1. Geest

Wij geloven in één God, in de Heilige Geest,

die Here is en levend maakt.

 

 

De Geest brengt dynamiek in ons leven. Hij betrekt ons leven op God en spreekt ons aan in wat we meemaken. Hij geeft ons besef van God in ons hart en in onze ziel en vuurt ons aan ons geloof metterdaad handen en voeten te geven. In de Geest komt God ons nabij. Hij bevestigt ons daarbij niet alleen, maar werkt juist ook kritisch en vernieuwend. De wind gaat vanuit een andere hoek waaien. Dat kan strijd geven, omdat de Geest soms een andere weg wijst dan wij zelf voor ogen hebben. De Geest werkt persoonlijk, maar is geen particulier bezit. Hij opent ons de ogen voor elkaar. De theoloog Berkhof onderstreept in zijn boek ‘Christelijk geloof’ dat de Geest een gemeenschap sticht waarbinnen zijn helende en vernieuwende kracht ruimte krijgt.

 

Klagen

Het doet wonderlijk aan dat we het werk van de Geest beginnen met een klaagzang. Klagen is namelijk uiting van gemis. Je kunt door mensen verlaten zijn en het gevoel hebben dat je er helemaal alleen voor staat. Het ergste is het gevoel van godverlatenheid. Dan is het de leegte die je aangrijpt. Het verdriet en de rauwheid van het leven vervullen je met afgrijzen. Je voelt diep van binnen dat dit geen leven is. De Geest schept in ons een hunkering naar nieuw leven, een nieuwe schepping. We lezen bij de schepping van hemel en aarde dat de Geest over de wateren zweeft en mensen de adem inblaast. Hij maakt de mens daarmee tot levend wezen. Als ons de adem wordt benomen, geeft Hij opnieuw lucht. Hij hoort de klaagzang en geeft troost. Daarom wordt de Geest ook Parakleet genoemd, de Trooster.

 

Hopen

Christenen leren al snel met twee woorden te spreken: de klacht en de hoop trekken samen op. Zij leven vanuit het besef dat verandering mogelijk is, dat het onmogelijke zich kan voltrekken. Het wonder van Pasen laat licht schijnen op de momenten van klacht. Aan deze ervaring uit het verleden ontlenen we door de Geest vertrouwen voor de toekomst. Geloven en hopen worden gekenmerkt door dezelfde beweging: het vertrouwen dat verlangens vervuld kunnen worden. Soms moet je er hard voor werken. Vaker nog merk je dat het meest essentiële je zomaar in de schoot geworpen wordt. God geeft het Zijn beminden in de slaap (Psalm 127).

 

 

Vernieuwen

De Geest verbindt ons met Christus en met God. Doordat we ons bezien vanuit een tegenover leren we nieuw naar onszelf te kijken. De Geest leidt ons naar nieuwe inzichten. We reiken verder dan onze eerste spontaneïteit en leren te zien met nieuwe ogen. Terugkijkend op de verhalen in de Bijbel gaat de Geest meestal niet de gebaande paden. Hij is juist aanwijsbaar op momenten waarop mensen - op weg naar een nieuwe toekomst - rivieren oversteken en woestijnen doorkruisen. Gijsbert van den Brink en Cees van der Kooi noemen dat ‘de transformatieve functie van de Geest’.

 

Verbinden

De Geest werkt in individuele mensen, maar werpt hen niet op zichzelf terug. De Geest verbindt mensen met elkaar en brengt relaties tot stand. Daar waar de Geest is, groeit de gemeenschap en de kerk. Je merkt dat mensen in coronatijd bij uitstek naar elkaars aanwezigheid verlangen. In de ontmoeting met de ander beleven ze Gods nabijheid. Dat geldt op het intermenselijke vlak en in de ontmoeting van kerken wereldwijd. De Geest is grensoverschrijdend. Je kunt de Geest gewaar worden in de ontmoeting met medegelovigen, maar ook in contacten met niet-christenen. Overal waar mensen het leven stimuleren is sprake van gestalten van de Geest, zo zegt de uitgave van de internationale zendingsverklaring ‘Samen voor het leven’.

