een buurtbus aanwezig. Het is voor de hand liggend om daaraan verder te werken. Toen kwam er een vervolg. De kerkenraad probeerde de leden te registeren parallel aan een wijkkerkenraad die zich ontfermde over een grote geografische wijk. Maar dat bleek niet mogelijk te zijn. Of we vanuit de classis een verdere verkenning konden maken. Ik maakte een rondgang in Utrecht, kreeg via het onovertroffen gemeentecontacten, al snel een lijntje naar de landelijke ledenadministratie. En daar legde men uit welke mogelijkheden er zijn: je moet of een pioniersstatus hebben en dan mensen overschrijven die bij de pioniersgemeente willen horen; of je moet een wijkstatus nemen en dan alles in die wijk standaard bij de wijk laten horen. Ik vermoed dat Almere graag iets er tussen in had gekregen. Maar dat bleek praktisch moeilijk operabel te maken.

Geestelijk leiderschap


In de functiebeschrijving van de classispredikant wordt gezegd dat hij of zij ‘geestelijk leiderschap’ aan de dag behoort te leggen. De combinatie van ‘geestelijk’ en ‘leiderschap’ is zeldzaam als je op internet googelt. Je vindt talloze hits over ‘leiderschap’. Maar de combinatie ‘geestelijk leiderschap’ lijkt bedacht om het werk van de classispredikant te typeren. Ds. Hans van Solkema, preses van de classis Overijssel-Flevoland, ging tijdens een classicale vergadering door op het begrip door over Barnabas te spreken (Handelingen 11: 19 v.v.). Hij kwam tot een drietal aandachtspunten die een rol spelen bij het geestelijk leiderschap. Het gaat om het zien van de ander. Over het zich verheugen over de ander. En om de aansporing trouw te zijn in het contact. Het is dus de ander die de aandacht krijgt en van wie de kwaliteiten worden gewaardeerd.

De woestijnvader Johannes Cassianus vergelijkt het geestelijk leiderschap met het werk van een geldwisselaar, vertelde Hans van Solkema. Hij toetst of de munt echt van goud is. Hij kijkt welke beeltenis er op staat. Hij beziet waar de munt is geslagen. En hij weegt het gewicht van de munt. Al die handelingen kan je toepassen op het leiderschap, waarbij het uiteindelijk draait om de vraag: Hebben we als geestelijke leiders een zuiver oog? 

Geestelijk leiding geven – zou je kunnen zeggen – heeft te maken met drie werkwoorden: het is ontmoeten, dienen en structureren van mensen actief in de kerk.  De bedoeling is het gemeentewerk te stimuleren en de persoonlijke geloofsbeleving te verdiepen. En de methode is: het eerlijk een gesprek voeren met God in je eigen binnenkamer over een thema, zodat je je ervaringen daarvan bewust maakt en vervolgens nadenkt over de manier waarop je die ervaring vruchtbaar kunt aanreiken in een ontmoeting. In het ontmoeten valt de nadruk op de liefde de ander te willen leren kennen. In het dienen zit de ander uitnemender achten dan jezelf. In het structureren zit het organiseren van de relevante feiten en gevoelens, zodat er overzicht ontstaat en de ander tot verantwoorde keuzes kan komen.

 

Geestelijk leiderschap is een term die je in evangelische kringen veel vindt. Er zijn zelfs speciale bijbeluitgaven die het kenmerk als rode draad bij het commentaar gebruiken, zoals The Spirit filled Bible uit de Verenigde Staten. De baptistenpredikant John Piper uit Minneapolis typeert geestelijk leiderschap op internet als volgt: ‘Ik omschrijf geestelijk leiderschap als weten waar God wil dat mensen zich bevinden en het initiatief nemen om ze daar te brengen met behulp van Gods methodes en vertrouwend op Gods kracht’. Waarschijnlijk dat we in protestantse kring in Nederland minder gemakkelijk spreken over ‘Gods methodes’ alsof we die uitputtend zouden kennen en alsof er onderscheid te maken is tussen methodes in deze categorie en meer profane benaderingen. De definitie van Piper helpt om de oriëntatie te leggen bij de transcendentie die eigen is aan theologie en geloof en die positie kiest in relatie tot God zelf.  

 

Ds. Arjen Mensink schreef over geestelijk leiderschap in De Waarheidsvriend. Mensink is lid van het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond. Hij gaat in op de thematiek en signaleert daarbij dat de roep om geestelijk leiderschap verraadt dat er verwarring is op het grondvlak. Hij noemt als concrete oorzaken: Kaalslag, minder dopelingen, minder geld, minder jongeren, vacatures. Hij noemt ook de  theologische verwarring, hij signaleert een groei bij de evangelische beweging en tegelijk vervreemding van de hem dierbare gereformeerde belijdenis. Mensink onderscheidt het geestelijk leiderschap van het bedrijfsmanagement. Bedrijven kijken bij management naar input, output, stappenplannen en protocollen. Bijbels leiderschap zoekt, naar de analyse van Mensink, aansluiting bij de bijbel en de manier waarop de Heer zelf leiding geeft aan zijn gemeente. De roeping als ambtsdrager ligt Boven. Leidinggeven begint met zelf discipel willen zijn. Geestelijk leidinggeven gaat gepaard met nederigheid. ‘Nederigheid en ootmoed kenmerken de Bijbelse leider’. Op bepaalde momenten is de leider evenwel doortastend. Namelijk als hij of zij op grond van het woord tot een keus komt. De geestelijke leider dient het woord.

Nederigheid en ootmoed zijn kenmerken die je bij één van de leiders vindt die in de regio bekendheid verwierf: Thomas a Kempis. De moderne devotie, waarvan hij een representant is, vond die ingetogen houding belangrijk. Tijdens een classicale vergadering werd één van zijn teksten in gebedsvorm gelezen en besproken. De eerste strofe in onderstaand gebed is aan hem ontleend. Het werd gecombineerd met een gebed ontleend aan de dichter Paul Gehlings (Enschede/Zwolle) en een zegenbede die Rianne Veenstra (Almere) uitsprak tijdens de verbintenisdienst van de classispredikant.

Gebed

Here God, het is waar wat U zegt: 
Uw zorgzaamheid voor mij is groter dan alle zorg die ik voor mijzelf kan hebben. 
Wie niet al zijn zorg op U werpt, 
staat inderdaad wel heel wankel. 
Here, wanneer mijn wil maar recht en vast op U gericht mag blijven,
doe dan alles met mij wat U behaagt. 

Het wordt voorjaar, Here, 
nu de lucht van de winter zich vermengt met verborgen groen. 
De bloemen woelen in hun bedden. 
Uw licht zet aan, van porselein tot gloeiend ijzer, Uw belofte aan ons. 
Het leven ondergaat een nieuwe geboorte, 
Uw scheppende hand vergeeft ons de kou. 

Wil mij met de geest van een pelgrim bezielen.
De onbewerkte aarde wacht. 
Het weidse landschap verspreidt zijn lokroep. 
Maak mij ruimhartig. 
Dat ik mens mag zijn met allen, 
zorgzaam voor allen.        Amen

Dr. Arjan Plaisier, voormalig schriba van de Protestantse Kerk, heeft de nieuwe classispredikanten ingeleid in het geestelijk leiderschap. Hij onderstreepte het belang van het gezamenlijk gebed als basis voor het werk in de kerk.

