De poldermens

De provincie Flevoland kent een sterk verstedelijkt deel rond Almere en meer landelijke delen. Er is oriëntatie op de zeevaart en visserij en oriëntatie op de landbouw. Natuurlijk kan je niet al die delen onder één noemer recht doen. Toch wordt er in de literatuur wel gesproken over een ‘homo zuiderzeelandicus’. Het gaat dan om een specifieke poldermentaliteit, het benoemen van karaktertrekjes die in het dna van de polderbewoners terug te vinden zijn. Je komt uiteindelijk bij het begrip ‘pionier’ uit. Bij alle verschillen hebben de poldermigranten dit met elkaar gemeen dat ze enkele generaties terug de verhuiswagen hebben laten voorrijden en zijn verhuisd naar de regio waar eerst slechts water te vinden was. Die poldermentaliteit wordt door velen gekoesterd en gezien als de bereidheid steeds opnieuw naar logische oplossingen te zoeken, creativiteit aan te boren en een heldere analyse te prefereren boven de visie ‘zoals het altijd geweest is, moet het nu blijven’.

De vraag naar de poldermentaliteit krijgt verdere diepgang op het moment dat je het koppelt aan kerkelijk besef. De polders zijn ontgonnen in een tijd dat de verzuiling nog gemeengoed was op het oude land. Er werden lijsten bijgehouden dat geen zuil onder de maat vertegenwoordigd zou zijn. En tegelijk merk je dat de zuilen geen verreikende historische achtergrond hebben. Men kon in het nieuwe land sneller over de schaduw van de eigen zuil stappen dan elders.

Je zag het aan het proces van samen op weg binnen de Protestantse Kerk. Het aantal SoW-gemeenten in Flevoland overtrof die van het oude land. Sommige plaatsen stapten direct in de gezamenlijke aanpak en moesten omwille van administratieve redenen nog een hervormde gemeente en een gereformeerde kerk vormden, hoewel ze daar zelf weinig oren naar hadden. Bij het provinciaal bureau van de hervormde kerk was de pioniersgeest van de polder spreekwoordelijk. Het was de kracht van de mensen die de kerk in nieuwe steden als Lelystad en Almere ontwikkelden; het was tegelijk de valkuil.

Symbolen

Toen Noorwegen zich losmaakte van Zweden in 1905 was er een behoefte aan symbolen van de nieuwe natie. En in een museum in Bergen vind je dan ook coryfeeën uit Noorwegen breed uitgemeten, zoals Hendrik Ibsen, de schrijver, en Edward Grieg, de componist. Zij zijn gezicht van de nieuwe nationaliteit.

Een soortgelijke verkenning kan je in de boekhandel vinden als je je gaat verdiepen in Flevoland. Het ontbreken van een directe traditie geeft enerzijds nieuwe mogelijkheden. Je wordt niet gehinderd door traditioneel erfgoed. Tegelijk is er een behoefte om alsnog te beschrijven hoe er lang voor dezen cultuurgrond is geweest en hoe stormen oude dorpen hebben weggeslagen die ooit in het landschap waren verzonken, zoals je nu plaatsen vindt als Marknesse en Biddinghuizen.

Henk Hofland schrijft over dat poldergevoel. Hij adviseert een paar dagen te wandelen in de drie kernen: Almere Haven, Almere Stad en Almere Buiten. Hij komt dan tot de conclusie: ‘De droom die aan het bestaan van Almere ten grondslag ligt, is een zeer Nederlandse droom, niet minder groots in zijn aspiraties, niet minder gedurfd in de wil om de verantwoordelijkheid voor de toekomst van honderdduizenden te aanvaarden, maar Nederlands: een droom die tot tastbaar en nuttig resultaat moest leiden; een prozaïsche droom, juist daardoor bedrieglijk want de romantische traditie wil dat mooie dromen poëtisch zijn. Door de nuchtere vanzelfsprekendheid waarmee Almere zich aan ons voordoet – geen betovering van paleizen en kathedralen – zijn we geneigd ons te vergissen: we lopen door een welvarende en georganiseerde werkelijkheid van alledag. Maar juist dán is de droom tot tastbaarheid geworden. Wanneer en waar, in wiens hoofd is dat begonnen?’

