Teamgeest (foto: Hardenberg-Heemse)

2. DE KERK VAN STRAKS


Menselijke maat


Ik wilde graag classispredikant worden, na tien jaar algemeen secretaris van de Raad van Kerken te zijn geweest. Iets dichter bij de haarvaten van de kerk, zo redeneerde ik. Dichter ook bij het geloof van kerkleden. Oecumene afhankelijk van de bereidheid van de kerken financieel en intellectueel bij te dragen vraagt om voortdurende diplomatie en lobbywerk. Een classispredikant staat dichter bij gewone mensen en dichter bij de vragen die daar leven, zo vermoedde ik. Een menselijke maat.

Dat blijkt in de praktijk ook zo te zijn. Het was nog maar een dag bekend dat ik in Overijssel-Flevoland classispredikant zou worden, of ik werd gebeld. Een mij onbekende man uit Rouveen aan de telefoon. Hij was agrariër. Hij had gelezen dat ik de functie van classispredikant ging invullen. ‘U staat gewoon in de telefoongids, dus ik dacht: ik bel hem even op om hem te feliciteren en sterkte te wensen’.

Dat persoonlijke contact zou zich later vaker herhalen. Toen ik in Dronten en in Emmeloord was, stonden er mensen op die familie van me kenden. Toen ik in Haaksbergen was en Hardenberg namen er ambtsdragers het woord, die me nog hadden meegemaakt als scriba van de provinciale kerkvergadering. Weer anderen kenden me van de kerstnachtdienst in de streektaal. Sommigen begonnen spontaan in de streektaal te ratelen; iemand vertelde over hun kind dat niet meer in de kerk kwam en vroeg of God hem nu definitief zou afwijzen; hij was opgelucht toen ik psalm 103 citeerde over de liefde van God die vele malen onze menselijke maat overstijgt. ‘Zo ver het oosten verwijderd is van het westen, zo ver doet Hij onze overtredingen van ons’.

Die menselijke maat is de kracht van het contact. Daar waar het lukt om de menselijke maat te vinden stijgen we boven juridische processen en kerkpolitieke intriges uit. Daar komt de ziel in beeld. Dat bouwt kerk en gemeente. Het stimuleert ook mezelf. De vragen van kerk en gemeente komen opnieuw op, van ziel en zaligheid, van tijd en eeuwigheid, van liefde en jaloezie, van gunnen en opeisen, van God en bullebak. Ze raken als voor het eerst je eigen imborst en vragen om hernieuwde oriëntatie en positie kiezen.

Eigenlijk is dat mijn drijfveer in het werk. Dat de vragen die op me af komen naar binnen worden geleid en daar mogen bezinken. Je spreekt niet over missionair werk, maar over de vraag hoe jezelf je eigen leven verstaat in een seculiere context. Je spreekt niet over spiritualiteit, maar je spreekt zelf een gebed uit waarin je God laat binnenkomen in het contact. Het impliceert ook distantie ten opzichte van de bureaucratie die af en toe aan een gecompliceerde organisatie kleeft als die van de kerk. Teleurstelling over slechte kwaliteit van materialen, over concepten die maar half zijn afgerold. Natuurlijk moet je het daar ook over hebben. Maar meer dan dat gaat het er toch om verdieping te vinden en de deur om daarover te spreken kan de verwoording zijn van wat jezelf bezielt. Als er een sleutel is om de classispredikant goed te laten functioneren dan is het de menselijke maat. De vragen raken allereerst je eigen leven. En als het lukt om daarin je eigen oriëntatie onder woorden te brengen kan het tegelijk een spiegel zijn die de ander uitnodigen tot een nog veel verder reikend getuigenis van wat hij of zij in het leven ervaart.

Ik herinner me mijn mentor, Cees Glashouwer, destijds predikant op Ameland. Hij waarschuwde mij als beginnend predikant. Het ging goed, vond ik zelf. Eigenlijk kwamen alle disciplines aardig van de grond: verkondiging, catechese, pastoraat, organisatie, missionair werk, diaconaat. ‘Pas op, Klaas. De eerste periode van een predikant is de engelenperiode. De gemeente vindt veel mooi van wat je doet. En de gemeenteleden genieten met volle teugen over de nieuwe impulsen die je biedt. Dat is de engelenperiode. Maar pas op. Daarna komt er een satanstijd. Je valt door de mand. Oude vragen blijken weerbarstiger te zijn dan jouw innovatieve vermogens. Je valt tegen. Je bent net als ieder ander. Sommigen ergeren zich aan bepaalde karaktertrekjes van je. De satansperiode’. ‘Mooi is dat’, zei ik, ‘En wat komt daarna?’ ‘Daarna’, leerde Cees mij, ‘komt de menselijke periode. Dan aanvaarden mensen je zoals je bent. Met je goede en minder goede kanten. Je mag een eigen karakter hebben. Een eigen glimlach. Een eigen traan. De kunst van het ambt is nu, om die engelenfase en die satansperiode te doorstaan en er niet in te blijven hangen. Want het gaat om die menselijke tijd om in alle kwetsbaarheid daarin voor Gods aangezicht te durven staan’.