Het boek ‘Gezag in beweging’ over leiderschap in de kerk uit 2008 eindigt met een hoofdstuk over wijsheid. Dat lijkt me een invalshoek die aansluit bij de manier waarop mensen in de classis Overijssel-Flevoland naar geestelijke leiding kijken. Je vindt dat woord ‘wijsheid’ al als een refrein in de oudste evangelieharmonisatie die Nederland kent: de Heliand. De tekst is geschreven door een Saksische monnik die door het oosten van Nederland en door het westen van Duitsland trok. Ted vanderEnde, hoogleraar praktische theologie aan de ETF in Leuven pakt dat woord ‘wijsheid’ op in de genoemde bundel en schrijft: ‘Wijsheid is niet alleen een kwestie van academisch intellectualisme, maar van de gave voor creativiteit op welk gebied dan ook, van vernuft dat de mens als imago dei heeft om te scheppen’. En hoe doe je dat dan als ambtsdrager? VanderEnde: ‘Als priester geeft de ambtsdrager de traditionele leer van de kerk door (de catechese, het credo, de liturgie); als profeet is die ambtsdrager geroepen om die oude leer te vernieuwen (in de proclamatie van het Woord, de preek) om te voorkomen dat de kerk gaat seculariseren; en als wijze zoekt die ambtsdrager hoe de uitdrukking van dat credo in het dagelijks leven moet worden aangepast en toch in zijn essentie moet worden gehandhaafd (in voorbeeld en als raadgever)’.

Liefde voor de regio
 

Wat je van een classispredikant mag verwachten is liefde voor de regio. Dat is zowel voor Flevoland als voor Overijssel relevant, maar eigenlijk voor iedere streek in Nederland. Voor Overijssel en Flevoland zijn er twee verhalen te vertellen, misschien nog wel meer.

Je zou kunnen zeggen dat tot de late Middeleeuwen de verhalen nog geïntegreerd zijn. Het oudste geschrift in de Nederlanden van een stevige omvang is de Heliand. Dat is een evangelieharmonisatie, waarin een Saksische monnik de vier evangeliën in elkaar vlecht en op rijm zet. Die rijmvorm maakt het makkelijker om mondeling door te geven. De mensen in die tijd immers waren de leeskunst nauwelijks machtig. Pikant detail: de bundel dateert uit 832 na Christus. Als je je dan realiseert dat de eerste grote overstromingen, die grote delen van veenland wegspoelden uit het oude Aelmere, de voorloper van de Zuiderzee, dateren van 838, is het een gemeenschappelijk geschrift voor Overijssel en Flevoland. De rampzalige vernietiging van wat destijds Flevoland was, dateert van onder meer de Julianavloed in 1164, de Allerheiligenvloed uit 1170 en de Sint – Luciavloed uit 1287. Je kan er uit afleiden waar de roots liggen voor mensen in deze regio. Anne van der Meiden heeft de bronnen toegankelijk gemaakt. Hij gaf leiding aan een vertaalproces dat in 2012 leidde tot de presentatie van de Heliand in diverse streektalen.

Het belang van de Heliand kan je moeilijk overschatten. Uit de tekst kan je de theologie afleiden zoals die in de Middeleeuwen gemeengoed was in dit deel van de Nederlanden. Je vindt er de relatie van Jezus tot zijn leerlingen als die van een leermeester en gazellen in de gilden. De discipelen heten ook gazellen in de Heliand. De verhoudingen in de gilden typeren tot op zekere hoogte de verhoudingen die gelovigen herkennen in hun eigen relatie tot de Heer. Je vindt er talloze andere elementen die het geloof beïnvloeden tot op de dag van vandaag; positieve elementen zoals het diverse keren invoeren van het belang ‘wijs’ te zijn, als ook zorgelijke thema’s, zoals het gemak waarmee antisemitische opmerkingen worden gemaakt.

De formele eenheid van destijds kan niet verhullen dat de classis tegenwoordig tenminste drie subculturen verenigt. Je kunt ze aflezen aan de politieke voorkeuren. De regio Flevoland heeft een sterk liberale inslag en het motto ‘als je wilt, kan je wat van je leven maken’. In het westen van de provincie Overijssel zijn het vooral christelijke partijen die de boventoon voeren; de plaatsen hebben besef van de waarde van traditie. In het oosten van Overijssel zijn het vooral de gemeentebelangen die de politiek kleuren en een zeker zelfbewustzijn combineren met argwaan tegen alles wat Haags of Utrechts is.

De Flevolandse mentaliteit is inmiddels drie generaties geslepen tot een heuse eigen traditie en invalshoek. Er is voldoende literatuur geschreven om zoiets als een ‘homo zuiderzeelandicus’ te schetsen. Bij alle verschillen hebben de poldermigranten dit met elkaar gemeen, zo zeggen de bronnen, dat ze enkele generaties terug de verhuiswagen hebben laten voorrijden en zijn verhuisd naar de regio waar eerst slechts water te vinden was. Die poldermentaliteit wordt door velen gekoesterd en gezien als de bereidheid steeds opnieuw naar logische oplossingen te zoeken, creativiteit aan te boren en een heldere analyse te prefereren boven de visie ‘zoals het altijd geweest is, moet het nu blijven’. 

Henk Hofland schrijft over dat poldergevoel. Hij adviseert een paar dagen te wandelen in de drie kernen: Almere Haven, Almere Stad en Almere Buiten. Hij komt dan tot de conclusie: ‘De droom die aan het bestaan van Almere ten grondslag ligt, is een zeer Nederlandse droom, niet minder groots in zijn aspiraties, niet minder gedurfd in de wil om de verantwoordelijkheid voor de toekomst van honderdduizenden te aanvaarden, maar Nederlands: een droom die tot tastbaar en nuttig resultaat moest leiden’. Dus nuchterheid en fantasie in één greep. 

De journaliste Eva Vriend, zelf geboren in Luttelgeest, schreef het boek ‘Het Nieuwe Land’, over de Noordoostpolder. Ze zoekt naar een criterium op grond waarvan de bewoners werden geselecteerd die uiteindelijk in de Noordoostpolder een woonplek hebben gekregen. De commissie onder leiding van Hessel Lindenbergh is daarvoor verantwoordelijk. Ze concludeert dat er enerzijds een keurslijf was van fatsoen waaraan de nieuwe burgers moesten voldoen. ‘Je moest een getrouwde, eerbare burger zijn met, bij voorkeur, een kinderwens’. En er was een tweede criterium: Je moest in staat zijn altijd zelf te blijven denken. Een zekere eigenzinnigheid en een grote dosis ondernemingszin is de kandidaten eigen, zegt ze. ‘Tijdens mijn zoektocht ben ik ze tegengekomen: mensen die misschien niet meteen een driftkop zijn te noemen, maar die op zijn minst eigenzinnig zijn. En het is ook logisch. Mensen reisden immers niet naar die kale polder af omdat ze het oude en vertrouwde wel best vonden. Ze wilden eens iets anders, en meer dan dat. Ze wilden voor de troepen uit en verder kijken, voorbij de horizon’. Als er een gezamenlijke identiteit is, dan is het dat nuchtere besef van samenwerking en een zelfde inspiratie van: ‘Hier in de polder regelen we het wel’. 

Cultuurwetenschapper Demelza van der Maas promoveerde aan de VU op het ontstaan van het cultureel erfgoed in Flevoland. Van der Maas: ‘Het avontuur zit in de genen van Flevoland. Het merk Flevoland gelooft dat er elke dag iets nieuws te ontdekken valt, zeker in Flevoland’. 

