Doelgroep apart benaderen

- Dit artikel is een uitwerking van een thema dat de classispredikant Klaas van der Kamp diverse keren aanreikte in vierjaarlijkse gesprekken en waar de vraag was: 'Schrijf het eens iets uitgebreider op'. Het thema komt ook aan de orde in compacte zin bij het webinar op 10 maart over 'Kerk na corona' - 

In bijna ieder vierjaarlijks bezoek vanuit de classis aan een plaatselijke gemeente komt het thema van de dertigers aan de orde. ‘We missen de dertigers in de kerk’, wordt er dan gezegd. Er is een verlangen om deze leeftijdsgroep in de kerk te krijgen. Ze blijven regelmatig thuis en zijn ondervertegenwoordigd in de kerkbanken. Het is de vraag of de verwachtingen realistisch zijn.

De vraag naar de betrokkenheid van een volgende generatie komt ook in beeld nu de coronamaatregelen worden teruggeschroefd. Het is bekend dat een kwart van de kijkers naar digitale uitzendingen van kerkdiensten zelden in de kerk komt. Tegelijk is een soortgelijk percentage van de frequente kerkbezoekers weinig geneigd om digitaal kerkdiensten te volgen. Een dominee in de classis riep op in het kader van de veertigdagentijd om allemaal weer naar het kerkgebouw te komen en de digitale uitzendingen in die periode af te sluiten. Is dat een verstandige strategie? Ik zou in dit artikel een andere suggestie willen aanreiken.

We doen als kerk tot nu toe weinig aan differentiatie van doelgroepen. Dat wil zeggen: we hanteren één doelgroep (de kerngelovige) als maatgevend voor al het werk. We spreken alle mensen aan op de norm van de kerngroep. Randkerkelijken zijn dan mensen die nog niet het gedrag van kerngelovigen hebben overgenomen en op dat punt moeten worden uitgedaagd. Doel is uiteindelijk iedereen tot kerngelovige te maken. En de kerngelovige valt samen met de mensen die zondags een- of tweemaal de kerkdienst bezoeken.

De gevolgen van een dergelijke monocultuur zijn weinig vruchtbaar en weinig communicatief. Als je altijd wordt aangesproken alsof je voetballer bent van de eredivisie zal je als zaterdagamateur in het zesde team al snel gefrustreerd je afwenden van het voetbal. Je wordt niet op maat aangesproken en dat breekt je op. Zo is het verstandig vanuit een communicatieve benadering om doelgroepen te onderscheiden en mensen aan te spreken in lijn met de doelstellingen die per doelgroep haalbaar zijn.

Vijf doelgroepen

We kunnen als betrokkenheid van mensen op de kerk tenminste vijf doelgroepen met daarbij behorende kerkvisies onderscheiden, die elk om een eigen benadering vragen.

1. Je hebt kerngelovigen die een kerkmodel 1.0 aanhangen. Ze gaan zo vanzelfsprekend naar de kerk, dat ze de zondag niet hoeven te blokken in de agenda, ze zitten gewoon tien minuten voor de dienst klaar om het evangelie te ontvangen. Ze zijn niet eens afhankelijk van de beamerteksten, want ze hebben een eigen papieren boekje bij de hand waaruit ze teksten meezingen. Hun religieuze discipline is te herleiden naar een besef dat kerkgang en kerkelijke activiteiten nodig zijn, zoals trainingen nodig zijn als je een sportwedstrijd wilt spelen. Kerkgang is voor hen een sacrament. De frequentie van het kerkbezoek is voor hen een barometer voor de diepgang van het geloofsleven.

Je kunt als kerkenraad deze groep met kerkvisie 1.0 eenvoudig bereiken. De mensen hebben aan een half woord genoeg om een hele zaak te verstaan. De kerkenraad kan als doelstelling hanteren het in stand houden van de kerkdiensten en de kerkelijke activiteiten. De kerngelovigen laten zich er makkelijk op aanspreken. Je reikt de mensen een agenda aan en een overzicht van het programma van vorming en toerusting. Ze laten zich daardoor gemakkelijk overhalen om daadwerkelijk het aanbod te bezoeken.

2. Je hebt disciplinaire gelovigen die een kerkmodel 2.0 aanhangen. Deze mensen moeten zich er misschien toe zetten zondag naar een kerk te gaan, maar ze slaan de dienst niet graag over. Ze voelen het als hun plicht de diensten te bezoeken, ook al zullen ze bij andere activiteiten iets makkelijker hun beurt voorbij laten gaan. Hun religieuze discipline is te herleiden naar een plichtmoraal. Ze zijn opgevoed met de routine en vinden dat de traditie vastgehouden moet worden. Kerkgang is een moeten.