Groene Kathedraal

Wat voor de cultuur van Flevoland in algemene zin geldt, raakt de ontwikkeling van de kerk. Alles wat met kerk te maken heeft, is nieuw; en soms schuurt dat, leidt dat tot een verlangen om net als de parochianen in Amsterdam of de vromen in Zwolle terug te kunnen vallen op oud erfgoed. Misschien was dat wel de reden voor de kunstenaar Marinus Bloem uit Leerdam om een soort spirituele kathedraal te ontwikkelen. In de Middeleeuwen duurde het honderd jaar om een kathedraal te bouwen. Daarna konden generaties achtereen kennis nemen van de cultuur, het verval en de reparaties. Zoiets stond hem voor ogen, toen hij in 1978 een plan indiende bij de Raad voor de Kunst voor wat hij noemde ‘Gotic Growing Project’, het ‘Gotische Groeiproject’. Hij stelde zich een kathedraal voor in de natuur gemaakt van bomen. Na het nodige lobbywerk stelde de Rijksdienst IJsselmeerpolders in 1986 grond beschikbaar voor het project, een kavel tussen de Hoge Vaart en de Tureluurweg.

In 1996 zag de bijzondere kathedraal het levenslicht. Het ontwerp is gebaseerd op de kathedraal van Reims. De Groene Kathedraal, zoals het al gauw in de volksmond bekend stond, bestaat uit 178 aangeplante populieren. Ze werden in de grond gezet in 1987. Het waren Italiaanse populieren, om precies te zijn. Elke populier staat voor een zuil. Om elke populier kwam een bedje van schelpen te liggen, als herinnering aan de golven die hier voor de inpoldering spoelden. Uitgaande van een gemiddelde groei van één meter per jaar kan je zeggen dat de populieren inmiddels tot volwassenheid zijn gekomen. Een website daarover zegt dat de hoogte van 30 meter in 2006 is bereikt, met de dertig meter is de hoogte daarmee vergelijkbaar met de kathedraal van Reims. De kathedraal symboliseert het menselijk verlangen om al het aardse achter te laten en het spirituele te zoeken. Het project is tegelijk een metafoor, zo zegt de website, voor het feit dat er pioniers zijn begonnen met het ontwikkelen van een nieuwe cultuur. Elke beschaving begon ooit met het bouwen van een kathedraal, een gebedsruimte. En in Almere is het dus niet anders.

Het kunstwerk geeft in zijn kwetsbaarheid de ontwikkeling weer die ook een kathedraal in steen en hout ten deel kan vallen. De tand des tijds doet bij beide zijn werk. De populieren worden in de regel niet ouder dan honderd jaar. En dat veronderstelt een regelmatig snoeien. Daar is op den duur een hoogwerker voor nodig, zegt Han Lörzing in de bundel ‘Flevoland, poëtische provincie’. Het is op de winderige locatie aan de Hoge Vaart dus niet denkbeeldig dat ergens halverwege deze eeuw diverse bomen omwaaien. De eerste boom is inmiddels al geveld. De Groene Kathedraal is gedoemd een ruïne te worden. ‘Maar geen nood’, zegt Han Lörzing, ‘zoals ook de ruïnes van een stenen kathedraal indrukwekkend kunnen zijn, zullen de resten van Boezems Groeiproject ongetwijfeld bezoekers trekken die gefascineerd naar het verval van een laat-twintigste-eeuws kunstwerk komen kijken’.

In de buurt van de Groene Kathedraal is in 1990 een contra kathedraal aangeplant. De omtrek van deze contra kathedraal is uitgespaard in eiken- en beukenhagen. In het grasveld van de openplek geven betonnen paaltjes de pilaren aan. Als de populieren, zo zegt de website, na enkele tientallen jaren afsterven en de Groene Kathedraal langzaam tot ruïne vervalt, zal de tweede kathedraal de opvolger van de eerste worden. Pas als de ‘Groene Kathedraal’ niet meer te zien is en als mensen tegen elkaar zeggen: ‘Vroeger stond hier een kathedraal’, dan is Almere een stad met een eigen geschiedenis.