Als we de kijker richten op het oude land spreekt de literatuur – ongeacht de vraag of het om het westelijk deel of het oostelijk deel van de provincie Overijssel gaat – over een Saksische inslag. Ik ben er stellig van overtuigd dat je daar als classispredikant en als gemeentepredikanten in algemene zin vanuit een binnenperspectief over moet spreken. De literatuur kent vooral een benadering van buitenaf. Meest schrijnend is misschien wel het voorbeeld van Willem Barnard, de man die met meer dan zeventig liederen in het liedboek is gekomen. Hij werkte van 1946 tot 1949 in Hardenberg en typeerde de mentaliteit van de mensen als die van ‘de derde wereld’. De eerste wereld was die van de randstad, de tweede wereld die van het rivierengebied en de derde wereld de wereld zoals hij die leerde kennen in oost-Nederland, of misschien moeten we zeggen: zoals hij die niet leerde kennen. Zijn typering zegt vooral iets over zijn onvermogen de mensen te peilen in hun aard en bezieling.

Het is nuttig als je iets van de volksaard verstaat. Het helpt je bij het duiden van problemen en bij het wegwijs maken van nieuwe collegae. Een eerste kenmerk van de Saksen is wellicht hun hang naar heelheid van leven. Er is verbondenheid met de natuur, met het alledaagse leven. Die verbondenheid is zo sterk, dat de natuur haast een ziel lijkt te krijgen. Als je met mensen spreekt die generaties op een boerderij wonen, ontdek je dat zelfs de stukken grond een eigen naam krijgen: De koeweide, de pinkenwei, het hooiland. Ieder stukje grond heeft er een eigen karakter en de naam drukt dat uit. Saksen hebben een beleving dichtbij de ervaringen in de natuur. De vogels, de meren, de heuvels, het gras, de regen. Ze kunnen daar beeldend en lyrisch van worden. De biddag en dankdag voor gewas en arbeid zijn nergens zo populair als in deze regio. Buitenstaanders noemen het ‘natuurlijke theologie’. Ik zou het liever typeren als een vorm van holisme, zoals je het bij vele volken en culturen kunt terugvinden. Ik breng dit thema als classispredikant in bij de gesprekken met collegae en wijs er op dat deze mentaliteit ver af staat van de theologie van Karl Barth en redelijk aansluit bij wat iemand als Arnold van Ruler heeft geschreven.

De Saks rafelt waarheden niet uit elkaar, maar houdt waarheden bij mensen die ze uitspreken. Hij of zij is meer van het relationele denken. Dat is een tweede aandachtspunt als je mensen in de regio Overijssel wilt typeren. Het Saksische taalgebruik en het daaronder liggende denken sluit op dit punt redelijk aan bij het begrippenkader van de Bijbel zelf. De relatie is belangrijk en doel op zichzelf. Je vindt deze levensinstelling trouwens ook bij Aziaten, waar het relationele denken bijna tot kunst is verheven. Ik herinner me dat ik zelf terugkwam vanuit Friesland naar deze regio. Ype Schaaf maakte me wegwijs en zei tegen me: ‘Jongen, je gaat naar de Saksen. Dat is net andersom dan bij ons Friezen. Wij Friezen zijn voor alles eerlijk, en dat gaat ten koste van de vriendelijkheid. De Saksen zijn voor alles vriendelijk en dat gaat soms – zei hij – ten koste van het bij de naam noemen van de dingen’. 

Je komt die vriendelijkheid steeds weer tegen, als je praat met mensen in deze streek. Als je bijvoorbeeld vraagt: ‘Mag ik een tientje van je hebben?’ dan zegt iemand uit een andere regio: ‘Nee, gaan we niet doen’. Iemand uit deze streek gebruikt dat woord ‘nee’ liever niet en zegt: ‘Een tientje? Jao, jao’. Als je luistert naar de toonsoort, dan weet je, dat je het geld niet gaat krijgen. Toch zegt iemand uit deze streek ‘jao, jao’, want hij wil je niet voor het hoofd stoten. Eerst komt de relatie en daarna de feitelijkheid. Dat besef van relatie eerst zit diep in de Saksische taal verweven. Als Saksen bijvoorbeeld iets klaar maken, dan kunnen ze zeggen ‘’t is of’. Maar beter is het om het in relatie te brengen met anderen. En dan zeg je: ‘Wi’j em ’t veur mekare’. Jij hebt er ook iets aan dus. 

Ik kom tot een derde punt: het vertrouwen in God als schepper en als onderhouder. Als een Saks een gebed uitspreekt, zegt hij ‘loawwe stille wean’. Hij drukt daarmee respect uit voor God. Hij wil eerst eens luisteren, naar wat God te zeggen heeft, alvorens hem in de rede te vallen. Met misplaatste gevoelens van horigheid heeft dat niet te maken. Er is slechts het verlangen naar een relatie met de schepper zelf. Hij mag de relatie inkleuren. De Saks spreekt God aan met  ‘ie’, met ‘jij’. De Saks kan geen 'U' zeggen, want hij kent geen beleefdheidsvorm. Dat maakt de gevoeligheid duidelijk van de mensen die voor het eerst een dialectdienst meemaken. Ze ervaren in het gebed volop hoe het is God in de streektaal aan te spreken. Je kan niet anders bidden dan in de veronderstelling dat er een persoonlijke relatie is met God. God behoort bij de mensen in je comfortzone, hij is familielid, zoals hij in het Aramees familielid is en iemand van de Syrisch-Orthodoxe Kerk kent ook alleen de term ‘papa’ voor God. 

Ik kom tot een vierde trefwoord. Als je kijkt welk woord in de Heliand vaak wordt aangereikt, is dat het woord ‘wijsheid’. Nog beter: het verlangen naar wijsheid. Wijsheid is een woord wat in de Heliand vele malen is gebruikt. Veel vaker dan in de canonieke bijbel. Het woord wordt steeds genoemd als een soort aanbeveling voor een levensvisie. De vertaling van Anne van der Meiden van de Heliand noemt bijvoorbeeld Zacharias ‘nen öalderen keerl, met ’n good verstaand’. En van Maria heet het: ‘Heil weuns ik diej, Maria, bemeend biej oonzen Heer en den Machtigen weardig, umdat doe wiesheid hes’. 

Kerstnachtdienst

Het is inmiddels een traditie geworden. De kerstnachtdienst in de streektaal. Begin 2009 belde Anne van der Meiden mij. ‘Jij moet de kerstnachtdienst maar van me overnemen. Ik word tachtig. En dan is het welletjes geweest’.

Vanaf dat jaar heb ik telkens in de adventstijd ergens in de provincie Overijssel zo’n dienst helpen verzorgen. We hebben er een team voor. Ronald Cornelissen, de vicaris van de bisschop van Utrecht, Bert Groothengel en Thea Kroese, dragen de diensten. We spreken de liturgie door. En we kijken in de kerken waar we de diensten houden, proberen het gebouw op zo’n voordelig mogelijke manier in beeld te brengen. De vuurdoop was in Vroomshoop. We hadden Anne van der Meiden er bij gevraagd als gast. RTV-Oost bracht hem een paar keer in beeld. Zo was er iets van apostolische successie vastgelegd. De omroep verzorgt ieder jaar de dienst vanuit een andere plek. Zo waren er onder meer diensten vanuit Saasveld, Denekamp en Ootmarsum; allemaal plaatsen aan de oostkant van de provincie Overijssel. En diensten uit Oldemarkt, Wijhe en Vilsteren, allemaal plaatsen meer naar het westen gelegen.

