Bijbels-theologische lijnen voor een spiritualiteit van samen – Hennie Marsman, predikante te Losser.

 

De mens is aangelegd op ‘samen’

“Alleen kan je niks, je moet het samen doen.” Dat staat niet in de Bijbel, het is een citaat van Johan Cruyff. Maar diezelfde gedachte komt wel, op allerlei manieren, naar voren in de Bijbel. Al meteen in het eerste Bijbelboek lezen we dat de mens is aangelegd op ‘samen’. “Het is niet goed dat de mens alleen is, ik zal een helper maken die bij hem past” (Gen. 2:18). Ik ben niet zo gelukkig met hoe de NBV Genesis 2 vers 18 vertaalt, maar die Hebreeuwse woorden ezer ke negdo, “een helper als een tegenover” zou ik willen vertalen – die woorden kunnen ons helpen bij het verkennen van de spiritualiteit van samen. God schept voor de mens een helper, een hulp. Geen hulpje, geen knechtje of huishoudelijke hulp, maar een hulp die als een tegenover voor je is. Het woord ezer, ‘hulp” heeft geen neerbuigende betekenis.

 

Het wordt ook gebruikt in Psalm 124:8, “Onze hulp is in de naam van de Heer, die hemel en aarde gemaakt heeft.” God schept voor de mens een hulp als een tegenover. Iemand die je gesprekspartner is, met wie je in gesprek gaat, die je vragen kan beantwoorden – soms – maar in ieder geval ze wil aanhoren.


Iemand die jou óók vragen stelt en die je bij de les houdt, die je bepaalt bij dat wat belangrijk is. ‘Samen’ wil zeggen: je bent door God bedoeld als elkaars hulp en tegenover. Volgens mij gaat het daarbij niet alleen om de relatie van levenspartners, maar om algemeen menselijke relaties. Hoe mensen dat ‘samen’ vorm geven, wil ik aan de hand van een aantal bijbelse personen verkennen.

 

Izaäk en Abraham


We beginnen met het ‘samen’ van Izaäk en Abraham. In Genesis 22 lezen we hoe Izaäk met zijn vader Abraham naar de berg Moria gaat, om daar aan God een offer te brengen. Het eerste gedeelte van de reis gaan er ook twee knechten mee, maar op de derde dag draagt Abraham hen op dat ze nu ter plekke wachten moeten. Hij zal met Izaäk op weg gaan naar de plaats waarover God heeft gesproken.
En zo gaan ze tezamen verder; yagdaw staat er in het Hebreeuws. Samen is hier: met z’n tweeën, een vader en zijn zoon. Izaäk weet niet wat Abraham weet. Hij weet waar ze naartoe gaan, maar over het doel van de reis heeft hij een vraag. “Waar is het lam voor het offer?” Het verhaal laat open of Izaäk in vertrouwen op zijn vader samen met hem naar de berg Moria gaat, of dat hij misschien toch een bang voorgevoel heeft.

 

Het is een ‘samen’ waarin ze tezamen gaan, maar ieder met zijn eigen vragen. Hun doel lijkt hetzelfde, maar is het niet. Er blijft veel onbesproken in dit ‘samen’. Maar het ‘samen’ van Izaäk en Abraham wordt verdiept en verenigd door het ingrijpen van een engel van de Eeuwige. Samen ontdekken ze dan, wat de belofte betekent dat God erin zal voorzien.

 

Ruth en Noömi

 

Het volgende ‘samen’ is dat van Ruth en Noömi. Ze komen samen terug uit Moab.

 

Sjetee is het Hebreeuwse woord dat hier gebruikt wordt, “met z’n tweeën”. Noömi is samen met haar man en haar zonen de hongersnood ontvlucht door naar Moab te trekken. Elimelech, Machlon en Chiljon overlijden in Moab en Noömi blijft over met haar beide schoondochters Orpa en Ruth. En het lijkt er eerst op dat die drie vrouwen, alle drie weduwes, samen naar Juda zullen terugkeren. Maar na aandringen van Noömi gaat Orpa naar het huis van haar moeder. Ruth weigert haar te verlaten: “Uw volk is mijn volk, en uw God is mijn God” (Ruth 1:16). En zo komen ze samen, met z’n tweeën, terug uit Moab. Ruth keert terug naar een land waar ze nog nooit geweest is – de Bijbelschrijver gebruikt met opzet het werkwoord sjoev “terugkeren”. Ruth zal thuiskomen. En ook Noömi keert terug, maar ze is door verdriet verbitterd. Ze zijn weliswaar samen, maar er lijkt toch een grote innerlijke afstand tussen hen te bestaan. Hun verlies is verschillend – Noömi heeft haar man en haar beide zonen verloren, Ruth heeft haar man verloren en haar moederland, al was dat laatste een vrijwiliige keus. Maar hun verlies kleurt ook hun perceptie van de situatie. “Leeg ben ik weergekeerd,” zegt Noömi. Ze lijkt daarin voorbij te zien aan haar schoondochter. Over de innerlijke roerselen van Ruth lezen we nauwelijks.

