Foekje Dijk, voorgangster van de vrijzinnige gemeenten in Assen en Hattem, hield onderstaande inleiding bij de presentatie van 'Verhaal van mensen' op 24 mei 2019 in Kampen. 

Waarde Peter,

geachte aanwezigen,

 

Jij hebt, Peter, een mooi boek geschreven.

Ik heb het manuscript werkelijk met veel plezier gelezen.

Het heeft me ook weer eens bepaald bij de vragen: moeten we ons écht zorgen maken over de toekomst van kerk en religie? Zo ja, waarom eigenlijk.

Als een instituut zichzelf overbodig maakt, dan komt er wel weer iets anders waar mensen hun religieuze behoeften in kwijt kunnen.

Je kunt je ook afvragen, wanneer je wél deze zorgen hebt, of de kerkleiding zich niet te veel laat leiden door een bepaalde manier van kijken. Zou het ‘redden van de kerk’ niet uit een bredere hoek kunnen komen. Moeten er niet wat meer vrouwen aan het woord komen.

Het is maar goed dat ik vanmiddag hier ook iets mag zeggen, anders werd het, gezien de inleiders, wel een heel erg mannenonderonsje.

Bovendien is inmiddels bewezen dat meer vrouwen in de top van het bedrijfsleven beduidend meer bedrijfswinst opleveren! Dat kan nog wat worden met die verandering van kijken.

 

Ieder hoofdstuk van jouw boek begin je met een mooie gedicht of lied.

Ik durf het haast niet hardop te zeggen, maar voor al die 31 hoofdstukken heb je maar één maal een lied van een vrouwenhand gebruikt.

Tenminste, als we er van uitgaan dat de psalmdichter ook een manmens was.

 

Het is mede daarom dat ik mijn verhaal vanmiddag wil beginnen met een gedicht, geschreven door een vrouw.

Ik lees uit de bundel: ‘Wuif de Mussen uit’ van Joke van Leeuwen het gedicht HEENZENDING.

Goed, zei schepper, wat ons betreft

is het goed, maar aan jullie laat ik

het met de elleboog voelen of

het badwater niet te heet is

het behoedzaam proeven of

het eten niet te scherp is,

het drinken niet te zuur is,

het weten waar wat breken kan

zal staan,

het verschonen van wat stinkt en

opnieuw stinkt,

het aanpassen van de voetstap,

het onverstaanbaar zingen

in het donker,

het herhalen van moeilijke woorden,

het tellen tot oneindig

en het hekje voor het trapgat.

Een prachtig gedicht over verantwoordelijkheid. Op meesterlijke wijze beschreven, vol humor en tederheid voor het kleine, het gering geachte.

Aan de hand van al deze bijzondere dichtregels wil ik graag de toekomst van de kerk onder de loep nemen.

 

Goed, zegt  schepper, wat ons betreft is het goed, maar aan jullie laat ik

De schepping is klaar. Maar:

Aan jullie nu de verdere zorg! En dan geen op hoog niveau gevoerde discussie of de kerkelijke gemeente slechts geleid kan worden door een academisch gevormde dominee. Eerder zou er gepleit moeten worden dat de academisch gevormde predikant minimaal een jaar lang stage moet lopen in het gewone, dagelijkse leven. Vier weken lang schroefjes inpakken aan de lopende band, vier weken zwaar zieken verzorgen, bij de fysiotherapeut lopen, auto’s verkopen, de visboer een handje helpen, achter de kassa van de supermarkt plaatsnemen … Noem het maar op. Dus in contact brengen met de werkelijkheid van het alledaagse.

Dan kom je gemakkelijk bij de tweede dichtregel terecht:

 

Met de elleboog voelen of het badwater niet te heet is.

Met moederlijke tederheid het kwetsbare kind behoeden en bewaren, voorkomen dat het zich brandt aan té heet water! De kwetsbare kerkelijke gemeente vol tederheid in ogenschouw te nemen. Omdat je nu weet hebt van de werkelijkheid van het alledaagse bestaan. Dit alles zonder krampachtig dogma’s na te jagen, maar vooral op te letten of niemand zich brandt aan voorgeschreven, vaak zo kille regels.

 

Het behoedzaam proeven of het eten niet te scherp is, het drinken niet te zuur:

m.a.w. blijf alert op datgene wat zo vanzelfsprekend lijkt, maar dat zeker niet is. Blijf elkaar bevragen in de kerken en andere plekken, voordat je een oordeel denkt te kunnen vormen. Het woord ‘behoedzaamheid’ zou meer in onze liturgie door moeten klinken, met name in de prachtige overdenkingen die we des zondags houden … Dat brengt me gemakkelijk naar de volgende dichtregel:

 

En ook het weten waar datgene wat breken kan zal staan

(je zet een kostbare porseleinen vaas niet op een wankel krukje). Hoewel kerkleiders helaas die neiging vaak wel hebben.

Al die breekbare mensen, die bijvoorbeeld door de zogenoemde Nashville verklaring voor de zoveelste keer in hun pure bestaan ontkend werden en worden. Al die vrouwen die op grond van oneigenlijke motieven geen priester of dominee kunnen worden. Al die goedbedoelde paternalistische en maternalistische bemoeiingen die een mens beletten om volwassen burgers te worden.

Zet deze porseleinen vazen alstublieft niet op dat wankele krukje van ‘de waarheid in pacht menen te hebben’. En dan, de dichtregel:

 

het verschonen van wat stinkt en opnieuw stinkt …

In de loop van de lange geschiedenis zijn theologen vaak vreselijk uit de bocht gevlogen, hebben ze die prachtige bibliotheek die de bijbel is, laten buikspreken om hun eigen ideeën te etaleren. Stinkende misstanden konden ontstaan: slavernij goedgepraat, achterstelling van vrouwen met de bijbel in de hand  gemotiveerd. De liefde tussen twee mannen of twee vrouwen radicaal van de hand gewezen. Alsof God zich vergist zou hebben in de schepping. Kennelijk is het in bezit nemen van de ‘godstroon’ een uitdaging voor een bepaald slag theoloog. Het stinkt.