De kerstnachtdienst in 2018 was de eerste dienst die ik als classispredikant uitvoerde. We waren in Zwartsluis, ‘de Sluus’, zeggen we in de streektaal. ‘Het dorp met de meeste voorzitters’, typeerde ooit de dichter Klaas Würsten de ‘bleistaarten’. Je kan daaraan aflezen dat er veel protestanten in de voormalige vissersplaats wonen. ‘Het is voor het eerst dat we nu twee mensen als voorganger hebben, die verantwoordelijkheid dragen voor de regio Overijssel. Dat vind ik passend’, reageerde Thea Kroese, daarmee verwijzend naar Ronalds achtergrond als vicaris voor de regio en mijn achtergrond als classispredikant. Twee evenknieën.

Vooraf hadden Ronald en ik een videootje opgenomen, op de telefoon, een praatje, waarin we samen de actie in de regio voor de voedselbank promoten. Het was na afloop van de generale repetitie voor de kerstnachtdienst. Ik had een priesterboordje meegenomen en een befje van mijn toga. En ik vroeg Ronald: ‘Wat zal ik dragen bij de kerstnachtdienst; het boordje of het befje?’ Ronald reageerde spontaan: ‘Doe het befje maar, want ik draag al een boordje. En mensen vinden toch al dat we zoveel op elkaar lijken. Dan druk je daarmee iets van je eigenheid uit’. Zonder het te regisseren had Ronald er een theologische lijn mee aangegeven. Je hoeft in de oecumene niet alles van elkaar over te nemen. Het is goed eigen accenten te hebben. Het filmpje ging over de mensen in Overijssel die onder de armoedegrens leven. De actie bracht uiteindelijk ruim 3 ton op.

Dit jaar verzorgde ik de liturgie; Ronald deed de meditatie. Of ik nu het een doe of het ander, ik probeer altijd tekst in te bouwen, die voor de dialectsprekers nieuwe elementen bevat. Er zijn altijd wel woorden of uitdrukkingen die ze niet kennen, als ze een uitzending bekijken. Het dwingt hen tot verder kauwen. We hebben bijvoorbeeld in deze dienst gebeden voor ‘mensen die over de reeweg goan’. Ik vermoed dat weinig mensen weten wat die ‘reeweg’ is. Het gaat om een woord uit de tijd dat het gebied overging van heidendom naar christendom. Nogal wat mensen hadden de neiging om voor de zekerheid bij een begrafenis heidense en christelijke praktijken te vermengen. Een paar rondjes extra door het dorp met de kist en rond de begraafplaats kan geen kwaad om geesten buiten spel te zetten, zo was de gedachte. Om dat te voorkomen hadden autoriteiten in sommige plaatsen een speciale rouwweg aangewezen, waarlangs de rouwstoet zich moest bewegen. In de volksmond was dat de ‘reeweg’. Dus het bidden voor mensen die over de reeweg gaan, is het bidden voor de rouwdragenden.

Soms is er onverwachte interactie tussen Ronald en mij. Ronald vertelde in zijn preek over de kerk. Hij zag voor zich vanaf de kansel het orgel met daarop een Davidsfiguur. En met een knipoog naar het thema van de dienst ‘Dat ha’w neet dach’ zei hij: ‘Dat had ik niet verwacht, dat zoiets zou kunnen in een gereformeerde kerk’. Ik pakte dat beeld nog even terug toen we elkaar verderop in de dienst een hand gaven. ‘Kerstfeest is een vrolijk feest. Zelfs het gebouw herinnert ons daaraan. Daarom staat er een David op het orgel. Niet met een slinger. Maar met een harp. En hij wordt geflankeerd door twee engeltjes met trompetten. Alles mag bijdragen in de vreugde’. En de vicaris herkende dat spel van spreken en aanvullingen geven. Aan het einde van de dienst zegenden we de gemeente. In de tekst stond, in het dialect: ‘Ronald: Det Gods vrede oe zal umaarmn; ok in momenten van verdriet’. Ik reageerde met: ‘IJ gef oons zien zeegn: de Vader, de Söhne en d’Eilige Geest’. Ronald: ‘Amen’. En ik zou afsluiten met: ‘Gaot hene in vrede’. Ik voegde nog iets toe, wat niet op papier stond: ‘Of zoas wi’j in de streektaal zeign: Kalm andoen’’. En Ronald daaroverheen: ‘Gaot hen en kumpt weer’.

De burgemeester van Zwartewaterland leverde een bijdrage aan de kerstnachtdienst in de streektaal. Hij verzorgde de lezing uit het Johannes-evangelie. Hij nam ook deel aan de voorbereidingen. Dat zijn waardevolle momenten voor vicarissen en classispredikanten. We konden met hem spreken over de nieuwe richtlijnen van het ministerie van ocw, toen we moesten wachten tot het koor klaar was met de repetities. Het ministerie van ocw vraagt burgerlijke gemeenten een kerkenplan te maken, waarin de gemeente inventariseert welke kerkgebouwen er zijn in de gemeente en benoemt in hoeverre de toekomst van de gebouwen is veilig gesteld. Het was voor ons aanleiding van gedachten te wisselen over de toekomst van de rooms-katholieke kerk in Hasselt en het belang van de daarbij behorende ‘heilige stee’, een bedevaartsplek voor vele pelgrims in het noorden van het land.

Vreugde van het ambt

Het is voor een classispredikant kiezen, zoals voor alle collegae, welke evenementen van organisaties je bezoekt en welke je laat schieten. Ik besloot deel te nemen aan de presentatie van een nieuwe bundel van Arnold van Ruler in Hilversum. Deel 5B van het verzameld werk werd gepresenteerd, zeg ik erbij voor de kenners. Ik was benieuwd naar de teksten die mensen zouden uitspreken bij de presentatie. Arnold van Ruler – zo schatte ik in - heeft een praktische benadering die aansluit bij de theologie die mensen in de regio herkennen. De nieuwe bundel ging over kerkorde, kerkrecht en ambt: allemaal dingen waar je als classispredikant mee te maken hebt. Ik was de dag van de presentatie toch al in Hilversum, waar de presentatie plaatsvond, omdat het Fugo (oecumenisch overleg Flevoland, Utrecht, Gelderland en Overijssel) er vergaderde. Dus veel reistijd hoefde het mij niet te kosten. Het bood me de gelegenheid om dr. Dirk van Keulen de hand te drukken. Dirk van Keulen is predikant in Luttelgeest en hij is parttime werkzaam als één van de coördinatoren bij het Van Rulerproject.

Ik was vooral geïnteresseerd in de ambtsopvatting. Ik wist dat Van Ruler weinig moest hebben van predikanten met buitengewone opdrachten. Al bladerend in de uitgave kwam ik stukken tegen waarin hij inging op de ‘bijstand in het pastoraat’ en de ‘vicaris’. Het laat zich raden dat Van Ruler daar weinig van gecharmeerd was. Hij heeft moeite met de tijdelijkheid van de invulling, met het para-ambtelijke karakter en met een ambt wat je zo maar los van een ouderling zou kunnen spotten.

