Foto: Prof. dr. Lotte Jensen


Impact van watersnood op Overijssel


De Overijsselse watersnood in 1825 heeft veel impact gehad. In Kampen waren geen doden te betreuren. Dat was bijvoorbeeld in Zwolle heel anders. Na de watersnood waren er inzamelingsacties die 2.204.426, 83 gulden opbrachten, een enorm bedrag in die tijd.

Prof. dr. Lotte Jensen, Neerlandica en filosoof, vertelde er over voor de historische vereniging Jan van Arkel in Kampen op 9 januari 2024. Ze bracht in 2022 een boek uit met de titel ‘Wij en het water’. Ze brengt in dat boek de geschiedenis in beeld van watersnoodrampen in de periode 1421-1953. Ze raakte geïnteresseerd in het thema toen ze ontdekte dat haar Deense grootvader bij een groep militairen was die vanuit Denemarken over kwamen om hulp te verlenen aan de slachtoffers van de februariramp in 1953 in Zeeland. Het viel haar op, dat watersnoodrampen altijd gepaard gaan met grote solidariteit en met besef van kwetsbaarheid.

Je kan op twee manieren over het water rapporteren. Je kan uitgaan van de successen. Je brengt dan in beeld ‘hoe God de wereld schiep en Nederlanders Nederland’. Het succesverhaal begint bij 1612, toen de Beemster droogviel. In 1852 volgde de Haarlemmermeer. In 1932 sloot de Afsluitdijk. En in de twintigste eeuw kwamen de Deltawerken tot stand als een soort achtste wereldwonder.

Je kan de geschiedenis van het water ook vertellen vanuit de nederlagen en de rampen. Dan komen er andere jaren naar voren. In 1421 was de St. Elizabethvloed. In 1717 de Kerstvloed. In 1825 de Overijsselse watersnood. En zo kan je de jaren achter elkaar zetten met een watersnood: 1855, 1916, 1926, 1953, 1995.

Jensen heeft geschreven vanuit het perspectief van de nederlagen en de daarmee gepaard gaande solidariteit en de sterke aanwezigheid van het gemeenschapsgevoel. Ze benoemt vier vaste patronen die in elke ramp terugkeren: Er is een vast beeldrepertoire, er zijn rolmodellen, er is liefdadigheid en er ontwikkelt zich een herinneringscultuur.

Ze werkte enkele aspecten van het beeldrepertoire uit. Je ziet in de kunst steeds weer een kindje in een wieg voorbijdrijven met een kat die de wieg in evenwicht houdt. Het kind kreeg de naam Beatrix (afgeleid van ‘geluk’). Jensen liet zien hoe een anonieme schilder in de Middeleeuwen een watersnood op die manier verbeeldt en het patroon is door de eeuwen heen te herkennen tot Zeeuwse vluchtelingen die in 1953 worden opgevangen en in beeld worden gebracht met een kat die ze van huis uit hebben meegenomen.

Een ander beeld is dat van de waterwolf. Jan Adriaanszoon Leeghwater introduceerde het mytische dier in een betoog waarin hij in 1641 al pleit voor de inpoldering van de Haarlemmermeer. De nationale dichter Joost van den Vondel nam het beeld over in een gedicht dat eindigt met een beschrijving van een nieuwe polder ‘zo puur bij goud uit schuim’. Ook de dichter-dominee Nicolaas Beets neemt het beeld over.

Jensen bracht ook in beeld hoe de omgeving reageert op een watersnood. Mensen blijken bereid tot grote liefdadigheid. Op een ramp in 1784 bracht men 250.000 gulden bij elkaar. Op de Overijsselse watersnood in 1825 was er een bedrag aan donaties van 2.204.426,83 gulden Op een ramp in 1861 een donatie van 758.867 gulden. De ramp in Zeeland leverde 138 miljoen gulden op, waarbij ook het buitenland massaal doneerde.

De Overijsselse ramp leverde veel steun op. Die kwam vooral uit Nederland. De Belgische bijdrage, toen nog officieel verbonden met Nederland, viel tegen. De scheiding tussen de twee landen kondigde zich al aan. Er waren ook bijdragen vanuit Engeland. Lord Wellington, bekend van de slag bij Waterloo bijvoorbeeld, doneerde twintig pond.

Jensen liet een tekst zien uit 1825, waaruit bleek dat burgemeester Lemker een positieve rol speelde en verschillende vluchtelingen in het stadhuis liet onderbrengen ‘onder Gods zegen’. Ook vele ingezetenen van de stad herbergden vluchtelingen uit Kamperveen en IJsselmuiden. Via kerkdiensten werden er gelden verzameld. En er waren liefdadigheidsboekjes die mensen kochten, waarvan de opbrengst naar de slachtoffers ging. J.J. Cremer bracht in 1861 het boekje ‘Op den zolder’ uit en wist er 13.000 gulden mee op te halen.

Jensen vertelde dat je vanuit vier verschillende narratieven naar een ramp kunt kijken. Zij noemde de apocalyptische benadering, de religieuze, de ecologische en de technologische. Jensen stemde in met de opmerking dat je de verschillende invalshoeken niet tegen elkaar moet uitspelen.

Het is bekend dat het jaar 2025 in Overijssel op diverse plaatsen wordt herdacht. De Overijssel Academie kent het als project. Dr. Jan Dirk Wassenaar werkt aan een project, waarbij hij zestig preken analyseert die na de Overijsselse watersnoodramp zijn geschreven en daarop reageren. Jensen vertelde dat Adriaan Duiveman, geboren in Kampen, recent is gepromoveerd op een proefschrift over de plek die religie in de achttiende eeuw innam bij een ramp.

Duiveman keek onder meer naar de sociale rol die de bededagen hierbij hadden. Het was in die tijd niet ongewoon om per jaar een dag te hebben waarop je schuld een plek gaf. Er was een bedestond in 1784, waarin zelfs de koeien een rol speelden. De koeien werden meegenomen naar de kerk als veilige plek. De dominee haakte daar op in: ‘Hoor hoe deze koeien loeien! Dat doen ze niet alleen omdat ze opgelucht zijn, maar ook als verwijt’. Hij wakkerde daarmee het schuldgevoel bij mensen aan.

Foto: Jensen legt vijf narratieven voor; de laatste, die van de 'sceptici' is moeilijk uit te werken, omdat deze mensen eigenlijk niet open staan voor een dialoog