Abram

Het begrip 'pionier' kom je niet expliciet in de Bijbel tegen, maar het heeft wel zeker Bijbelse wortels. De pionier heeft verwantschap met de pelgrim. Het was de pelgrim Abram die van Charan naar Beloofd Land ging. En hij nam niets anders mee als kompas dan een enkel woord. Er waren – zoals Noordmans zegt – leegten. En juist die leegten zijn nodig om van een stap in geloof te kunnen spreken. Het zijn juist de leegten die God nodig heeft om op die manier scheppend aanwezig te zijn en inderdaad op geloof te kunnen aansluiten. Het is de pelgrim die die onbevangenheid aan de dag legt.

Daarmee is de verwantschap en het verschil in beeld tussen de pelgrim en de pionier. De pionier is een verkenner; en op zichzelf is dat zoeken een neutraal gegeven. De zoekende mens kan een dolend mens zijn, een mens zonder oriëntatie. De pelgrim is een pionier, die het verkennende koppelt aan vertrouwen in God. De polderpionier is niet bij voorbaat gelovig georiënteerd. Het zoeken kan ook wijzen op zelfoverschatting of in ieder geval op zelfvertrouwen. Maar de open mind is theologisch gezien wel het voorportaal van vertrouwen en onbevangenheid.

De pioniersgeest vertaalt zich politiek gezien nogal eens naar een liberale imborst. Het zijn de liberale politieke partijen, die in de polder veel aanhang hebben. De VVD won bij de gemeenteraadsverkiezing van 2018 in drie van de vier gemeenten van Oostelijk en Zuidelijk Flevoland de meeste stemmen. Dat steekt af bij het landelijk gemiddelde, en trouwens ook bij de situatie in de Noordoostpolder, waar de liberale partij in de twee daar aanwezige gemeenten slechts als vierde partij in de gemeenteraad belandde. Daar zijn het lokale partijen en ook christelijke partijen die sterker vertegenwoordigd zijn.

De inwoners van de provincie Flevoland - zo lijkt het - hebben affiniteit met het ideaal van vrijheid en maakbaarheid van een samenleving op basis van inzet en goed je verstand gebruiken. Flevoland is de Nederlandse variant van de verwezenlijking van de American Dream, de polderdroom.

Ondernemerszin

De journaliste Eva Vriend, zelf geboren in Luttelgeest, schreef het boek ‘Het Nieuwe Land’, waarin ze ingaat op de geschiedenis van de Noordoostpolder, de oudste polder van de provincie Flevoland. Ze zoekt naar een criterium op grond waarvan de bewoners door de selectiecommissie onder leiding van Hessel Lindenbergh werden geselecteerd. Ze concludeert dat er enerzijds een keurslijf was van fatsoen waaraan de nieuwe burgers moesten voldoen. ‘Je moest een getrouwde, eerbare burger zijn met, bij voorkeur, een kinderwens’. En er was een tweede criterium: Je moest in staat zijn altijd zelf te blijven denken. Een zekere eigenzinnigheid en een grote dosis ondernemingszin is de kandidaten eigen, zegt ze. ‘Tijdens mijn zoektocht ben ik ze tegengekomen: mensen die misschien niet meteen een driftkop zijn te noemen, maar die op zijn minst eigenzinnig zijn. En het is ook logisch. Mensen reisden immers niet naar die kale polder af omdat ze het oude en vertrouwde wel best vonden. Ze wilden eens iets anders, en meer dan dat. Ze wilden voor de troepen uit en verder kijken, voorbij de horizon’. Als er een gezamenlijke identiteit is, dan is het dat nuchtere besef van samenwerking en een zelfde inspiratie van: ‘Hier in de polder regelen we het wel’.