Arnold van Ruler zegt natuurlijk niets over de classispredikant. Hij schreef in de jaren vijftig, zestig van de vorige eeuw. Hij zegt wel de nodige wetenswaardige dingen die je als classispredikant aan het denken zetten. Hij vindt bij voorbeeld dat de dienaar des Woord een Siamese tweeling moet blijven van de ouderling. Iedere predikant behoort ouderlingen en diakenen naast zich te hebben. Van Ruler wil vasthouden aan de veelheid van de ambten. Je voorkomt op die manier dat je in een dominocratie verzeild raakt. Arnold van Ruler zet in bij het apostelambt. Daarmee schudt hij je door elkaar. Je realiseert je dat je maar niet zo een ambtstheologie uit het nieuwe testament kunt afleiden als alibi voor je eigen werk. Hij benadrukt de noodzaak je open te stellen voor de werking van de Geest: de pneumatologische invalshoek van het ambt. Zonder kracht van de Geest geen kracht in het ambt. Hij verankert het ambt aan de gemeente. ‘Elke dienst of elk ambt is gegeven in het geheel van de gemeente’. Het ambt is er alleen en het functioneert alleen in de gemeenschap van alle mensen die God kennen. Van Ruler zou wel willen dat de gemeente in iedere vergadering om de hoek zou kunnen meekijken. Hij citeert op dit onderdeel Karl Barth, waarmee hij toch niet super veel gemeenschappelijk heeft: ‘Die Gemeinde lebt nicht allein in des Ämtern; aber die Ämter leben allein in der Gemeinde’. De gemeente omringt degene die dient in het ambt permanent, stelt Arnold van Ruler, ‘door voorbede en kritiek’. Het is die dubbele beweging die me van belang lijkt voor een classispredikant: het verzoek om voorbede voor het werk en de bereidheid je te laten bevragen en waar nodig te laten corrigeren op de manier waarop je invulling geeft aan het ambt.  

Arnold van Ruler, zag ik toen ik de bundel doorbladerde, heeft een inleiding voor de classicale vergadering in Haarlem gehouden op 8 oktober 1957 over ‘de vreugde van het ambt’. Hij werkt er vanuit drie uitgangspunten:
a. Het grondstramien van de geloofsuiting en de Godsverering in het christendom zal gelijk blijven, meent hij: we komen bij elkaar – we lezen uit de Schrift - we zingen God eer toe – we bidden – we spreken – we offeren – we eten en drinken – we zegenen.
b. We moeten niet alleen naar buitenkerkelijken kijken, die niet meer komen, maar ook naar de kerkelijken, die trouw zijn, die komen, die geloven en belijden, die gemeente zijn. Van Ruler citeert in deze context Gilles Quispel: ‘We moeten de bruid van Christus niet permanent een blauw oog slaan’.
c. Hij waarschuwt tegen de gedachte over Religionslosigkeit, die losgeraakt is van het gedachtengoed van Dietrich Bonhoeffer. Van Ruler: ‘Het wil mij voorkomen, dat dit spreken verbazend oppervlakkig en gevaarlijk is. Het is onnatuurlijk, als de mens niet meer religieus is, dat wil zeggen: als hij niet meer gemeenschappelijk de vreugde over het zijn uitspreekt (God prijst)’.

Iedere tijd heeft zijn onkerkelijkheid, meent Van Ruler, ‘de weinigen moeten getrouw zijn. En dat in het besef de waarheid en het heil te delen: in Christus is ons de vergeving, het nieuwe leven en de onsterfelijkheid geschonken’. En dat laatste, stelt Van Ruler, is dan ook de vreugde van het ambt. Het ambt is ‘bemiddeling van het heil, zó dat het vólle heil wordt omgezet in vollédig menselijke levenswerkelijkheid en er geleefd wordt ‘in Christus’’.

Dat wat ik tot nu toe heb geschreven heb ik geciteerd uit de bundel zelf. Bij de presentatie kwamen verschillende theologen aan het woord en dan merk je hoe de oude meester zich vermengt met het eigen gedachtengoed. Van Ruler verbond zijn opvatting over het ambt aan de predestinatie, legde één van de inleiders uit. God is ons voor in de genade. Zo roept God zelf mensen tot een bijzonder ambt, nog voordat mensen zich dat realiseren. Daarmee is de kerk niet allereerst democratisch, maar is er op gericht aan die roeping te beantwoorden. Dat mag dan waar zijn, denk ik heimelijk, het komt in ieder geval niet los van de gemeente, die steeds over de schouders van al te solistische ambtsdragers meekijkt en als er al een lofprijzing op de ambtsdrager bestaat dan is het – als ik Van Ruler goed versta – de ouderling die deze eer te beurt valt.

Tweederde van de bundel gaat overigens niet over het ambt, maar over de kerkorde. En dat is voor mij als classispredikant nuttig, omdat we vaker dan ons lief is, de kerkorde uit de tas moeten halen en de woorden spellen over hoe je dingen regelt. Van Ruler legde de basis van de kerkorde van de hervormde kerk, die in 1951 werd ingevoerd en die tot op zekere hoogte souffleur was van de kerkorde van de protestantse kerk. Van Ruler had een hoge pet op de van de kerkorde en gaf af op mensen die ‘van een kerkorde alleen maar een apparaat verwachten om dienstbaar te zijn’. Dat hoge ideaal qua uitgangspunt was koren op de molen van dr. Leon van den Broeke, docent kerkorde, die op dit onderdeel van het verzameld werk inging.

Buitenstaanders vinden alles wat met kerkorde te maken heeft misschien formeel. Maar dat is ten onrechte, zei Van den Broeke in navolging van Van Ruler. Kerkorde geeft structuur aan het kerkelijke leven, maar is meer dan dat. Het is ook dienstbaar aan het heilige. Het is zelf een loflied. Daar waar men deze notie vergeet, kan Christus omslaan tot de anti-Christ. ‘De kerkorde is het menselijke steigerwerk, de kerk is Gods bouwwerk’. Of het helemaal waar is, weet ik niet. Ik moet te vaak de kerkorde uit de tas halen als de emoties oplopen. Tegelijk is het wel pastoraal te beseffen dat structuur dienstbaar kan zijn aan het koninkrijk van God. En die gedachte heeft iemand als Van Ruler in diverse toonaarden uitgebouwd.

De uitgever Nico de Waal van Boekencentrum had voor de presentatie van de band 5B de Diependaalse kerk in Hilversum uitgezocht, waaraan Arnold van Ruler van 1940 tot 1947 als predikant was verbonden, voordat hij hoogleraar werd in Utrecht. De hoogleraar overleed in 1970. Sinds 2007 wordt zijn nalatenschap in brieven en inleidingen gebundeld uitgegeven. Er zijn al acht delen beschikbaar met 6000 pagina’s. Het werk zal nog even doorgaan en uiteindelijk een halve meter in de boekenkast vragen, kondigde Nico de Waal aan. 


Verbintenisdienst


Het hele avontuur als classispredikant begon met een verbintenisdienst. De aanloop daar naar toe was een eerste moment waarop ik me realiseerde hoe nieuw de functie is. Het ontbreken van een inbedding, deel van de charme en de pioniersmogelijkheden, gaf tegelijk eenzaamheid en de noodzaak elementaire zaken zelf te regelen. Er moest een kerk worden gekozen voor de dienst; ik hield het in tegenstelling tot vele collegae niet op een klassieke kerk uit de middeleeuwen, maar op een kerk in de nieuwbouwwijk van Kampen, omdat ik dat de meest passende uitstraling vind bij het tijdsgewricht waarin de kerk is gekomen. Toen ik de dienstenorganisatie vroeg om een liturgie te vermenigvuldigen, bleek dat niet in de deal van de ondersteuning te zijn opgenomen. En dus plakte en knipte en kopieerde en niette ik zelf. Voor catering was geen standaardprotocol dus herinnerde ik diverse mensen in de wijk aan hun latente vriendschap met mij en verzocht hen bij te springen.  Ik heette mijzelf welkom in de nieuwe wereld van pionieren. De gastenlijst, de uitnodigingen, de sprekers, de mensen die meededen met de zegening, de liturg, de organist, het koor, de koster, de bloemetjes in de ontvangstruimte, extra statafels, de powerpointpresentatie, de foto’s van diverse kerken in de regio, de kinderoppas, de aankondigingen in de pers: Je mag het zelf weten; je mag het ook allemaal zelf opzetten. Ik koos drie lezingen: Jozua 19: 32-29, Lukas 5: 1-6 en 1 Korintiërs 12: 12-16, 18. Het leidde tot de volgende overweging in de dienst.

