Als we lockfree zijn

Hoe moeten we als kerk reageren op het moment dat er weer meer ruimte komt in de samenleving en in de kerk? Over die vraag wil ik (Klaas van der Kamp) graag van gedachten wisselen met predikanten, pastores, ouderlingen, ambtsdragers, geïnteresseerden in Overijssel-Flevoland. Ik nodig bij dezen iedereen die dat leuk vindt uit voor een digitaal ‘koffiemoment’ op maandag 22 februari om vanaf 15.00 uur tot ongeveer 16.15 uur met mij daarover door te praten.

Ik zit zelf met enkele classispredikanten en medewerkers van de landelijke dienstenorganisatie in een werkgroep ‘lockfree’, een werkgroep die een strategisch plan maakt voor hoe we als kerk en gemeenten het beste kunnen reageren op het moment dat de lockdown versoepelt. Uit de wereld van de marketing weten we dat de eerste weken het meest cruciaal zijn. Je hebt dan de kans om als gemeente opnieuw zichtbaar te zijn. Na enkele weken nemen mensen weer een vast patroon van leven, werken en ontspanning over. De bereidheid om het leefpatroon dan nog weer bij te stellen vermindert. Vraag is dus: hoe pak je dat op als kerkenraad, classis en als landelijke kerk? Is het verstandig stevig aan de weg te timmeren? Is het nuttig artikelen te schrijven voor het lokale huis-aan-huis-blad waarin je duidelijk maakt dat de deuren van de kerk weer geopend zijn? Moet je als landelijke kerk ster-reclame inkopen? Moet je de digitale vernieuwingen vasthouden? Of moet je de techniek tot een minimum reduceren?

Ik praat er graag verder over met mensen uit de regio. Dat helpt ons als landelijke en interclassicale werkgroep bij het uitzetten van de piketpaaltjes. En wellicht dat deelnemers door het gesprek ook zelf ideeën opdoen. Wie zich aanmeldt (k.vanderkamp@protestantsekerk.nl) krijgt een link toegezonden en kan meepraten. Het digitale gesprek verloopt ongeveer als volgt:
* we maken onderling kennis;
* ik zal iets vertellen over de aanpak van de landelijke / interclassicale werkgroep
* we zamelen ideeën in van hoe je kunt reageren op een lockfree

Reacties uit de regio 

Om de gedachten te richten heb ik eerder enkele mensen gebeld en de vraag voorgelegd: ‘Hoe moeten we ons voorbereiden op een lockfree?’ Om de gedachten te bepalen geef ik drie van die gesprekken hieronder weer:

De eerste is predikant. Hij zei:
‘Ik zou graag zien dat de landelijke kerk een heldere lijn aanbiedt voor het afschalen. Termijnen benoemt. Zoals het bij het opschalen gebeurde. Een duidelijke richtlijn. Dat voorkomt veel discussies. Verder denk ik dat het goed is keuzes te maken in middelen die je nu hebt leren gebruiken en die je mogelijk ook na de coronacrisis wilt inzetten. Livestreaming. De leukste manier vind ik dan altijd nog dat je best-practices verzamelt. Dat je die onderling met elkaar uitwisselt en leert van elkaar. En ik zou ook theologische reflectie willen. We hebben op een nieuwe manier kennisgemaakt met de gemeenschap der heiligen. Je hebt ervaren hoe belangrijk lichamelijkheid is. Ik zou het leuk vinden om daar onder leiding van een kundig theoloog over door te denken. En in de nascholing ook natuurlijk’.

De tweede is ouderling en voorzitter van een kleine kerkenraad. Hij zei:
‘Je overvalt me met de vraag. Wij hebben zorg dat een deel van de mensen zo gewend is aan de livestreaming dat ze niet meer naar de kerk gaan. Enig tromgeroffel bij een nieuwe start kan dan geen kwaad. Je zou ook aan een bepaalde symboliek kunnen denken. We hebben goede ervaringen met een nieuwe gedenktafel die we juist in coronatijd in gebruik hebben genomen. En iedereen praat nog over een openluchtdienst die we in de zomertijd als gemeentezondag hebben georganiseerd. Misschien kan je landelijk met zo’n evenement wat kracht bij zetten aan de lockfree. Ik denk overigens dat de kerk een half jaar na corona terugvalt in de oude sporen’.