Cultuurwetenschapper Demelza van der Maas promoveerde aan de VU op het ontstaan van het cultureel erfgoed in Flevoland. Van der Maas: ‘De visie en motivatie van avonturiers en pioniers hebben mogelijk gemaakt dat Flevoland überhaupt bestaat. Het avontuur zit in de genen van Flevoland. Het merk Flevoland gelooft dat er elke dag iets nieuws te ontdekken valt, zeker in Flevoland. De Flevolander is trots op wat hij bereikt heeft, op zijn omgeving. Hij maakt de beleving compleet. Met een lach en een knipoog’. Om een vlotte babbel of een goede grap zitten Flevolanders niet zo snel verlegen. Een zekere vasthoudendheid kan daarbij meespelen. Met dank, misschien wel, zo mijmert Eva Vriend, aan de selectiemethode.

Gerhard Jansen verwoordt in een gedicht:

Pionier

Hier sterft de pionier,
hier doodt de tijd het dier,
dat leefde als leeuw met lam
op nieuwe aarde,
maar hij vindt zichzelf nog hier
gestaafd in oude waarde.

Vriend concludeert dat men onder invloed van de politieke lobby in de kamer een representatief beleid wilde voeren in de polder qua kerkelijke richtingen. Maar helemaal gelukt is dat niet. In de Tweede Kamer, bericht het boek over de canon van de Noordoostpolder, werden regelmatig vragen gesteld over de religieuze samenstelling van de polderbevolking. In 1953 beloofde minister van Waterstaat J. Algera ernaar te zullen streven ‘dat de samenstelling van de bevolking van de Noordoostpolder naar levensbeschouwing in grote lijnen overeenkomt met de verhoudingen van het hele land’. Dit lukte niet helemaal. In 1959 vormden de rooms-katholieken maar 28 procent van de bevolking, tegen landelijk 38 procent.

Aanvankelijke verzuiling

Aanvankelijk klonterden de gezindten bij elkaar. De katholieke ABTB en de protestants-christelijke CBTB stichtten elk een eigen afdeling in de polder. Als Eva Vriend thuiskomt moet ze van haar vader altijd achternamen noemen van vriendinnetjes en vriendjes waar ze mee speelt. Dat paste bij de rubriceringen die men placht aan te leggen. ‘Vriend. Veehouder. 1952. Katholiek’. Maar de rijtjes waren sterk aan slijtage onderhevig. En eerder dan elders gleed de verzuiling in de polder onderuit. De bereidheid tot samenwerking was een belangrijker gemeenschappelijke basis dan de kerkelijke oriëntatie. Op die noodzaak tot saamhorigheid is dan ook steevast gewezen.

Ds. B. Jan Aalbers, de eerste dominee van Bant, vertelt in zijn biografie ‘De duif heeft ons een goed bericht gebracht’ dat de gevoeligheden van het oude land bij enkelingen doorwerkten bij de ontginning van de Noordoostpolder. Zo werd een gereformeerde directeur van een openbaar lyceum en kreeg de goede Jan Groen dat regelmatig te horen van zijn collega van het christelijk onderwijs. De man was het op een gegeven ogenblik zat dat steeds te horen en veranderde van kerkelijke richting.

Dezelfde Jan Aalbers werd later predikant in Dronten en in zijn boek heeft hij de twee polders wel met elkaar vergeleken. Hij merkte dat de eerste bewoners van de Noordoostpolder anders in het leven stonden dan de eerste bewoners van Oostelijk-Flevoland. Hij schrijft: ‘Het pioniersgehalte van de eerste bevolking van de oostkant van de polder viel me tegen in vergelijking met dat van de Noordoostpolder’. Hij zag de reden in de toewijzing van boeren die uit nood geboren naar Flevoland kwamen, terwijl de Noordoostpolder veel ideologisch gemotiveerde boeren had verwelkomd. ‘Daar kwam bij dat de inbreng van goed gevormde krachten uit de boerenstand rond Dronten pas laat op gang kwam. In het begin waren het vooral mensen van de verschillende overheidsdiensten die de bevolking vormden. Velen hadden al hele omzwervingen gemaakt door de eerdere polders en moesten noodgedwongen met de kolonisator mee naar de nieuwe polder.(….) Een zekere pioniersmoeheid was hun niet vreemd. Het was daaraan te wijten dat je als predikant met minder kader te doen had en vooral in de allereerste fase zelf veel moest opknappen’. Er was toen ook al het nodige geregeld, zodat Aalbers in een preek sprak over ‘een pionieren op pantoffels’. Je zag ondertussen dat er wel enige jaren verstreken waren en verzuiling minder vanzelfsprekend was. In Swifterbant en Biddinghuizen kon in die tijd hervormd, gereformeerd en rooms-katholiek een gezamenlijk kerkcentrum bouwen.