Gemeente van onze Heer Jezus Christus, gasten in het bijzonder vanmiddag, 

Toen ik bevestigd werd als predikant in algemene dienst tien jaar geleden gaf Henk Pietersma uit Leeuwarden me een schilderij. Het staat op de liturgie. Pietersma heeft het zelf gemaakt. Henk is de man die ook het eerste omslag van de NBV heeft vervaardigd. Hij gaf me het schilderij en zei: ‘Dit lijkt me een passend geschenk voor iemand die in de kerk gaat werken’. Sindsdien houdt me de vraag bezig: waarin zit dat passende? 

Pietersma – moet ik nog vertellen - heeft een eigen techniek van werken. Hij neemt het canvas van het schildersdoek, gaat naar buiten, schuurt het canvas enkele keren over het trottoir, zodat er krassen en strepen op komen,  gaat weer naar binnen, leest een bijbelgedeelte en verbindt de gedachten van de bijbelstudie met de krassen en gaat schilderen. De krassen vullen zich met verf en glans.

Dit schilderij stelt de discipelen voor die de netten uit het water trekken. De discipelen zijn piepklein. De twee schepen groter, het begin van een vloot, in het Latijn ‘classis’, classemque. De netten zo vol dat ze haast het schilderwerk uitrollen. Op het schilderij staat een Friese tekst: ‘Djip wetter’, ‘diep water’ betekent het. 

Laten we wat verder naar Lukas kijken. Het verhaal speelt zich af in Kafarnaüm. Jezus heeft er – staat in het vorige hoofdstuk - de schoonmoeder van Petrus genezen. De perikoop begint met de discipelen die zonder resultaat een nacht hebben gevist. Jezus spreekt hen aan en klimt in één van de schepen. Hij spreekt vanaf het water de mensen toe. Want ‘de menigte drong aan’, staat er (vers 1). Mensen hebben dat in alle tijden; een soort oerverlangen om woorden te horen die het platte vlak overstijgen, een oriëntatie op diepgang. De één vindt het in de cultuur. De ander in religie. Jezus onderwijst de mensen. Hij doet dat, net als in de  synagoge in Nazareth, zittend. Als hij er klaar mee is, vers 4, spreekt hij Simon aan. En dan gaat hij zich bemoeien met iets waar hij als timmerman weinig verstand van heeft. Hij gaat de vissers uitleggen hoe ze moeten vissen. 

Wonderlijk. Ik las van een collega Gerard van Zanden die onlangs een beroep aannam naar de gereformeerde kerk op Urk. Hij realiseerde zich dat bijna alle gemeenteleden geld verdienen in de visindustrie en dat hij daar weinig van wist. ‘Wie nog nooit gevaren heeft’, zegt een kinderliedje, ‘die weet niet hoe een zeeman leeft’. ‘Als je predikant wordt op Urk’, zei hijzelf, ‘moet je leren wat het betekent om zo nauw verbonden te zijn met de zee’. Hij ging dus een week mee op de UK 189 van schipper Cornelis de Vries. En hij leerde hoe het leven aan boord toegaat. Het begon met zeeziek te zijn, zo begreep ik uit de krant.  Wijs lijkt me dat van Gerard, om eerst het zilte water te smaken wat zijn hoorders dagelijks op de lippen ligt. 

En daar klinken die woorden: ‘Ga naar diep water’. Als je dat oppervlakkig leest, hoor  je er in: ‘Je moet even doorzetten’. Maar dan is het wel een wonderlijk advies van de beste stuurman die beter aan de wal had kunnen blijven staan. Want de vissers gaan juist ’s nachts vissen, omdat je dan de meeste kans hebt iets te vangen. Overdag gaan de vissen rusten in de diepere wateren. Ze zijn minder actief. Als je ’s nachts niets vangt, vang je overdag helemaal niets. Schoenmaker blijf bij je leest, ben je geneigd te denken. Timmerman hou je bij je hamer. 

Laten we nog wat verder graven in de bijbel. Het woord ‘diep’ kom je meer in het Oude Testament tegen dan in het Nieuwe. Het is ‘oomek’ in het Hebreeuws. De diepte is in Spreuken 9 de ‘diepte van het graf’. En in Spreuken 25 ‘de diepte van de aarde’. Het woord ‘diep’ heeft dus ook een sensuele betekenis, de plek van het geheimenis, waar duistere macht huist. De plaats waar de bullebak woont. Alle Nederlandse vertalingen handhaven dan ook dat woord ‘diep’ in hun vertaling, zelfs de wat oppervlakkige ‘Bijbel in Gewone Taal’. Het gaat bij de diepte om onbekend terrein. De krochten van de aarde. 

Lukas is de enige evangelist die op deze manier het verhaal weergeeft. Het is alsof hij de discipelen voorbereidt op hun latere taak, als ze vissers van mensen worden. Als het niet lukt zoals het moet, moet het maar gaan op wonderlijke wijze. Jezus stelt een daad waar de vissers later als vissers van mensen steun aan hebben, een voorbeeldervaring waar ze op terug kunnen vallen. Vertrouwen aan kunnen ontlenen. 

Laten we ons nog eens iets meer verplaatsen in Simon, de man van wie zojuist de schoonmoeder is genezen. Hij was de netten aan het reinigen. De ongerechtigheden moeten er uit. Hij heeft er de handen vol aan. En dan komt zijn leven van de ene op de andere dag in een ander licht te staan. ‘Naar diep water, Simon’.  ‘Meester, wij hebben de hele nacht al gevist…’. Dat woord ‘Meester’ fascineert me, ‘Epistata’ in het Grieks. Als je het terugvertaalt zou je het joodse ‘Rabbi verwachten’. Maar Frans Delitzsch doet dat niet in het Hebreeuws, hij schrijft ‘Moreeh’.  Dat betekent zoveel als ‘Ziener’. Je kan het als compliment lezen, dat Jezus meer ziet dan anderen. Je kan het ook spottend lezen als: ‘Wat zal jij mij beleren…’ Ik vermoed dat hij sceptisch is. Hij ziet het eigenlijk niet zitten, maar uit respect voor Jezus geeft hij het een kans. 

Simon heeft iets van een beginnend ambtsdrager. Je hebt je reserves. Je aarzelt. Het is wellicht zoals meer mensen hier in de kerk in het ambt staan. Ruusbroeck: ‘Het ambt is het overwinnen van de vrees’. De vrees is de twijfel bij jezelf. Dat de timmerman harder op de spijker slaat dan zijn beroepsopleiding rechtvaardigt. De tekst nodigt uit vol te houden. 
Maar de tekst is meer dan dat. De woorden komen niet uit Spreuken of Prediker. Het is geen levenswijsheid. Ze staan in het evangelie. Het is  Jezus zelf die de woorden uitspreekt. En daarmee is de aanmoediging tegelijk een belofte. Een belofte is meer dan een aanmoediging; is zelfs meer dan hoop. 