Breuklijnen

Na enkele bezoeken aan wijkkerkenraden kwam er iets weemoedigs over me. Als ik terugreed naar huis na een gesprek in een consistorie of vergaderzaaltje, overweldigde me een gevoel van melancholie. Hoe berustend had het niet geklonken die avond: ‘Het is niet meer zoals het vroeger was. We hebben een deel van de kerkruimte ingericht als open ruimte en nog zijn er lege plekken’. Mensen hunkeren naar een volle kerk, maar het lukt niet. ‘Zelfs de kerstnachtdienst is niet helemaal vol’. Ik realiseer me als mijn zwarte autobanden het asfalt raken en het laatste uur voor middernacht welkom heten, dat de nacht die men mij schildert, niet zal oplichten. Niet met het frame en de denkbeelden van het verleden in ieder geval.

Het was tijdens die autoritten na afloop dat de theologie zich langzaam herschreef in mijn hoofd. En ik ben begonnen de mensen die ik in de avond bezoek daar deelgenoot van te maken.

Er zijn breuklijnen in de geschiedenis van religie, kerk en geloof. Die breuklijnen ontstaan door grote veranderingen in de samenleving. Waar de cultuur verandert, verandert de religie mee. Je kan diverse breuklijnen aanwijzen in de bijbel. De kerkelijke geschiedenis begint met individuele gelovigen. Abram, zijn vrouw Sarai, een neefje Lot, arbeiders en werkneemsters ook die meetrekken en met de aartsvader zich begeven van pleisterplaats naar pleisterplaats. Ze zetten hun tenten nu eens hier neer, dan weer daar. Ze trekken naar beloofd land. Ze reizen door het land van de vergezichten. Zo af en toe zet Abram enkele stenen bij elkaar. Hij spreekt een gebed uit. En hij stelt zich open voor gedachten van iemand tegenover hem. Jakob richt een enkele steen op, gooit er olie overheen en doet een belofte. Er zijn op diverse momenten in het leven van de aartsvaders momenten van verstilling en verdieping. 

Hoe groot is de breuklijn na het leven van de aartsvaders. Jakob reist met zeventig zielen naar Egypte. De familie groeit uit tot een volk. En met 600.000 mannen en daarbij vrouwen en kinderen komen de joden als volk uit Egypte tevoorschijn. Bij de nieuwe sociologische samenstelling van het volk past een nieuwe vormgeving van de religie. De kerk laat de toevallige structuur achter zich en richt een nieuwe eredienst in. Mozes schrijft boeken om structuur te bieden. Vijf boeken zijn het. Het hart daarvan, ‘wajikkra’ (‘En Hij riep’), geeft citaten van de Eeuwige, die zijn volk instrueert en een kerkelijke structuur neerlegt. Het gaat over de ark en de tabernakel. Het is een heiligdom wat mee op reis gaat en nu eens hier verrijst en dan weer daar. Rabbijnen tellen 39 plaatsen waar de ark is verrezen. De plek waar de ark tot stilstand komt, is even een gewijde plek. Als het volk vertrekt is het weer woestijn. Bij die ark en bij die tabernakel horen heilige mensen, priesters en levieten die de dienst in het huis verzorgen. En bij die ark en bij die tabernakel horen wetten, deels wetten die de offers omschrijven die het volk brengt; deels meer ethische wetten. Jakob, Isaak en Abraham zouden hun ogen niet geloven als ze de hele cultus in ogenschouw zouden nemen. Wat een veranderingen voltrekken zich in enkele generaties. Je kunt er allerlei vragen bij stellen, theologische vragen die hout snijden. Of de toevalligheid onder de aartsvaders niet beter aansluit bij de gevoelens dan de meer steriele vormen van offerdienst die hun weg vinden ongeacht de diepste gevoelens van mensen. Of de directe verbondenheid met de aarde van de stenen niet meer aansluiting vindt bij God de Schepper dan de kunstzinnige, artistieke voorwerpen die ark en tabernakel sieren. Hoe ver ben je met zo’n tabernakel nog verwijderd van de omliggende volkeren die hun tempels met goud en zilver aankleden? Deze en meer vragen zijn te bedenken. Maar de bijbelschrijvers bieden er geen ruimte voor. De breuklijn voltrekt zich met een grote vanzelfsprekendheid.

