Foto: tekening van Toutenburg bij Vollenhove, de residentie van het nieuwe Overijssel

Begin van provincie Overijssel onderstreept belang van tolerantie


Het jaar 2028 is een kroonjaar voor de provincie Overijssel. Dan is het precies 500 jaar geleden dat de provincie onder de naam Overijssel het levenslicht zag. Voor kerken en religies is het de uitdaging vanuit zingeving een plek in het collectieve geheugen te vinden. En dat is best ingewikkeld, want het jaar 1528, toen de provincie het levenslicht zag, munt niet uit in godsdienstvrijheid en impulsen voor het godsdienstige leven. Als je kijkt naar kerkbouw vind je in de jaren 1528 en volgende alles behalve veel nieuwbouw.

Als je vanuit zingeving een accent wilt plaatsen, zou het kunnen zijn dat de ontwikkelingen rond 1528 onderstrepen hoe belangrijk het is bij een groeiende politieke eenheid tolerantie vanaf het begin in het vaandel te schrijven. En tolerantie wil dan niet alleen zeggen: ‘Ruimte laten voor anderen’, maar juist bij de talloze minderheden die er heden ten dage zijn proberen de verscheidenheid van die minderheden een microfoon te geven en een gezicht te laten uittekenen.

Het boek ‘Tweeduizend jaar geschiedenis van Overijssel’ (onder redactie van Klaas Jansma, Lykele Jansma en Meindert Schroor uit 1990) schrijft best innemend over de aanvang van een centraal bestuur. Karel V nam in 1528 het bestuur over in het Oversticht en het Sticht van de bisschop van Utrecht. Hij wist in 1536 ook Groningen en Drenthe aan zich te onderwerpen. En langzamerhand ontstond er een bestuurlijke eenheid van wat je nu Benelux zou noemen.

Bij Karel begon zich iets af te tekenen van wat je nu een nationaal gevoel zou noemen. Hij oversteeg de afzonderlijke wetten, de locale regeltjes, de diversiteit in maten en gewichten. Hij had – zeggen Jansma en de zijnen – oog voor de armoede onder de bevolking. Tegelijk ondervond hij fel verzet in Overijssel, omdat hij het bestuur onder een stadhouder met een hof en een rekenkamer oplegde. George Schenck van Toutenburg werd stadhouder van de vier noordelijke provincies. Hij werd op 21 maart 1528 in Kampen gehuldigd.

Schenck van Toutenburg

Schenck was al aanwezig in het gevolg van de in 1496 verkozen bisschop van Utrecht, en toen dus ook nog landsheer van Overijssel, want dat viel samen. Hij werd benoemd tot drost van Vollenhove en trad later toe als legeroverste in dienst van Karel V. Karel beloonde hem en maakte hem in 1521 stadhouder van Friesland en in 1528 ook van Overijssel; in 1536 volgden de al genoemde provincies Groningen en Drenthe. 

Als stadhouder van Overijssel gaf Schenck opdracht een spiksplinternieuwe residentie te bouwen. Plaats van ontstaan was niet Zwolle of een Twentse stad, maar Vollenhove. De keus voor een slot in Vollenhove markeert de overgang naar wat we nu de provincie Overijssel noemen. Het slot kwam in 1533 gereed en was vanaf het begin niet allereerst op verdediging gericht (de muren waren te dun), maar op representativiteit. De status van het slot werd in 1553 bevestigd door de komst in 1553 van het Hof van Kanselier en Raden, een nieuw gevormd hoog rechtscollege van de landsheer. 

Rooms-katholicisme

Karel had een groot verlangen naar eenheid in zijn rijk. Hij wilde die eenheid ook doorzetten op godsdienstig gebied. Hij was sterk op de hand van het rooms-katholicisme. Er kwam al in 1522 een inquisitie, een rechtbank in godsdienstige aangelegenheden, een instelling die Overijssel weigerde. Karel voerde zogenaamde bloedplakkaten in, aanvankelijk gematigd, maar steeds strenger, waarbij uiteindelijk in 1550 voor alle vergrijpen tegen de rooms-katholieke leer de dood in het vooruitzicht werd gesteld. ‘In een aantal gevallen waarin aangifte van ketterij werd gedaan, vormde geldelijk gewin voor magistraten en inquisiteurs een voorname drijfveer’, zegt de uitgave ‘Tweeduizend jaar geschiedenis van Overijssel’.

De auteurs van het werk schatten in dat er in de jaren 1520-1500 in de Nederlandsen zo’n 1300 mensen omwille van het geloof om het leven zijn gebracht. Het gaat dan om niet-rooms-katholieken: doopsgezinden (wederdopers) voorop, maar ook lutheranen en andere protestantse denominaties.

In Kampen ontstond er in 1529 veel commotie rond Arend Graet van Collen (Keulen). Hij was vicaris bij pastoor Albert Pigge. Er kwamen klachten tegen Arend Graet van Collen. Maar de burgers en gilden van Kampen namen hem in bescherming.

Men meende te leven in het einde van de tijden. Wederdopers geloofden dat het duizendjarig rijk spoedig zou aanbreken. Ze schreven voorspellingen daarover. Sommige van de vlugschriften werden gedrukt in de drukkerijen van de Hanzesteden, zoals de drukkerij van Peter Warners in Kampen.