 

1.1   Klagen

 

Heer, waarom verbergt U voor mij uw gelaat?

Psalm 88:14

 

‘Ik mag niet klagen…’ Dit antwoord wordt vaak gegeven op de vraag hoe het met ons gaat. We zeggen het zonder na te denken. Hoewel, wie met het christelijk geloof is opgegroeid heeft van jongs af aan meegekregen dat we God horen te danken ‘in alles’. De Heidelbergse Catechismus spreekt van Gods voorzienigheid. God onderhoudt en regeert zijn schepselen zo ‘dat loof en gras, regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren, spijs en drank, gezondheid en ziekte, rijkdom en armoede, en alle dingen, ja alle dingen ons niet bij toeval maar uit zijn vaderlijke hand ons toekomen’. Het vertrouwen dat het geen vreemde is die het jou zwaar maakt heeft veel gelovigen oprecht getroost en dankbaar gestemd. Maar hoe belangrijk dankbaarheid ook is, er leven meer motieven en emoties in een mens. Waarom zou je niet mogen klagen? Van wie niet? Wie klaagt bevindt zich in goed Bijbels gezelschap. Job balt zijn vuist tegen de hemel, vele psalmisten klagen hun nood. Als het leven aan het wankelen is gebracht, klinkt de ongeremde klacht. ‘Hoe lang nog?’ Het is een aanklacht tegen de Eeuwige zelf, die lijkt te slapen, zich te verbergen of gewoon te zwijgen.


Van alle klaagpsalmen is Psalm 88 wel de zwartste. De psalmdichter spreekt weliswaar van God mijn redder (vs 2), maar de redding is ver te zoeken en van vertrouwen is geen sprake. Toch blijft de psalmist dag en nacht roepen tot God, want hij is de dood nabij. Het is niet gezegd dat de bidder ziek is. In de oudtestamentische beleving kun je levend dood zijn als je eenzaam bent, honger of dorst lijdt, ver van huis of onvrij bent. Alles wat het volle leven beperkt is al een stukje dood. De psalmist houdt God verantwoordelijk voor zijn ellende: uw toorn drukt zwaar op mij, uw golven slaan over mij heen. Hij werpt God een aantal vragen voor de voeten: weet men in de duisternis van uw wonderen of van uw weldaden in het land der vergetelheid? Ook klinkt de eeuwige vraag: waarom, Heer, verstoot U mij? In de psalmen vraagt het waarom niet naar de oorzaak maar naar de bedoeling. Waarom moet ik dit meemaken? Waar is dit goed voor? De vraag of God de bidder deze ellende écht aandoet doet niet terzake. In zijn beleving is het zo. Uiteindelijk is hij in zijn bijna dood zijn niet alleen afgesneden van God, maar van alle levenden.

 

We zijn in de greep van het coronavirus. Ons leven is ontregeld, in het klein of in het groot. De beeldtaal van Psalm 88 spreekt tot mij in deze tijd. ‘Bijna dood, mijn leven raakt bijna het graf’. Ik denk aan mensen in eenzaamheid op de intensive care, in slaap gebracht. Bekenden hebt U ver van mij vervreemd, afgrijzen roep ik bij hen op, ik ben ingesloten (vs 9). Het lijkt of de dichter in quarantaine is uit vrees voor besmetting of om besmettelijk te zijn. Mijn ogen zijn dof van ellende (vs 10). Mensen verliezen hun baan, hun inkomen, hun met liefde opgebouwde bedrijf. Wat zal de toekomst brengen? Mijn beste vrienden hebt U van mij verwijderd (vs 19). We moeten afstand houden, elkaar niet aanraken. Ons sociale leven is van iedere onbevangenheid ontdaan. En bij dit alles komen vragen in ons op: Waarom? Wat is hiervan de bedoeling? Hoezo ‘ik mag niet klagen’?