De kerkenraden kunnen de disciplinaire gelovigen bereiken met een programma, waarbij het nuttig is om het programma verleidend te presenteren. De plicht brengt deze mensen naar de kerkdienst, maar verder hebben ze het appel nodig om zich tot het aanbod inhoudelijk te verstaan. Het programma moet qua tijd en plaats zo eenduidig mogelijk zijn, zodat de gewoonten routinematig kunnen worden doorgezet. Ga je ineens een Bijbelstudie koppelen aan een maaltijd, waar dat nooit het geval is geweest, dan is het even slikken voor de routinematige bezoekers om te komen. De extra tijd valt buiten de plichten die ze van jongs af op zich hebben genomen.

3. Je hebt mensen die de sleutelmomenten in hun leven van rituelen willen voorzien. Ze sluiten aan bij een kerkmodel 3.0. Het zijn mensen die bij een huwelijk graag een zegen van de kerk ontvangen en die bij de geboorte van een kind de doop een meerwaarde vinden. Soms breiden de rituelen zich uit naar een kerkgang in de kerstnacht en op oudejaarsavond. ‘Eind goed, al goed’. De kerk is voor hen een rituelenbegeleider.

De kerkenraad biedt de rituele gelovigen rituelen aan als ankerpunten voor het leven. De kerkenraad kan zelfs het aantal ankerpunten uitbreiden om mensen nog meer bij de kerk te betrekken. Een ankerpunt kan zijn een huwelijksjubileum. Een ankerpunt kan zijn de eerste doopgedachtenis van een jaar eerder gedoopt kind. Een ankerpunt kan zijn een verhuizing en de opening van het nieuwe huis.

4. Je hebt mensen die passief geloven en een kerkmodel 4.0 aanhangen. Het zijn mensen die niet-ongelovig zijn, ze zijn wel minder kerkelijk. Ze hebben niet de behoefte zich institutioneel te binden. De kerk is eerder een servicepunt waar je heen gaat als je het even nodig hebt. De kerk is voor hen latent van waarde. Het gebrek aan institutionele binding wil niet zeggen dat deze mensen onverschillig leven. Ze hebben een praktische moraal en zijn aanspreekbaar op de invulling van hun dag.

Qua aanspreken van een concrete doelgroep gaat het hier het meest fout. In de lijn van de brief aan Laodicea uit de openbaring van Johannes wordt de latente levenshouding verbonden met lauwheid in het geloof. Die associatie is niet terecht. Mensen die niet met het instituut meeleven zijn in de meeste gevallen wel gelovig. Maar vijf procent van de bevolking is echt atheïst, neemt bewust afstand van alles wat met geloof te maken heeft. Verreweg de meeste mensen hebben wel een visie op diepgang in leven. Geluk, vreugde, barmhartigheid, liefde; het zijn abstracte begrippen die kerkgangers en gelovigen in algemene zin allen aanspreken.

De kerkenraad doet er wijs aan deze mensen niet beoordelend aan te spreken als ‘nog-niet-kerkelijk-betrokken’, dat stoot af en is ook praktisch onjuist getaxeerd. Het is veel beter deze groep te verleiden en aan te spreken vanuit een gezamenlijk referentiekader van ‘mensen van goede wil’. Deze mensen zullen de kerk niet geregeld opzoeken, maar het zou fijn zijn als ze weet hebben wat er in de kerk te halen is en als ze de kerk niet als ‘een tegenover’ waarderen, maar besef ervaren van ‘onze kerk’ en ‘ons geloof’. Deze gelovigen zullen niet de deur van de kerk platlopen, maar als het er op aankomt, weten ze waar ze moeten zijn en is er een gevoel van geestelijk thuiskomen.

5. Je hebt mensen die de kerk interessant vinden en een kerkmodel 5.0 aanhangen. Ze vinden het belangrijk iets van de kerk te weten. Het hoort bij je ontwikkeling. Waar de kerk zich bewust is van de verantwoordelijkheid voor de leefgemeenschap om de kerk heen, kan de kerk ook een ontmoetingsruimte zijn. De kerk is een cultureel fenomeen.