Klassen

Keren we terug naar de eerste fase in de Noordoostpolder. Groter dan de kerkelijke tegenstellingen waren de maatschappelijke tegenstellingen tussen grote boeren, kleine boeren en arbeiders. De katholieke polderpionier Lucas Huizinga vertelt in de canon van de Noordoostpolder: ‘Het was hier in het begin ook wel zo, dat als we hier uit de mis kwamen en even naar het kerkzaaltje gingen om koffie te drinken, dáár de grotere boeren zaten, dáár de kleinere boeren, en de arbeider er helemaal niet in kwam!’

Hoewel de Noordoostpolder qua identiteit in het begin wellicht nog het meest aanleunde tegen de provincie Overijssel, waar het tot 1986 ook één burgerlijke provincie mee vormde, ontwikkelde het zich zelfstandig. Je kon het merken in de taal. Polderbewoner Harrie Scholtmeijer verrichtte er onderzoek naar en concludeerde in een proefschrift uit 1992 dat de in de polder geboren generatie accentloos Nederlands sprak en wellicht de meest zuivere taal beheerste van heel de Lage Landen. Scholtmeijer: ‘Alleen invloeden van het omringende oude land hebben in de poldertaal weten door te dringen, en dan eerder op het niveau van vermeend Nederlands, dan van echt dialect. Voorbeelden zijn: ‘de deur staat los in plaats van de deur staat open, waar kom je weg in plaats van waar kom je vandaan, hij is druk met hooien in plaats van hij heeft het druk met hooien en zij heeft het naar het zin in plaats van zij heeft het naar haar zin’.

De polder staat garant voor gelijke kansen voor iedereen. Naar de mate van je inspanningen krijg je je loon. Annemarie van Weteringen verwoordt het in een gedicht:

Ketelbrug

Erfgenamen van de zee:
twee polders
wie op de brug staat
hoort hun gefluister

Water stroomt tussen bogen door
ruisend op zoek naar overzijden
hunkerend
naar meer van zichzelf

Boven dit landschap
ademt de wind als een vader
aait de golven soms en
schraagt de stemmen van het land;
elk krijgt wat hem toekomt, want
alles is onder deze vleugels eender

Het is een land zonder herinnering. Daarmee misschien ook wel iets sneller meegaand in de secularisatie. Dat zie je aan de cijfers van kerkelijke betrokkenheid in Almere en Lelystad. Die vallen relatief laag uit. Maar ook andere plekken merken de kerken dat de continuïteit van kerkelijk meeleven tanend is. In de oorspronkelijke planologie voor Dronten bijvoorbeeld, speelden kerkgebouwen een belangrijke rol. Maar het pand van de rooms-katholiek kerk voldoet niet meer en wordt daarom gesloopt. Als herinneringsteken blijft de toren gehandhaafd.

Tineke van der Zee schreef een gedicht:

Silhouet

Golvend graan in plaats van wind en water.
Mensen, met de nieuwe grond verbonden,
bouwden toekomstig verleden tijd.

Kerken zijn verrezen. Zij hebben
Drontens silhouet bepaald.
Daar waar godsbesef hen bracht
zijn gelovigen bijeengekomen.

Mensen zijn hun eigen wegen ingeslagen.
Gebeden, gezangen beroeren de muren niet meer.

Alleen de toren, herkenningspunt voor
tijd en ruimte, bleef gespaard
en wordt voor hier en later nog bewaard.

Net als op het oude land, merk je dat er in de polder verschillende culturen naast elkaar zich ontwik