De leider van de dopersen, Johan van Leiden, riep gelovigen op naar Munster te komen. Velen meldden zich en verzamelden zich in Bergklooster bij Hasselt. Ze werden opgewacht en tegengehouden bij Genemuiden. Bij Deventer werden anderen opgewacht en geblokkeerd. Veel aandacht trok de marteldood van de Joffers van Delden. De vrouwen werden gevangen gezet vanwege hun doperse sympathieën. De stadhouder gaf opdracht ze uit de gevangenis van Twikkel te halen en op 13 november 1544 werden ze ter dood gebracht op het Galgenveld bij Goor.

De godsdienstige twisten vielen samen met een periode van economische recessie. Voordat Karel V het bestuur overnam trokken benden plunderende soldaten door de regio. De boeren op het platteland waren van elke plundering de dupe. Tel daarbij de pestepidemieën en de overstromingen en het is duidelijk dat delen landbouwgronden onbeheerd bleven. De hanzesteden maakten ook een moeilijk periode door.  Ze kregen serieus verzet vanuit Engeland en andere regio’s.

Vermenging kerk en staat

F. van der Pol schrijft in ‘De reformatie te Kampen’ ook over de regeringsconcentratie van 1528. ‘Het gewest verwisselde in 1528 van landsheer. De bisschop die bij zijn inhuldiging beloofd had zijn onderdanen in het Oversticht te zullen beschermen, kon deze belofte na 1520 niet meer waarmaken. In plaats van de bisschop regeerde voortaan de keizer. Zijn toezeggingen werden vastgelegd in een tractaat, waarin de drie IJsselsteden bevestiging kregen van al de privileges en vrijheden die zij tevoren onder de bisschop-landsheer hadden genoten. Ten overstaan van de keizerlijke vertegenwoordiger, de stadhouder, legden op 24 maart 1528 de Kamper magistraat, meenten en burgerij de eed van trouw af aan Karel V. De nauwe band tussen kerk en politiek blijkt al direct uit het verslag van de plechtigheden die op de dag van de eedzwering te Kampen plaatsvonden. In aanwezigheid van de stadhouder werd in de St. Nicolaaskerk een hoogmis opgedragen. Daarna volgde de eedzwering op het raadhuis. Vervolgens trok de stadhouder met de Kamper magistraat van het stadhuis naar de kerk ‘processiewijze, alwaer Te Deum Laudamus gesongen ende op dat orgel worde gespeelt’’’.

Het tractaat vormde in de loop van de jaren steeds weer een bron van spaningen tussen het landsheerlijke en het gewestelijke bestuur. Voor de Staten van Overijssel en de drie IJsselsteden was het tractaat de waarborg voro hun in de loop van vele eeuwen verkregen rechten en privilegiën. Voor Karel V gold juist het verlangen naar eenheid de basis van de wetgeving een eenwording. Karel wilde juist een sterk centraal bestuur.

Voor Karel hoorde de ketterbestrijding tot een van de belangrijkste doelstellingen van zijn regering, meent F. van der Poll. Hij pastte een staatswetgeving toe inzake ketterij. Hij verbood de residentie van overgelopen monniken en nonnen. Hij verbood geheime vergaderingen en preken en sermoenen.

Zo blijft het beeld haken dat de invoering van de eenheidsstaat onder Karel V en de introductie van de naam Overijssel aanvankelijk gepaard ging met een rigide inperking van godsdienstvrijheid. Reden te meer om nu bij de herdenking de waardering uit te drukken voor minderheden en de noodzaak minderheden ruimte te bieden voor de beleving van hun geloof. Eenheid in bestuurlijke zin mag nooit gepaard gaan met intolerantie naar de burgers. Het vraagt juist van de meerderheid inschikkelijkheid en bereidheid verdrukte groepen ruimte te bieden en uit te nodigen zichzelf te profileren.  

Coalitie-akkoord

Verschillende geledingen bereiden zich nu al voor op het jubileum. Het coalitie-akkoord 2023-2027 schrijft er over; de Overijssel-Academie besteedt er een project aan en het Historisch Centrum Overijssel ziet het als stip op de horizon waarbinnen men het digitale archief voor Statenresoluties op orde wil hebben.  

Het coalitie-akkoord van Gedeputeerde Staten schrijft er over onder het tussenkopje ‘500 jaar Overijssel’: ‘In 2028 bestaat Overijssel 500 jaar als zelfstandige bestuurlijke eenheid. Dat willen wij vieren. Door in de aanloop naar dit jubileumjaar te kijken naar het verleden, het heden en de toekomst en stil te staan bij dat wat ons bindt. We nodigen iedereen in Overijssel uit om ideeën aan te dragen en mee te doen’.

De OverijsselAcademie wil 500 jaar Overijssel gebruiken als projectthema. Naast de uiteindelijke viering is daarbij de aanloop tot de feitelijke viering van belang omdat je in de aanloop maatschappelijke partners bij het proces kunt betrekken.

Het Historisch Centrum Overijssel schrijft over het jubileum: ‘We willen de komende jaren het complete gedigitaliseerde archief van de Statenresoluties op deze manier ontsluiten, in opmaat naar de viering van 500 jaar Overijssel in 2028’.