De kerkenraad kan deze mensen aanspreken op ‘dat wat interessant is’. Je kan als doelstelling naar deze groep het verlangen formuleren dat deze mensen herinnering aangereikt krijgen aan het culturele erfgoed dat het christendom biedt. Je kan het woord ‘cultuur’ daarbij met een hoofdletter schrijven en met undercast. Cultuur met een hoofdletter is de invalshoek van de elites. Je hebt besef van bijbelverhalen nodig om het werk van Rembrandt te kunnen interpreteren en om het werk van Maarten ’t Hart te doorgronden. Je kan cultuur ook met undercast schrijven; dan gaat het om de omgangsvormen van het volk. Je kan dan denken aan volkseducatie (taalontwikkeling), maar ook aan meer persoonlijke gelegenheden elkaar te ontmoeten. Door de deuren te openen voor meer activiteiten kan het kerkgebouw een rol spelen als thuis van ontmoetingen voor de omwonende leefgemeenschap.

Deze vijf vormen van kerkzijn zijn niet altijd scherp van elkaar onderscheiden. Ze kunnen door elkaar heen lopen. Maar het veronachtzamen van het onderscheid leidt onvermijdelijk tot ergernis en teleurstelling. Vrijwilligers lopen stuk op onbegrip. Doelstellingen worden nooit gehaald. En het is lastig om nieuwe vrijwilligers te vinden, omdat de lat van het werk de lat is van het kerkmodel 1.0.

Een gedifferentieerde benadering van doelgroepen sluit aan bij het verwachtingspatroon van mensen. Mensen worden op maat aangesproken. De binding die ze ervaren met de kerk komt minder onder dwang te liggen en mag zich vrijuit ontwikkelen. Vanzelfsprekend vraagt dit om veerkracht bij de oude vrijwilligers en bij de professionele krachten. De dominee zal een neiging hebben zich te profileren vanuit het kerkmodel 1.0. Een positionering vanuit kerkmodel 5.0 zal een ander accent geven: diaconaal waar het zich richt op de omliggende leefgemeenschap, een maatschappelijk werker.

Godsbeeld

Het idee om met verschillende modellen te werken, die door elkaar heen een rol spelen kom je op diverse terreinen tegen. Piet van Veldhuizen heeft het onderscheid aangebracht in het godsbeeld. Hij vertaalde het boek ‘God 9.0’ van Marion Küstenmacher, Tilmann Haberer en Werner Tiki Küstenmacher. Hij onderscheid negen Godsbeelden. De godsbeelden laten een beeld zien van aanwijsbaarheid naar toenemende abstractie. Hij heeft er vier  die met een ‘wij’-besef te maken hebben.

2.0. Purper.
Mensen willen erbij horen, bescherming van de clan ontvangen. Ze vertrouwen op verbinding met stamgoden, voorouders, genezers.

4.0. Blauw.
Mensen accepteren een hogere orde, moraal, gehoorzaamheid. Ze zijn wetsgetrouw.

6.0. Groen.
Mensen zoeken verbondenheid, consensus, zijn invoelend.

8.0. Turquoise.
Mensen zijn gericht op universaliteit, alverbondenheid, harmonie, gericht op meerdere perspectieven.

De godsbeelden 1.0 of 2.0 zijn niet minder of beter dan de godsbeelden 8.0 of 9.0, betogen de auteurs. Ze verschillen wel. En omdat je in de gemeente en in de samenleving dergelijke beelden door elkaar heen tegenkomt, is het van belang dat je weet op welke golflengte je moet acteren.

De parallellie met de kerkbeelden ligt voor de hand. Het meer traditionele en het meer culturele zijn in de polen herkenbaar.

Metaforen

Arjan Plaisier heeft in zijn boek ‘Overvloed en Overgave’ een deel gewijd aan beelden die mensen kunnen hebben van de kerk. Hij onderscheid vier metaforen om het verschil in verwachtingspatronen te duiden. Ook hij benadrukt dat de je modellen niet tegen elkaar moet uitspelen en dat je ze in allerlei mengvormen terug kunt vinden. Zelf oriënteert hij zich sterk heilshistorisch en citeert hij Cyprianus die zegt: ‘Ik zou God niet als mijn Vader hebben, als ik de kerk niet als mijn moeder zou hebben’.

Plaisier werkt de kerk vervolgens uit als: ziekenhuis, theater, parlement en tempel. Als je ze in een balk zou plaatsen van religieus naar maatschappelijk kom je op het volgende:
tempel –theater –parlement – ziekenhuis
Aan de ene pool zit de verkondiging en het ritueel, aan de andere kant de zorg en het gesprek.

Consequenties

Een vra