Maar waar je dan vooral op moet letten, aldus de dichteres, is dat het opnieuw gaat stinken.

Alert zijn!

 

Op pagina 76 van je mooie boek schrijf je over ras verteller Nico ter Linden.

Je noteert daar: van Nico ter Linden las ik: ’De beelden van de bijbel zijn beelden van heel lang geleden. Men heeft een gids nodig om die beelden uit te leggen en toe te lichten. En in deze taak ­een gids zijn­ slaagt ter Linden met uitmuntendheid. Hoe ter Linden daarin te werk gaat licht hij toe in dit citaat uit een interview van 1996: ‘De oertaal van de Bijbel is prachtig. Ik blijf in mijn boek dicht bij die archaïsche taal. Maar omdat je het toch een beetje uitgelegd moet hebben, is het mooi om met woorden uit een heel ander taalveld, als het kan niet te populair, te werken.  Dat hij daarin ook durft laten zien, hoe hij hier een persoonlijke mening verkondigt, maakt zijn stijl van vertellen alleen maar mooier en ‘eerlijker’.’

Einde citaat.

 

Een gewaagde veronderstelling.

Ik heb meegenomen deel 1 van ‘Het verhaal gaat’.

Ter Linden mag dan wel van zichzelf vinden dat hij ‘dicht bij de archaïsche taal van de bijbel blijft, en … het moet wel een beetje uitgelegd worden,  … het is mooi om met woorden uit een heel ander taalveld te werken’, zo zegt Ter Linden zelf.

Jij, Peter, reageert daarop dat hij hier een persoonlijke mening verkondigt. Het maakt, zo schrijf jij, zijn stijl van vertellen alleen maar mooier en eerlijker.

Toch kan dit fraai gaan stinken en opnieuw gaan stinken.

Ik lees Genesis 6 uit de NBV en vervolgens hoe Nico ter Linden dit verhaal weergeeft in zijn boek. Dit hoofdstuk heeft als titel meegekregen:

Vermenging van goden en mensen, en het gaat als volgt:

Zo kwamen er steeds meer mensen op aarde, en zij kregen dochters. De zonen van de goden zagen hoe mooi de dochters van de mensen waren, en ze kozen uit hen vrouwen die ze maar wilden.

Ter Linden vat dit bijbelverhaal samen met de volgende woorden op pagina 39 van ‘Het verhaal gaat’, deel I:

(…) Maar valt er behalve over die ene niet ook iets te vertellen over de anderen? Die andere zonen en dochters schrijven toch ook geschiedenis?

Ja, dat doen ze, maar het is wel een  bedenkelijke geschiedenis. Neem nu die dochters. Wat ze precies uitspoken, valt uit de oeroude overlevering niet goed op te maken, maar zoveel is duidelijk: de door God zo zorgvuldig gemaakte scheiding tussen hemel en aarde wordt door de dochters der mensen niet geëerbiedigd, zij gaan alle perken te buiten, kennen geen maat, paren met godenzonen en baren reuzen. Nee, het gaat niet goed op aarde (….)

Tot zover Ter Linden.

Nog een keer die dichtregels:

 

het weten waar wat breken kan zal staan, het verschonen van wat stinkt en opnieuw stinkt ….

Dat betekent besef hebben van de valkuilen, die eeuwenlang gevormd zijn door de cultuur bepaalde beelden van vrouwen. De cultuur waarin we leven. Een valkuil, die tot op de huidige dag nog steeds werkt. De valkuil dat vrouwen pure verleidsters zijn. Dat is al begonnen bij Eva volgens een dominante theologie, dus … zullen die dochters de godenzonen wel verleid hebben.

Maar het staat er niet.

Blijf alert op datgene waar het blijft stinken! Want als we de krimp binnen onze kerken en geloofsgemeenschappen willen tegengaan, moeten de vrouwen het pand zeker niet verlaten!

De dichteres vervolgt:

 

het aanpassen van de voetstap

Loop niet te snel in oordeelvorming. Loop als geloofsgemeenschap niet te snel wanneer de medemens anders is dan jij bent. Blijf in de pas lopen en laat even die zo genoemde bijbelse waarheden voor wat ze zijn. Probeer te luisteren naar het bijna onzegbare zonder meteen in te vullen met je eigen oordelen en vooroordelen. Willen we de toekomst van de kerk behoeden en bewaren, dan is het verstandig om vooral goed te luisteren. Luisteren naar elkaar, luisteren naar wat de Geest wellicht nog te zeggen heeft.

Dat brengt mij naadloos bij de volgende dichtregel:

 

het onverstaanbaar zingen in het donker

Het luistert zo enorm nauw om in het lawaai van deze wereld te kunnen horen wat er werkelijk gezegd en gezwegen wordt. Al die stemmen die stemmeloos worden gemaakt, al die gezichten die onzichtbaar zijn geworden.  Door mensen onder te brengen in containerbegrippen als vreemdeling, vluchteling armen, behoeftigen, hongerigen en dorstigen.

Hoe breekbaar de mens, die gezichtloos in de onherbergzame gebieden van het bestaan moet leren ademen. Onverstaanbaar zingend in de nacht, omdat soms niet gezegd kan worden hoe zeer de pijn doet, hoe wanhopig het verdriet is.

De dichteres vervolgt

 

het her