Zal ik toelichten. Wij in de wereld hebben hoop. Hoop dat we ongelijke inkomstenverdelingen kunnen rechtzetten. Hoop dat we de klimaatveranderingen kunnen doorbreken. Hoop dat de mensen in Irak en Syrië hun land weer zullen bouwen. Hoop dat de opkomst van het fascisme in Nederland een keer zal nemen. Hoop is inspiratie voor mensen onder elkaar. Een belofte is hoop waarbij er ook iemand aan de andere kant staat, die zegt: ‘Ik help het je hopen. Ik sta garant voor de vervulling van je hoop. Ik beloof het’. Een belofte is hoop tezamen met een persoon die de hoop met jou deelt en het helpt te verwezenlijken. Die persoon is God.

Wij, christenen leven van een belofte. De belofte van Jezus: ‘Ik ben met je tot aan de voleinding van de wereld’. Ik herinner me een man die ooit op een begraafplaats sprak. Het graf lag open. De kist er boven. En hij zei: ‘Nu resten ons nog maar twee zaken: een open graf. En de belofte….’. De kracht van de persoon, de persoonlijkheid van Jezus, die aan de andere kant van de tijd staat, is zo sterk dat de hoop ons boven het hoofd groeit. Het verhaal met de vissen uit de diepte wil zeggen, dat mensen uit de krochten van de aarde aan het licht worden gebracht. Er is de belofte van Christus.   

Bemoedigend vind ik het, dat het in Lukas over het gewone leven gaat. Het gaat over vissers die vissen. En Jezus tilt de discipelen op uit dat gewone leven. Hij brengt een diepere dimensie in het bestaan. Hij geeft het zin en doel. De vissers zijn bezig met de bede ‘Geef ons heden ons dagelijks brood’. Jezus is al een paar stappen verder met de bede ‘Uw koninkrijk kome’. Het evangelie gaat over het hele, complete leven. Inclusief de dalen en de pieken. De krassen van het trottoir en de glans van de verf op het schilderij. In onze geloofsbelijdenis heet het: Jezus is gekruisigd, gestorven, begraven – steeds dieper gaat het – nedergedaald ter helle; maar ook ten derde dage opgestaan. De dood kan ons beangstigen. En wat daarna komt. De leegte. De verdamping. Het kan je bang maken. Maar niet meer doodsbang. Want dankzij Christus weten we dat niets ons van hem kan scheiden. Er is geen god-verlatenheid achter de dood. De diepste duisternis licht op. De Catechismus zegt het zo: ‘Ik mag er in mijn felste aanvechtingen zeker van zijn en er rijke troost uit putten, dat mijn Heer Jezus Christus mij van de angst en de pijn van de hel verlost heeft’. 

Het is om die reden dat we als kerken contact zoeken met andere mensen in de wereld; overheden en organisaties. We gunnen anderen de vrucht van die inspiratie. Opdat we elkaar voeden met geloof, liefde en hoop. Daar waar men er gevoelig voor is laten we zien hoe onze hoop een belofte is. Daar waar men het niet trekt volstaan we met hoop te delen. Omdat we geloven dat iedere verandering in de samenleving, iedere verbetering, iedere vermenselijking, begint met hoop, met vertrouwen dat het kan. 

Daar waar we samen in de samenleving te kort schieten, keren we terug naar de kerk, en dragen we de samenleving op in ons gebed. Omdat we weten, dat de adem die we halen Gods adem is. En waar we ons willen laven aan de glans heffen we het loflied aan. 

Bij de lezing van Lukas hebben we een lezing uit het Oude Testament toegevoegd, over de verdeling van het land. Met eindeloze precisie heeft Jozua (van wie de stamletters dezelfde zijn als van Jezus) opgeschreven welk stukje land voor wie is. Als classicale vergadering van dit deel van Nederland zijn we geroepen het evangelie ingang te doen vinden in Overijssel en Flevoland. Of om het in de taal van Jozua te zeggen: ‘De grens loopt van de brug over het Veluwemeer, via Almere, naar Kuinre en Willemsoord’. En in het oosten: ‘Van Bruchterveld en Losser via Glanerbrug naar Haaksbergen’. Twee burgerlijke provincies. De één met een sterke pioniersdrive, de ander meer gestroomlijnd vanuit bestaande relaties en relationele zorgvuldigheid. Beide met de ambitie woonplaats van het evangelie te zijn. 

Hoe zal het zijn in het werk van de classis, het nieuwe streekverband in onze kerk? We zitten als classis tussen land en plaatselijke gemeente. Het land bedenkt contouren van beleid. Plaatselijk kennen we de dagelijkse praktijk. En de regio zoekt daar tussen in naar balans. De regio zorgt dat het land niet al te wereldvreemd wordt. Mag ik hopen. En de regio zorgt er voor dat de gemeenten niet te veel wegzinken in eenzame eigenzinnigheid. Mag ik hopen. 

Ik heb een deel uit Jozua gekozen waarin de noordelijke stammen aan bod komen, de stam van Naftali. Dat is de regio waar Jezus leeft, 33 jaar lang. Je zou verwachten dat plaatsen als Kafarnaüm en Betsaïda in Jozua worden genoemd. Maar ze staan er niet. Al die plaatsen maken onderdeel uit van een groter geheel: ze zijn deel van beloofd land. En de ideale bewoning van beloofd land geeft je wel verantwoordelijkheid voor een district, maar het gaat om het geheel. Het zijn de levieten die je er aan herinneren dat het God gaat om de hele wereld, de hele oecumene. Vandaar dat de levieten geen vaste woonplaats beërven. Uiteindelijk is er een geestelijk lichaam dat het plaatselijke en het eigen confessionele overstijgt: God alles in allen

Mijn bede is dat we elkaar daarin versterken. Zoals de discipelen op het schip de taken verdelen: de één aan het roer, de ander bij het zeil, de derde bij het net. Of zoals Paulus het benoemt: de arm, het been, het oog, het oor. Elk heeft een eigen taak. Dat we zo elkaar aanvullen om tot zegen te zijn in de wereld zoals God die heeft bedoeld.  

Nieuwe woorden  

Honderdtwintig dagen Overijssel-Flevoland. Het eindigde in de kerstnacht. Ik was gevraagd door ds. Jaco Zuurmond om in Enschede te komen en de kerstnachtdienst mee te vieren. Het moest een seculiere kerstdienst worden. Het moest een dienst worden in de taal en in de beelden van de mensen van deze tijd, die meer op de terrasjes zitten rond de Oude, de Grote Kerk in Enschede dan binnen de muren waar de namen van twee voorgangers in steen zijn aangebracht: Nanne Zwiep, die in Auschwitz werd vermoord en Leendert Overduin, die zich inzette voor Joodse onderduikers. Het moest een oproep worden geplaatst tot seculariseren in de zin van omkeren, bekeren. Passender afronding van de 120 dagen had ik me niet kunnen denken. Het brengt het meest essentiële thema uit de eerste indrukken tot een focuspunt: Hoe bereiken we mensen buiten de kerkmuren, hoe maken we contact met hen? ‘We kunnen niet zonder pre-politieke waarden als verzoening, vertrouwen en barmhartigheid’, had Jaco op de liturgie geschreven. Kerst moet seculariseren.