De derde is predikant. Hij zei:
‘Ik zou direct na de lockdown letterlijk aan tafel willen met de mensen. En eten. En vieren. Ik ben nu één jaar dominee hier in deze nieuwe gemeente en ik heb nog niemand een hand kunnen geven. Ik zou het mooi vinden als we vanuit de kerk daar een handreiking bij kunnen brengen. Dat we weer gemeenteavonden houden. En misschien uitleg hoe je de tijd moet verstaan. Ik vond die uitleg over de schuld richting de Joodse gemeenschap verhelderend. Ik heb geen tijd om dat allemaal uit te zoeken. Het helpt me als er vanuit een breder verband een paar lijnen worden getrokken. Bij ons in de gemeente speelt bijvoorbeeld de vraag naar vaccineren. Ik kan dat natuurlijk zelf wel nazoeken. Maar waarom zou je daar als kerk niet iets over zeggen? Dat vindt de kerkenraad hier ook fijn. En hoe we verder kerkzijn ook. We hebben als kerkelijke gemeenschap hier in het afgelopen jaar 25.000 euro geïnvesteerd in nieuwe hulpmiddelen. Dat is voor een kleine gemeenschap als de onze een enorme investering. We hadden nog 15.000 euro in een potje. We deden een oproep en hadden binnen een week 10.000 euro extra. Het is goed dat dat er is en dat we nadenken over de manier waarop we dat in de toekomst inzetten’.

Lessen uit de geschiedenis

Onlangs besteedde het radioprogramma ‘Onvoltooid Verleden Tijd’ op Radio 1 ook aandacht aan de vraag hoe mensen reageren op het stoppen van een epidemie. Het geschiedenisprogramma ‘Onvoltooid Verleden Tijd’ zond de documentaire uit die Matthijs Deen er over maakte. Deen heeft het spoor terug gezocht in de geschiedenis en onderzocht hoe de verschillende pandemieën in de geschiedenis ten einde lopen. Hij vergelijkt daartoe de pest die woedde in Athene, de zwarte dood in de Middeleeuwen, cholera die nog een uitbraak kende in de negentiende eeuw en de Spaanse groep die aan het begin van de twintigste eeuw tussen de 20 en 100 miljoen slachtoffers heeft gemaakt. De pandemieën zijn van alle tijden, concludeert hij, en hij zoemt in op het einde van de epidemieën.

Nu de laatste fase van de pandemie in 2021 in zicht lijkt en er coronavrij leven gloort, is de vraag voor Deen relevant: Wat gebeurt er na? Hij stelt de vraag of het verdwijnen van het virus niet met veel vrolijkheid gepaard zal gaan, zoals het einde van de Spaanse griep werd gevolgd door de zogenaamde roaring twenties. Gaandeweg komt hij in de documentaire tot de ontdekking dat die stelling onhoudbaar is. De emotie en passie in de twintiger jaren heeft vooral te maken met de vreugde dat de oorlog voorbij is en het besef dat er tegelijk een verouderd wereldbeeld wordt afgesloten.  Over de Spaanse griep wordt amper nog gesproken. Niet in brieven. Niet in films. Niet in liederen. De vrolijkheid had vooral te maken met het opheffen van de oude patriarchale orde. Jongeren lieten zich niet langer in het corset duwen van wat fatsoenlijk was en wat niet. Dat systeem was met de oorlog failliet gegaan. De mensen geloofden er niet meer in. De deksel was er af. Zeker in de steden.

Epidemieën – zo veel is duidelijk – zijn in de geschiedenis net zo gewoon als oorlogen. De eerste grote literaire uitgave van de Grieken, de Ilias, begint met een pestepidemie. Het motief keert de hele geschiedenis terug tot in een choreografie van de Amerikaan Charles Rosenburg die er een werk in vier bedrijven over maakte.  Hij ziet een bepaald patroon. In de eerste acte gaat het over de overheden die de problemen ontkennen. De tweede acte laat zien hoe je de ziektes kunt framen om er mee om te gaan. De derde acte toont de reacties van mensen. En in de vierde acte gaat het over het einde van de pandemie. Volgens Rosenburg is dat weinig spectaculair. ‘It is not with a bang, but with a whimper’ (T.S. Eliot). Het is niet met een knal, maar met een jammerklacht.