Veel psalmen kennen een omslag. God geeft antwoord en brengt uitkomst. De redding wordt gevolgd door een dankgebed en uitbundige lofprijzing aan het adres van de Eeuwige. Eind goed al goed. Zo niet Psalm 88. Het lied eindigt in de duisternis en we weten niet of de Geest een nieuwe morgen schept. Maar het zwijgen van God ontmoedigt de bidder niet. Hij blijft Hem aanroepen. Hij heeft een adres voor zijn klacht. Ik moet denken aan het lied van Huub Oosterhuis:

 

Dan nog, dan nog,

klamp ik mij, klamp ik mij

vast aan jou, of je wil of niet.

Op ongenade of genade.

Ik zal red mij,  red mij roepen

of zoiets als heb mij lief.

 

Misschien is die laatste zin al te veel van het goede. Deze psalm zonder goed einde heeft een plaats in de Bijbel. Zij herinnert ons eraan dat niet voor elke crisis een oplossing voorhanden is en dat klagen mag.

 

JvR

 

1.2   Hopen

 

Vestig je hoop op God, eens zal ik Hem weer loven

Psalm 42:6

 

De coronacrisis is een oefening in hopen. Het geduld van mensen wordt op de proef gesteld. Als er wat verlichting komt in de regels van overheid, leven we op en zien we er naar uit elkaar weer te kunnen ontmoeten. Maar de teugels kunnen zomaar weer aangetrokken worden. Dan zijn we opnieuw teruggeworpen op onszelf. Is dat een lot dat je berustend ondergaat of misschien een uitnodiging tot een indringende bezinning?


De dichter van Psalm 42 hoopt op andere tijden. Op het moment van schrijven ziet zijn situatie er alles behalve rooskleurig uit. De dichter drukt de leegte plastisch uit. Verblijvend op de Hermon - aan de grens van het beloofde land, ver van Jeruzalem - voelt hij zich eenzaam (vs 7). Alles ademt tegenslag. Hij verlangt sterk naar Gods gezelschap. Zijn zoektocht naar Gods nabijheid vergelijkt hij met een hert dat in de hitte van de woestijn naar water verlangt.


De dichter koppelt zijn verlangen naar God aan het verlangen naar de tempel. Een jaar geleden hadden we waarschijnlijk extra woorden moeten gebruiken om dat verlangen te begrijpen. Hoe anders is het nu. We moeten reserveren om een kerkdienst te bezoeken. Misschien herken je je wel in het refrein van de dichter. Tot drie keer toe klinkt het: ‘Wanneer zal ik weer binnengaan om voor Gods aangezicht te verschijnen?’ Het betreden van het heiligdom valt voor hem samen met God weer onder ogen komen. De berijmde versie heeft dat besef verder uitvergroot: ‘Ik gedenk hoe ik vooraan in de reien op mocht gaan’.


Maar het blijft niet bij verlangen, de hoop wordt geboren: ‘Hoop op God, want ik zal Hem weer loven voor de volkomen verlossing van Zijn aangezicht’ (vs 6). Voor hopen staat er in het Hebreeuws een woord wat allereerst wachten betekent. Dat is wat anders dan het zinloos doden van tijd. In het wachten beginnen de gedachten zich te ontwikkelen, het wachten vult zich met positief denken. Er ontstaat hoop en verwachting. De Geest wordt vaardig en geeft nieuwe ingevingen. Er groeit besef dat de wereld kan veranderen. Het is een wachten zoals we kennen van Noach. Hij wacht tot het water van de vloed daalt en nieuw leven kan opbloeien. De ziel ziet uit naar Gods aanwezigheid, zoals wachters op de muur wachten op de morgen. Wachten en hopen op God gaan samen op. We verlangen naar God. De aanwezigheid van God en het perspectief van leven vallen samen.