Hoe zo’n dienst er moest uitzien, wisten de twee verantwoordelijke dominees eerst zelf nog niet. Ik sprak er een uurtje over met Oane Reitsma en met Jaco Zuurmond in een studentencafé op een steenworp afstand van het Kerkplein. ‘Ik ben geïnspireerd door Beatrice de Graaf’, zei één van de predikanten. Ze was bij Mathijs van Nieuwkerk in de uitzending. Mathijs bevroeg haar tot schandalens toe op haar geloof. ‘Ik wil het weten’, zei hij. ‘Hoe kan dat. Jij zo deskundig, hedendaags, helder, wetenschappelijk aan één kant. En zo intens gelovig aan de andere kant’. ‘Probeer me nu eens net zo helder uit te leggen hoe dat geloof in jou werkt, en hoe geloof en wetenschap samenhangen. Dat viel zélfs voor de welbespraakte Beatrice niet mee. Met een rood kleurende hals deed ze een poging, stamelend. De vraag was té verrassend. Maar toch. De vraag was gesteld en de vraag was gehoord’.

Jaco zag de rol van ‘de bijna-bisschop’ helemaal voor zich. Ik zou worden voorgesteld als een nieuw gezicht in de classis. Ze spraken in de kerkdienst over ‘provincies’, want als je het woord ‘classis’ gebruikt in een seculiere omgeving had men geen idee waarover het zou gaan. De predikanten zouden een paar filmpjes maken met mensen uit de Enschedese samenleving, die hun eigen kerstinterpretatie mochten geven. Het werden wisselende verhalen en ik kreeg daarna het woord om namens ‘de kerk’ de lijnen te leggen, zodat er een compleet plaatje uit zou worden gemaakt. En, kondigde Jaco al aan, voordat je uitgesproken bent, zetten we muziek in, die je de kerk uitblaast, die je overstemt, zodat je als kerk als het ware moet stilvallen omdat de zang van de engelen je overstemt en overklast.

Ik vond het een zinvol beeld. Toen de kerstavond aanbrak, reed ik ’s avonds laat door de heiligennacht naar Enschede. Ik parkeerde de auto en liep het laatste stukje naar de Oude Markt. Onderweg manoeuvreerde ik me lenig in slalom door aangeschoten studenten heen. Ik zag hoe de kerk volstroomde. De mensen zetten zich op de theaterstoeltjes. De dienst begon. Filmpjes en liederen wisselden elkaar af. Toen de filmpjes klaar waren trok ik een paar lijnen. De afspraak was dat ik bij het woord ‘vierde’ overstemd zou worden.

Eerst kwamen de filmpjes. Toen was ik aan de beurt. Er waren verhalen van een wetenschapper, een psycholoog, een twentenier, een verzekeragente en een pensionaris. Mij trof, dat ze allemaal geloof als vanzelfsprekend uitgangspunt hadden. Ze hadden allemaal in de gaten dat geloof bezieling geeft. Dat het een motor betreft die je in beweging zet. ‘Het is lef tegen beter weten in’, zei de twentenier, ‘op weg willen zijn naar een andere wereld’. Ik citeerde in mijn commentaar Yvonne Zonderop die haar eigen drive in de comeback van religie typeerde als: ‘Ik ben veranderd van afwijzend, via ongeïnteresseerd naar onderzoekend’.

Er mag dan sprake zijn van geloof bij een ieder, evenzeer bleek uit de filmpjes dat het geloof basic is; en met basic bedoelde ik in deze context niet de elementaire insteek van de ‘alfa-cursus’, waar we in een deel van de kerk op teruggrijpen om elementaire woorden opnieuw aan te reiken; het was een basic-geloof in de zin dat mensen hun eigen nieren proefden en hun eigen levensbeschouwelijk pakket samenstelden. ‘Ik heb niemand op de filmpjes gezien die de vraag gesteld heeft: ‘Dominee, leg het me nog eens uit’, of: ‘Bijna-bisschop wilt u mij bij de hand nemen?’ Nee, men was geneigd zelf een weg te kiezen. Peter Paul Verbeek, een wetenschapper, zei het zo: ‘Het is de paradox van een kerk die terugtreedt en een steeds groter wordende groep van mensen die stikt van de levensvragen’. Marieke Hofman, een psychologe, was wel heel pregnant-kritisch toen ze zei: ‘Ik heb vaak het gevoel dat God is gekaapt’. Wij van de kerk hebben naar haar idee juist te veel inkadering gegeven en de oorspronkelijke gevoelens van spiritualiteit daarmee dood gedrukt. Ze vroeg ruimte voor nieuw leven, een nieuwe levensbeschouwing, net als de illustraties van het blad Happinez; de illustraties zijn wel gebaseerd op oude gotische letters waarin de bijbel is weergegeven, maar krullen daaroverheen een vernieuwde interpretatie met veel psychologie en holistische spiritualiteit.

Boeiend aan de bijdrage van Marieke Hofman vond ik, dat ze inkadering afwees en zich daarbij niet beperkte tot een kerkelijke inkadering. Ook de post seculiere verlichtingsmoraal kreeg de volle laag. ‘Ik spreek veel studenten met stressklachten. Ze krijgen als moraal mee dat alles kan en alles mag. Maar als het je dan niet lukt in de samenleving heb je dat aan jezelf te wijten’. Jonge mensen ontmaskeren de verlichtingsmoraal. Ze hebben in de gaten dat het niet waar is. Voor veel mensen is de laatste rustplaats met zo’n moraal pas de eerste rustplaats. Het is misschien waar als je blauw bloed hebt, dat je je plek weet te veroveren, maar veel mensen ervaren zelf slechts de blauwe plekken.

Ik citeerde een gedichtje van Lévi Weemoedt, de ‘Carrière’ heet het. Het komt uit het boekje ‘Pessimisme kun je leren!’, het stond in de top-tien van de AKO.

‘Toen ik ter wereld kwam,
   waren al de baantjes al vergeven
Alle vrouwen al getrouwd,
   alle boeken al geschreven
Alle toppen al bereikt,
   alle zaken al beklonken.

Dus besloot ik te gaan drinken
en heb daarin uitgeblonken’.

Met de bargeluiden, de dreunende bas uit de disco en soms rinkelend glas wat door de muren van de kerk heen vanaf het kerkplein ons bereikte, riepen de laatste woorden een melancholische glimlach op van herkenning.

Het bracht mij bij een derde punt: de kwetsbaarheid. Er was in verschillende verhalen besef van kwetsbaarheid. ‘Je hebt het met dit kerstverhaal te doen’, zei één van de geïnterviewden. ‘Het is het kindeke Jezus, dat trekt’, zei Pieter Kooi, ‘klein en teer’. Peter Paul Verbeek vertelde dat ieder een eigen kerstverhaal zou moeten schrijven. Met de camera gericht op het interieur van het design lab werd het een uitnodiging om in een laboratorium je eigen kerstkind te ontwerpen. ‘Een bijzondere gedachte’, zo vatte ik samen. En ik vroeg me af wat ik zou hebben gedaan als ik voor zo’n goddelijke opgave was komen te staan. Misschien toch maar een meisje als Heer? Dat zou twintig eeuwen geschiedenis voor vrouwen behoorlijk eenvoudiger hebben gemaakt. En wat zou er gebeurd zijn als we een islamiet in de wieg hadden gelegd in plaats van een jood? Ik maakte de bijna blasfemische gedachte niet verder af. Ook de filosoof onderbrak zichzelf in het filmpje. Want je loopt maar zo het risico dat je als ontwerper je eigen verstand en ratio te veel laat overheersen. Het geheim van het kerstevangelie is toch – ik citeer de filosoof – ‘de macht die geen macht is’. De dienstbaarheid, het oog voor kwetsbaarheid. Het is dus niet het ideaal van wat je zelf in het reageerbuisje stopt, het is misschien wel het afval waar je oog voor gaat krijgen.

Ik noemde een vierde punt. Toen lichtte er een spot op in de hoek van het Wilminktheater. Er stond een kleine jongen, die krachtig op een trom roffelde.

'