De spiritualiteit van samen in de werkgemeenschap

 

inleiding voor de workshop over de werkgemeenschap

op de classicale predikantenda op maandag 17 juni 2019

Hans van Solkema, preses classis Overijssel en Flevoland

 

Uit het mini-onderzoekje onder zo’n zestig predikanten binnen de classis Overijssel en Flevoland blijkt dat de meeste collega’s de werkgemeenschap positief waarderen. Als je dan vraagt: waarom, dan blijkt bovenaan te staan "de persoonlijke welstand van collegae" en als goede tweede "bezinning op theologische onderwerpen”. Wat mij opvalt is dat het samen ontwikkelen van je spiritualiteit in dat rijtje niet wordt genoemd. De eerlijkheid gebied te zeggen dat spiritualiteit ook niet een van de keuzeopties was. Ook dat is veelzeggend. Kennelijk staat ook bij ons als classis het bevorderen van de spiritualiteit binnen de werkgemeenschap niet voorop. Misschien is dat ook niet zo verassend als je kijkt naar wat de kerkorde daarover zegt.

 

In de kerkorde wordt in ordinantie 3-15-8 voor de eerste keer over de werkgemeenschap gesproken en wel in het kader van de taken van classis. De taak van de classis is onder andere:

 

  • het bevorderen van de saamhorigheid en de gezamenlijke bezinning van de predikanten door hen samen te brengen in werkgemeenschappen;

 

Ook in deze omschrijving wordt spiritualiteit niet genoemd. Wel wat wij als collega’s hoog waarderen: de saamhorigheid (ik versta dat maar even gemakshalve als de persoonlijke welstand van de collegae hoewel dat nog niet per se hetzelfde hoeft te zijn) en de gezamenlijke bezinning (wat zowel theoretisch als praktisch-theologisch kan zijn). Zo bezien matcht het mini-onderzoek en de antwoorden daarop van de collegae met de verwachtingen van de kerkorde.

 

Vreemd is echter dat bij de taakomschrijving in ordinatie 4-18, dat later in de kerkorde staat, en dat in zijn geheel gewijd is aan de werkgemeenschap, de spiritualiteit wel wordt genoemd en wel in het eerste lid. Daar staat dat de werkgemeenschap als taak heeft:

 

  • de onderlinge opbouw van het geestelijk leven van haar leden met het oog op het werk waarmee zij zijn belast

 

(de overige leden van dit artikel zijn

  • het bevorderen van pastorale zorg voor haar leden;
  • de bezinning op de versterking van het geestelijk leven van de gemeenten en het uitwisselen van de daaromtrent opgedane ervaringen;
  • de gezamenlijke bestudering van themata die voor het werk van de predikant van belang
    zijn;
  • het bevorderen van de samenwerking van en de uitwisseling tussen gemeenten die deel
    uitmaken van dezelfde ring. )

 

Ik weet niet of we in de volgorde van opsomming van de taken van de werkgemeenschap een volgorde van belangrijkheid mogen zien, maar opvallend is wel dat spiritualiteit (en dan omschreven als “de onderling opbouw van het geestelijk leven”) bovenaan staat. Is dat nu iets waar wij als predikanten in de werkgemeenschap ook aan toe komen? Hoe ziet die onderlinge opbouw van het geestelijke leven er eigenlijk uit? En is dat iets anders dan de onderlinge ontmoeting en de gezamenlijke bezinning op theologische onderwerpen?

 

Het lastige is dat een woord als spiritualiteit zo vaag is. Als er één begrip is dat zo langzamerhand een containerbegrip is geworden dan is het wel het begrip spiritualiteit. Het helpt al als we onderscheid maken tussen (ontleend aan het handboek voor teamvorming van de PKN):

 

  • mijn persoonlijke spiritualiteit (mijn persoonlijke omgang met God, mijn levensroeping, dat wat ik ervaar als de bedoeling van God met mijn leven)
  • mijn persoonlijke pastorale spiritualiteit, ook wel beroepsspiritualiteit genoemd: het hart van mijn pastoraat, de ziel van mijn pastoraat
  • een teamspiritualiteit, die teamgenoten met elkaar delen en die de basis vormt voor de gezamenlijke dienst naar buiten als pastoraal team.