 

Het Elijah Faith Institute heeft veertig interviews gehouden over de coronacrisis met vooraanstaande lieden uit verschillende religies. Er is oog voor de narigheid van de crisis, maar bijna alle geïnterviewden komen uiteindelijk uit bij de hoop. ‘Laten we eilanden zoeken van hoop waaraan we ons optrekken’, zegt Antje Jackelén, een lutherse aartsbisschop. ‘Er zijn geen formules om de angst weg te nemen’, vult rabbijn Arthur Green aan, ‘maar we worden in onze traditie wel geacht dagelijks een gebed uit te spreken en daarbij ons zes dingen te herinneren die van belang zijn tot op de dag van vandaag, zoals de schepping en de uittocht uit Egypte…’. De herinnering aan hoe het ooit is gegaan is een voedingsbodem voor de hoop op de toekomst.


Je kunt een mens in droevige omstandigheden veel afpakken aan have en goed. Velen op onze wereld ervaren dat momenteel aan den lijve. Maar één ding mag je een mens niet ontnemen: zijn hoop. Het is de hoop die door alles heen doet leven. Het lied van de hoop (hatikva) is een drijfveer voor generaties joden om te verlangen naar ‘volgend jaar Jeruzalem’. Of als je het profaner wilt zeggen met een liedje van Guus Meeuwis: ‘Geef mij nu je angst, ik geef je er hoop voor terug’.

 

KvdK

 

1.3   Vernieuwen

 

Naar U, HEER, gaat mijn verlangen uit, mijn God,

op U vertrouw ik, maak mij niet te schande.

Psalm 25: 1-2

 

Opnieuw op weg. De eerste verzen van Psalm 25 vormen in de oude kerk een zogenaamde antifoon, een inleidend psalmvers van de dienst op eerste advent. De toon wordt gezet. In God alleen vindt de ziel haar troost, alleen Hem kan zij vertrouwen. Bij mensen kan je teleurgesteld worden, bij God niet. Dat is de basis van waaruit een gelovige het nieuwe kerkelijk jaar betreedt.


Met de eerste advent gaan we de drempel over van een nieuw jaar, ongeveer een maand voordat de ‘gewone’ kalender zegt dat er een nieuw jaar begint. Dat is in zekere zin eigenwijs. Hoezo denken wij op de kalender vooruit te kunnen lopen? Wat geeft ons die vermetelheid? De psalm geeft het antwoord. Alleen het vertrouwen op God helpt ons onze tijd als anders te verstaan dan de tijd die aangegeven wordt door de seculiere agenda. Er is al iets nieuws begonnen, zie je het niet?


Het is niet altijd eenvoudig de tijden te duiden. Zeker in tijden van crises kan een algeheel gevoel van malaise ontstaan. In deze dagen waarop het coronavirus hard toeslaat, vragen mensen om perspectief. Wanneer zal alles weer bij het oude zijn? Moet het werkelijk ons verlangen zijn dat alles bij het oude terugkomt? Of mag die merkwaardige tijdrekening van de kerk ons prikkelen om te bezien of God misschien een nieuwe weg met ons begonnen is.


We constateren dat de coronacrisis de secularisatie versnelt. Mensen lijken stilletjes uit de kerk te verdwijnen. Tegelijkertijd haken andere mensen aan die de laagdrempelige manier van online vieren aangrijpen om eens te kijken wat mensen toch in de kerk doen. We moeten niet terug, we moeten vooruit. Er ligt een uitdaging voor ons om het evangelie als hedendaagse boodschap te brengen. Dat is niet gemakkelijk, want de vraag dringt zich op: hoe nieuw moeten we worden? Is er dan niets zeker?


In het nieuwe testament leert Paulus ons dat er een nieuwe tijd begonnen is toen God Zijn Zoon naar de aarde zond. In Hem wordt de nieuwe mens openbaar. Het kerstfeest is het eerste grote feest van het nieuwe jaar. Jezus is op aarde geboren. Kerst bemoedigt ons en daagt ons uit om van de gebaande paden af te wijken en het in een stal te zoeken. Aarzelend gaan we op weg, zoekend en tastend. We zouden er niet komen als God ons niet de Geest van Zijn Zoon had gegeven, waarmee wij Abba, Vader, leren roepen. Door de Geest staan wij opeens rond de voederbak als kinderen van God.