 

Trouw en volharding typeren haar. Het ‘samen’ van Ruth en Noömi krijgt gaandeweg het verhaal steeds meer vorm. En het lijkt erop dat de inzet van Ruth pas gaandeweg steeds meer gezien en gewaardeerd wordt door Noömi. Het verhaal loopt uit op de geboorte van de zoon van Ruth en Boaz. Die zoon verdiept het ‘samen’ van Ruth en Noömi, omdat hij ook als de zoon van Noömi wordt beschouwd. Het is een ‘samen’ waarin de trouw aan de levenden en de doden gestalte krijgt en waarin er toekomst ontstaat.

 

Goliath en David

 

Een heel ander ‘samen’ is dat van Goliath en David. De Filistijn zegt: “Geven jullie mij een man, dan voeren we samen oorlog!” (1 Sam. 17:10). Goliath daagt de Israëlieten uit om iemand te leveren die met hem een tweegevecht kan voeren. Hier is het ‘samen’ een samen vechten om duidelijk te krijgen wie de sterkste is, om dan vervolgens het volk van de overwonnene te kunnen verslaan. Saul en zijn leger raken verlamd van schrik na dit dreigement. Maar David laat zich niet bang maken en hij staat niet toe dat de Heer van de hemelse machten beschimpt wordt. Het samen vechten is, als het om het gevecht van David en Goliath gaat, van korte duur.

 

Goliath heeft zijn tegenstander zwaar onderschat en wordt met een steen uit de slinger van David geveld. Een ‘samen’ waarin je erop uit bent de ander te verslaan, duurt nooit lang en daar rust geen zegen op.

 

Job en zijn vrienden

 

De intentie van de vrienden van Job is niet op elkaar verslaan gericht, maar op elkaar steunen. Zij horen over het kwaad dat Job overkomen is en “ze komen samen overeen om bij hem te komen hoofdschudden en hem te troosten”, zoals Pieter Oussoren vertaalt in de Naardense Bijbel, in Job 2:11. Zeven dagen en zeven nachten zitten ze naast Job op de grond in het stof. Het is een ‘samen’ waarin zwijgend de rouw wordt gedeeld, daar waar woorden tekort schieten. Maar in die volgende veertig hoofdstukken van het boek Job wordt er veel gesproken, worden er vragen gesteld en antwoorden gegeven, antwoorden die vaak ontoereikend zijn en waar God uiteindelijk over oordeelt, dat daarin niet juist over Hem gesproken is.

 

In Job 9:32 zegt Job over de Eeuwige: “Hij is niet een man zoals ik die ik antwoorden kan, wanneer we samen aankomen in het gericht.” Job wil met God in het gericht treden, met Hem twisten. Job krijgt daartoe alle ruimte. Maar het boek eindigt ermee dat Job zijn woorden herroept en buigt voor Gods ondoorgrondelijke majesteit.

 

Samen is iets van mensen

 

De uitspraak van Job brengt iets opvallend aan het licht: met de Eeuwige is er niet een ‘samen’ zoals je dat tussen twee of meer mensen kunt hebben. De zondaars zullen samen weggevaagd worden (Ps. 37:38). En David roept ons in Psalm 34:4 op, om samen Gods Naam te roemen. Samenkomen in Gods huis is een zoet geheim, aldus Psalm 55:15. Dat ‘samen’ gaat steeds over mensen onderling. Mensen die tegenstrevers van God zijn, of mensen die samen komen opdat ze zien en begrijpen, aldus Jesaja, dat de hand van de Heer scheppende en bevrijdende daden doet (Jes. 41:20). Met de Eeuwige is er geen ‘samen’ zoals dat er tussen mensen is. Maar met Jezus, de Zoon van Israël, de Zoon van God, is dat ‘samen’ er wel. Hij eet samen met tollenaars en zondaars. Hij deelt het brood met zijn volgelingen. Ook met degene die Hem verraden zal. “Hij die samen met mij zijn brood in de kom doopte, die zal mij uitleveren,” zegt Jezus tijdens het laatste Avondmaal (Mat. 26:23). De weg die Jezus gaat, is een weg van ‘samen’ met zijn medemensen, tot het uiterste. “Samen met Jezus kruisigen ze twee misdadigers”, vertelt de evangelist Marcus (Marc. 15:27).

 

Maar Jezus gaat zijn weg niet alleen samen met zijn medemensen, Hij gaat die weg ook samen met de Vader. En het is de Geest die dit ‘samen’ bewerkt en tot stand brengt.