 

Hoewel dit onderscheid kan helpen verhelderen, zal het in de praktijk nog niet zo makkelijk zijn om het één van het ander te scheiden, maar waar ligt nu de spiritualiteit van de werkgemeenschap? Het eerste lid van de taakomschrijving in ordinantie 3-18 spreekt over de de onderlinge opbouw van het geestelijk leven van haar leden met het oog op het werk waarmee zij zijn belast. Het tweede deel van de zin lijkt erop te wijzen dat het vooral gaat om onze beroepsspiritualiteit. Het zou natuurlijk mooi zijn als ook onze persoonlijke spiritualiteit een plek kan krijgen binnen de werkgemeenschap, maar dat vraagt nogal wat, onder andere veiligheid en vertrouwen. Ook vraagt het dat de ander zich wil en kan inleven in jouw spiritualiteit. Bij de soms grote modalitaire verschillen is dat niet altijd makkelijk.

 

Hoe zou het bevorderen van een spiritualiteit van samen als beroepsspiritualiteit er dan uit kunnen zien? Ik ga daarvoor graag te rade bij de woestijnvaders. Ergens lijkt hun situatie wel op die van ons. De woestijnvaders waren monniken in de 3e eeuw die als eenlingen teruggetrokken leefden in de woestijn (en zijn wij als predikanten ook niet vaak eenlingen en soms zelfs in een woestijn), maar dat is maar het halve beeld. Ondanks dat ze als eenlingen leefden kwamen ze toch regelmatig bij elkaar en hielden samenspraken (collationes). Die samenspraken waren er op gericht om samen uit te zoeken wat de goede weg zou zijn in het beoefenen van het geestelijke leven van ieder van de leden afzonderlijk. Ze probeerden elkaar daarmee de goede weg te wijzen maar ook voor valkuilen te behoeden. Een belangrijk doel van deze samenspraken was om elkaar te corrigeren. Beroemde instrumenten daarbij zijn de onderscheiding van de geesten en het beeld van de bekwame geldwisselaar.

 

Wat ik wil vast houden is dat het bij een spiritualiteit van samen binnen de werkgemeenschap er niet alleen om gaat dat we elkaar te vertellen hoe jij je beroepsspiritualiteit beleeft en in de praktijk brengt, maar ook dat je daar kritisch op bevraagd wordt, desnoods gecorrigeerd. De grote vraag is echter : willen we dat? Willen wij als collega’s echt van elkaar leren? Eén van de deelnemers aan de workshop noemde als concreet voorbeeld het bespreken van elkaars preken. In een preek klinkt de beroepsspiritualiteit maar ook de persoonlijke spiritualiteit van een predikant, maar durven we dat ook?

 

Wanneer we de spiritualiteit van samen binnen de werkgemeenschap zo bezien dan gaat het de vrijblijvendheid voorbij. Niet voor niets stelt de kerkorde de deelname aan de werkgemeenschap dan ook verplicht. Het eerste eerste deel van de ordinantie 4-18 zegt daarover:

 

Het breed moderamen van de classicale vergadering stelt binnen elke ring een of meer werkgemeenschappen van predikanten in, waaraan alle betrokken predikanten deelnemen. Predikanten met bijzondere opdracht die werkzaam zijn in een groter gebied alsmede predikanten in algemene dienst nemen deel aan de werkzaamheden van de werkgemeenschap van het gebied waarin zij hun werkzaamheden in hoofdzaak uitoefenen, dan wel waarbinnen zij woonachtig zijn.
Kerkelijk werkers die werkzaam zijn in een gemeente in het betrokken gebied, worden uitgenodigd om aan de werkzaamheden van de werkgemeenschap deel te nemen.

 

Het volgende valt op:

 

De werkgemeenschap is verplicht voor dienstdoende gemeentepredikanten. Zij kunnen niet kiezen tot welke werkgemeenschap zij behoren.[1] Maar waar nu verplicht? Als we afgaan op de resultaten van de mini-enquete dan wordt een enkele keer als bezwaar tegen de werkgemeenschap genoemd:

 

  • Ik ben een parttimer, en dan is het allemaal wel veel.
  • pas geen dwang toe
  • bij ons wisselt de opkomst
  • we hebben behoorlijke modalitaire verschillen

 