De Geest maakt ons tot nieuwe mensen, kinderen van God. Dat is mooi. Maar dat is ook spannend. We voelen wel aan dat we voor nieuwe opgaven komen te staan, in ons persoonlijk leven en ook in de kerk. Hoe zal de kerk eruit zien? Moeten wij al het oude vertrouwde afleggen? God zelf heeft het aangedurfd opnieuw te beginnen in Christus. Het is een waagstuk geweest en dat is het nog steeds. Wat zouden wij dan aarzelen? Op God mogen wij vertrouwen. Hij zal ons niet te schande maken. De kerk is wel eens bang geweest voor vernieuwing maar ze heeft ook bewezen dat ze vernieuwen kan. Met de Geest in de rug en het beeld van Kerst op het netvlies, gaan we getroost verder en bidden we met Psalm 104:30: ‘Zend Uw adem en (w)zij worden geschapen, zo geeft U de aarde een nieuw gelaat.’

 

TV

1.4   Verbinden

 

Hoe goed is het, hoe heerlijk als broeders bijeen te wonen!

Psalm 133:1

 

De mens is geen kogel in een flipperkast die willekeurig heen weer schiet, willekeurig hier wat raakt en daar wat mist. De mens is aangelegd op contact en ontmoeting. We zien dat al bij het eerste mensenpaar. De dieren trekken in al hun schoonheid aan Adam voorbij, maar zijn hart springt pas echt op als hij een mens ziet als hij. Enthousiast roept hij het uit: ‘Eindelijk een gelijk aan mij…’


In deze coronatijd worden we belemmerd in onze persoonlijke contacten. Feestjes worden afgezegd, jongeren missen het uitgaan in het weekend. Zelfs bij ingrijpende momenten in je leven als een huwelijk of een uitvaart moet je afstand houden en kun je maar een beperkt aantal mensen uitnodigen. Het samenleven van mensen staat onder druk. Er is eenzaamheid in huizen, je ziet weken niemand. Of juist het tegenovergestelde: je loopt elkaar in de weg. Er ontstaan spanningen tussen jou en je partner, je kinderen werken je op je zenuwen. Je zingt het eerste couplet van Psalm 133 niet van harte mee:

 

Zie toch hoe goed, hoe lieflijk ‘t is dat zonen

van ‘t zelfde huis als broeders samenwonen.

Een liefdeband houdt hen tezaam.

 

Ook in de Bijbel is de liefdesband tussen broeders en zusters aangevochten. Kaïn en Abel, Sara en Hagar, de broers uit de gelijkenis van de vader en twee zonen. In Psalm 133 gaat het niet alleen over familiebanden. Het is een pelgrimslied. Het wordt gezongen door mannen, vrouwen en kinderen die op weg zijn naar Jeruzalem. Broederlijk en zusterlijk zijn ze onderweg, al zullen er ook de nodige botsingen geweest zijn. Maar toch, de een helpt de ander als het te zwaar wordt. Er worden verhalen gedeeld, er wordt gelachen en gehuild. De pelgrims spreken elkaar moed in. De gezamenlijke tocht staat voor het leven dat je niet alleen kunt leiden. Mensen hebben mensen nodig.


De gezamenlijkheid missen veel kerkgangers in deze coronatijd. Het praatje met diegene waar je altijd naast zit in de kerk, het koffie drinken na de dienst, het samen uit volle borst Psalm 150 zingen. Hierbij gaat het voor velen om meer dan gezelligheid. Ook de dichter van Psalm 133 geeft een verdieping aan het samenkomen van de pelgrims. Hij vergelijkt het met de olie waarmee Aaron gezalfd wordt. De geur van de olie verspreidt zich, het is de geur van de liefde, het stelt de heiligheid van God present.


En dat andere beeld: de dauw die de Hermon bedekt en levenskracht geeft aan bomen en planten. Het samenkomen in het heiligdom geeft voeding, nieuwe levenskracht. Het draagt vrucht. Het leven krijgt een nieuwe glans als broeders en zusters in liefde samenwonen.


Toch