Gedichten over Twente

Onderstaand gedicht van Willem Wilmink werd voorgelezen tijdens de ringvergadering in Wierden. Het is aangekondigd als een testimonium van hoe de kerk een rol kan spelen in de oriëntatie op leven en samenleven. In feite laat Wilmink met zijn haken naar de traditie en de waarde door de generaties heen, hoe katholiciteit werkt. Het gedicht ‘Juweel van Tweante’ is te vinden op pag. 931 van de bundel ‘Verzamelde liedjes en gedichten’, uitgegeven door Prometheus, 2004.

Juweel van Tweante

Oatmörsken hef zien mooie pleintje
en Ossel ziene Stenderkas.
In Hoksebargn doar spölt ze treintje
en Buurse hef zien Bommelas.
en zoo is oavera wa wat,
meer t mooiste hef de Boeskoolstad…

Juweel van Tweante. Oaldn Griezn.
Ik heb oe a keand as klean keend.
Iej zölt de leu de weg nog wiezn
as wiej der allang ich meer bint.

Iej hebt Bomn Beernd nog metmaakt,
Napoleon en Hutn Kloas,
iej bint oewn oaldn kop nich kwietraakt
in al t gedoonder en geroas.
Al oew’ bezetters bi’j weer kwiet,
iej beiert weer in vredestied…

Juweel van Tweante. Oldn Griezn.
Ik heb oe a keand as klean keend.
Iej zölt de leu de weg nog wiezn
as wiej der allang nich meer bint.

Op de tekst van Wilmink kwamen enkele reacties van predikanten. De één wilde graag de tekst nalezen. Dat kan met bovenstaande uitwerking. Een andere predikant noemde nog een paar andere gedichten die ook op Twente betrekking hebben. Die geven we ook graag door.

Twente bekeerd

Onder keizer Karel de Grote
werd het ernst met het zendingswerk.
Toen kwamen ook deze gebieden
onder heerschappij van de kerk.

Het nieuwe geloof bracht de mensen
nieuw licht en nieuwe hoop,
maar het bleek, met zijn stelsel van tienden,
allesbehalve goedkoop.

Nu was in de wijde luchten
Wodan niet langer de baas,
maar men bleef de midwinterhoorn blazen
en paasvuren stoken met Paas.

En dat Wodan de doden haalde,
ze naar het Walhalla bracht,
leefde voort, nog duizend jaren,
in ’t verhaal van de Wilde jacht:

soms hoorde een boer de jachthoorns,
de stemmen, het gericht
van honden en hoefgetrappel,
voorbijtrekkend in de lucht.

Veel geveltekens tonen
een kruis op een zonnerad.
Zo krijgen Wodan en Christus
nog altijd allebei wat.

Dus wie van de twee in ’t hiernamaals

ook aan de touwtjes trekt,

’t zal de Twentse boer niet deren:

hij is aan twee kanten gedekt.


De predikant (ds. Koos Sluiter) voegt toe aan dit gedicht:
Die laatste strofe ontbreekt op een aantal facebookpagina’s maar hoort er wel bij.


En hij vervolgt: Over het belang van moedertaal zag ik juist vanmorgen bij de dagelijkse gedichtenservice van Laurensz Coster dit gedicht langskomen:


Heimwee naar moeders woordenschat

 

Ach moeder, ik weet zoveel woorden meer

en van de muze honderd lepe wetten

om ze verbluffend naast elkaar te zetten

tot schone larie over duister zeer.

 

Maar als ik op een avond bij ruig weer

de vangst bijeengaar uit mijn rijmennetten,

de troost schudt uit de kuil van mijn sonnetten,

vind ik mijn stem wel maar mijn hart niet meer.

 

Geleerde vrienden, die het kunnen weten,

hebben eens de armoe van uw mond verteld

maar geen heeft mij dan tot nog toe geteld

 

hoe gij met twintig silben mild gemeten

mij meer met wijsheid en geluk vervult

dan mijn orkesttaal zwoegend mij onthult.

 

 

Karel Jonckheere (1906-1993)

 

Dit was de toelichting: • Karel Jonckheere hield veel van zijn moeder en veel van zijn moedertaal, het West-Vlaams. Over beide heeft hij gedichten geschreven waaruit die liefde heel duidelijk blijkt. In het bovenstaande gedicht vertelt hij zelfs van de liefde voor allebei. Het dialect dat zijn moeder sprak kon in de samenleving niet op veel waardering rekenen, maar voor Jonckheere was het in al zijn eenvoud een veel mooiere taal dan het gekunstelde literaire Nederlands – zijn ‘orkesttaal’ – dat hij zich aangemeten had.