Als je zo naar deze opmerkingen luistert dan hebben we als predikanten denk in niet zoveel op met het 'verplichte karakter' van de werkgemeenschap. Mijn eigen ervaring in verschillende werkgemeenschappen is ook dat predikanten de verplichting niet altijd serieus nemen. Andere taken in het gemeentewerk gaan al gauw voor. Ook deeltijdpredikanten maken binnen hun beschikbare tijd hun keuzes. Ook dan schiet de werkgemeenschap er nog al eens bij in. Ik kan dat  overigens allemaal heel goed begrijpen en sta soms zelf ook voor een dilemma, maar gaat het hier wel om een keuze die gemaakt moet worden door een individuele predikant? Moet je niet tegen je kerkenraad of tegen andere verplichtingen zeggen dat dit bijeenkomen prioriteit heeft omdat de kerk dat van ons vraagt. Dan komt natuurlijk onmiddellijk de vraag, maar waarom dan eigenlijk? Hier zou ik graag het pleidooi willen onderstrepen dat Hans Kronenburg hield op 5 juni 2019 in een lezing voor de werkgemeenschappen in Utrecht. Hij wijst er op dat de werkgemeenschap gezien moet worden als een uitdrukking van de katholiciteit van de kerk. Je werkt als predikant nu eenmaal niet voor jezelf, het is niet jouw hobby, jouw onderneming. Dat is soms wel roeien tegen de stroom in, want ook in gemeenten zie je dat het belang van de lokale gemeenschap nogal eens voorop wordt gesteld. We zijn toch autonoom, dat maken we toch zelf wel uit, wordt er dan gezegd. Waarom zou onze predikant deel moeten uitmaken van zoiets als de werkgemeenschap? Omdat, volgens Hans Kronenburg, "elke gemeente inderdaad volledig kerk is, maar ze is niet de totale kerk. Er is meer dan de lokale gemeente. Een gemeente is slechts kerk in verbondenheid met andere gemeenten en kerken, beter gezegd: met de kerk van alle tijden en alle plaatsen”.

 

Wat voor de gemeentes geldt, geldt volgens Kronenburg ook voor haar predikanten: "Een voorganger is in principe verbonden aan een lokale gemeente, maar hij/zij mag niet (laten) opsluiten in de lokale gemeente. Hij/zij is als voorganger van een lokale gemeente tegelijk predikant van de ene heilige katholieke kerk van Christus, zoals die gestalte krijgt in de Protestantse Kerk in Nederland.  De predikant vertegenwoordigt dus in de lokale gemeente de katholiciteit van de kerk.

 

Zouden we het verplichte karakter van de werkgemeenschap daarom niet van harte moeten onderschrijven omdat de werkgemeenschap een uitdrukking kan zijn van de katholiciteit van de kerk? Misschien moeten we ook af van het woord verplichting. Dat is niet een juiste term en die wordt ook niet in de kerkorde gebruikt. Het zou eigenlijk moeten gaan om een soort van vanzelfsprekendheid, een attitude, bij gemeenten en predikanten.

 

Juist de werkgemeenschap als plek van katholiciteit is wezenlijk voor het beoefen van een gezamenlijk spiritualiteit, zoals ook de woestijnmonniken geen eenlingen bleven, maar samenkwamen om elkaar te helpen en te corrigeren. De woestijnmonniken hadden elkaar niet uitgezocht, maar voelden zich wel tot elkaar verplicht. De werkgemeenschap zou daarvoor de plaats bij uitstek kunnen zijn. Hier ontmoeten verschillende beroeps-spiritualiteiten elkaar. Hier scherpen we ons aan elkaar. Hier brengen we ook de traditie in waarin we staan. Het is in dit kritische gesprek tussen de brede traditie (katholiciteit) van de kerk en onze eigen persoonlijke spiritualiteit waarin we onze persoonlijke beroepsspiritualiteit kunnen ontwikkelen en scherpen.

 

Kortom: de werkgemeenschap als een vrijblijvende plek van onderlinge ontmoeting, meeleven met elkaar en het bestuderen van af en toe een theologisch onderwerp is mij te mager. De werkgemeenschap is juist de plek bij uitstek waar we de diepte zoeken als het gaat om het wezen van de kerk en de vertolking daarvan in ieders eigen beroepspraktijk…


Vragen

 

Hoe kijken jullie aan tegen het verplichte karakter van de werkgemeenschap als uitdrukking daarvan dat je niet op een eiland werkt, maar dat je bereid bent om je spiritueel te laten vormen en omvormen door collega’s?

 

Hoe zouden we deze spiritualiteit van samen concreet gestalte kunnen? Welke onderwerpen, werkvormen lenen zich daartoe het beste? 


Voetnoot

[1]Predikanten met een bijzondere opdracht en de predikanten in algemene dienst kunnen wel kiezen (of de werkgemeenschap van hun woonplaats of die van hun werkgebied). Ook voor deze groep predikanten is de werkgemeenschap verplicht. Kerkelijk werkers worden wel uitgenodigd, maar zijn niet verplicht om te komen. Uitzondering daarop voor de kerkelijk werkers die een sacramentsbevoegdheid hebben gekregen. Voor het is de werkgemeenschap wel verplicht. Dat is geregeld in ordinantie 3-12-16

Hans van Solkema

Foto: Hans van Solkema (archieffoto)