Thucydides beschrijft hoe de pest huishoudt in Athene ten tijde van Pericles. De stad Athene heeft in 430 voor Christus met een zware pestepidemie te kampen. De ziekte valt samen met het begin van één van de Peloponnesische oorlogen. Er vindt een Spartaanse invasie plaats in Attica. Athene krijgt twee pijlen op zich afgevuurd. Het is opvallend, zo zegt de documentairemaker, hoe vaak een epidemie gepaard gaat met oorlog en geweld. Thucydides reflecteert na afloop op de oorzaken van de pestepidemie. Hij ziet het religieuze en morele verval als één van de oorzaken. Mensen aanbidden niet langer de goden. Ze bezoeken de tempels niet meer. Ze hechten minder aan orakelspreuken. Veel mensen vervallen in wetteloosheid en normloosheid. De mensen nemen het niet meer zo nauw met de regels. Ze leven met het idee we gaan toch dood, dan maar beetje genieten. Arme mensen door wegvallen van rijke familie krijgen geld. En maken dat geld gauw op, want straks hebben ze er niets meer aan. Thucydides schrijft ook over mensen die besmet zijn geweest. Die krijgen de ziekte niet nog een keer. En als de ziekte al terugkwam, gingen ze er niet aan dood. Ze krijgen een soort immuniteit. Mensen die ziekte al hadden, zegt Thucydides, hebben medelijden met mensen die de ziekte nog niet hebben gehad. Ze wanen zichzelf ondertussen bijna onsterfelijkheid omdat de ziekte minder vat op hen heeft.

Matthijs Deen zoemt vervolgens in op de zwarte dood, die in de Middeleeuwen een derde van de Europese bevolking wegvaagde. Sommige dorpen, vooral in Zuid-Europa, zijn compleet uitgestorven. Er zijn nog slechts kraaien te vinden. De pest gaat met een grote zeis door de hele standensamenleving van de veertiende eeuw. Overal vallen functies open. De functies waren aanvankelijk in handen en van enkele families. Die families zijn ineens weg. Er komen enorm veel kansen vrij voor anderen. Je ziet sociale mobiliteit. Mensen grijpen hun kans. Mensen uit lagere stand schuiven naar hogere sociale lagen. Veel burgerij neemt de plaats in bij stadsbestuur waar eerst adel zat. Burgers gaan waarde hechten aan juridische opleiding. Pest zorgde voor emancipatie in bestuurlijk opzicht. De prijs van arbeid steeg. Arbeiders konden eisen stellen. Er ontstond een nieuwe vorm van gelijkheid. Arbeiders konden niet tegen elkaar worden uitgespeeld. Want arbeid was schaars geworden. De schrijver Giovanni Boccaccio schreef er over in de veertiende eeuw. Hij constateerde verval van normen. Mensen sloten zich op in hun huizen en nuttigden de meest heerlijke spijzen. Anderen gingen van kroeg tot kroeg. Het maakte niet uit wat je deed. De ziekte kende zijn eigen wetten. Boccaccio constateert dat menen in sterfuur alleen worden gelaten uit angst voor besmetting.

Moderne devotie 

De documentairemaker laat zien hoe de moderne devotie, die in de IJsselstreek zoveel furore maakte, gezien kan worden als een reactie op een pandemie. Geert Grote - die zelf uiteindelijk aan pest overleed - trok predikend rond na het falen van kerk en drong aan op zuivering en verinnerlijking. Hij sloot zich af voor kwade invloeden en richtte zich op het gevoelen van het hart. De ziel moet puur blijven. De reactie van Geert Grote had alles te maken met de levenswandel die priesters en pastoors en de geestelijkheid was opgegaan. Er was simonie. En geestelijken namen concubines. Geert Grote zag dat. Hij sprak er over in de volkstaal zodat iedereen het kon verstaan en bestookte de geestelijken die hun handen vuil maakten aan hoererij en met dezelfde handen de hostie uitdeelden.

De cholera woedde in Europa in de negentiende eeuw. Het waren de jaren vol revolutie van 1830 tot 1848. Ook in die tijd ging de verspreiding van ziekte gepaard met sociale onrust. Mensen trokken in grote getale de straat op. Ook vrouwen demonstreerden mee met keukengerei, deegrollen en keukenmessen. De armen leefden met de angst dat de rijken hun schamele bezit wilden afnemen. Ze waren ook bang voor het ziekenhuis, voor de artsen en de politici.

Matthijs Deen schat in dat de pandemie die de wereld nu teistert mensen opnieuw duidelijk maakt dat onzekerheid bij het leven hoort. Mensen van deze tijd, zo is te horen in de documentaire,  kunnen niet tegen leven met onzekerheid. De epidemie heeft onzekerheid gebracht. Het virus is in onze wereld gekomen in een tijd van vrede en welvaart en consumenten-denken. Het motto is: Ik mag alles, als ik er krediet voor kan vinden. En ineens komt er dan zo’n klein virus die alles anders maa