Een nieuwe breuklijn meldt zich, als het volk Israël in Kanaän neerstrijkt. De ark krijgt een plek in één van de dorpen en bij één van de families in Israël. De mensen hebben er weet van. Maar het richtinggevende van de ark in de woestijn, de wolkkolom die er overdag aan vastkleefde en de vuurkolom die er zich ’s nachts mee verbond, die uitingen van Gods aanwezigheid zijn verleden tijd. De contouren van de natie, van een volk in een land, bepalen de veranderingen in de godsdienst. Het volk neemt zelf initiatieven. Eerst is er het verlangen naar een koning. En dan ontstaat er – niet in de laatste plaats bij de koning zelf – een verlangen om de kerk aan te passen. De tabernakel is passé. We lezen niet eens waar het tentdoek is gebleven. Op een gegeven ogenblik is er alleen nog een ark, een houten kist met goud overladen. De koning wil dat verleden een plek geven in een nieuwe ruimte. Hij verlangt een tempel te bouwen in de hoofdstad. De geestelijke vertegenwoordigers van het oude regime proberen dat verlangen nog enige tijd te frustreren. ‘God heeft hier toch niet om gevraagd’, zo theologiseren ze. Maar het mag niet baten. De koning zet door en begint materialen te verzamelen en eerste bouwtekeningen te maken. Hij laat gedichten schrijven die als tempelzangen kunnen worden aangeheven. En zijn zoon zet effectief door, wat zijn vader als ideaal heeft aangereikt. Er verrijst een grootse tempel in Jeruzalem met vaste altaren, een vast reukwerk; een duidelijke verdeling en priesterkasten. De stevige fundamenten waren niet te vergelijken met de pinnen die de tabernakel in de woestijn aan de grond moesten houden. En de theologische gedachten zouden zich vermenigvuldigen. Was God dan niet een God die met zijn volk meetrok? Moest het nu zo zijn dat het volk zelf op reis ging en als pelgrim God ging bezoeken? Is dat niet de omgekeerde wereld?

Als het volk generaties verder gewend is aan de tempel, komt er een nieuwe breuklijn. De Babyloniërs veroveren het land Israël en voeren de bovenlaag van de Judese bevolking af naar Babel. Ze tonen weinig eerbied voor de tempel in Jeruzalem. Ze maken het gebouw met de grond gelijk en nemen allerlei kostbaarheden mee naar hun eigen moederland, naar Babel, letterlijk de Poort van de Goden, waar het materiaal een anonieme plek krijgt ergens in één van de tempels van de goden Marduk of Merodach. De joodse gelovigen hebben hier nooit voor gekozen. Ze worden geconfronteerd met de harde werkelijkheid: de kerk zoals ze die gebruikten is van de aardbodem verdwenen. Al pratend en oefenend beginnen ze in Babel een nieuwe vorm van kerkzijn die weliswaar naar uiterlijk volstrekt anders is, maar waar naar inhoud het wezen van de eredienst en het besef van God tot hun recht komen. Schrijvers spannen zich in om de veelheid van de traditie vast te leggen en de aanwezige bronnen in een logisch verband te zetten. Rabbijnen, sprekers, geestelijke leiders staan op en geven leiding aan zaterdagse samenkomsten in vergaderzaaltjes en uit de kluiten gegroeide woonkamers. Ze noemen de plaatsen van samenkomst ‘synagoge’, een huis van gebed.

Voor joodse christenen ontstaat er een nieuwe breuk in de kerk, als ze de waarde onderkennen van Jezus, de man uit Nazareth. Ze zien hem als zoon van God, als persoon in wie de hele bedoeling van God met de wereld zich samenbalt. Het is een breuklijn. ‘De Vader heeft de Zoon lief en laat Hem alles zien wat Hij doet, en Hij zal Hem grotere werken laten zien dan deze, opdat u zich verwondert’ (Johannes 5: 20). En: ‘Breek deze tempel af en in drie dagen zal Ik hem laten herrijzen’ (Johannes 2: 19). 

Wat zullen we verder uitwerken aan veranderingen in de loop der jaren? Na het schisma tussen joodse christenen en heidense christenen is er een breuk tussen westerse en oosterse christenen. De Reformatie in het westen van Europa is voor ons in de lage landen een enorme breuk in de beleving van geloof en traditie. We gaan boeken koesteren als remplaçant van de offersteen van de rooms-katholieke kerk om de persoon van Christus te ontmoeten. Tegelijk vermenigvuldigen zich de theologische vragen. Van wat ooit een impressie in de ziel van mensen was, ontwikkelt zich het geloof in meer analytische tekstuele beschouwingen, die verstandelijk beginnen en bij een goede interactie met andere onderdelen van onze identiteit een zaak van het hart worden. De kerkelijke gebouwen die ooit zich verhieven in hout in de Middeleeuwen en die gaandeweg de ontwikkeling van de bouwtechnieken in steen een duurzaam karakter hebben gekregen tot de monumentale kathedralen en basilieken die ons uit de hoofdsteden van Europa bekend zijn en die ook middelgrote plaatsen en kleinere steden een Plechelmusbasiliek opleverde en een Lebuïnuskerk en een Nicolaaskerk groeit de kerkbouw door en verschijnen er tot in de negentiende en begin twintigste eeuw grote monumentale gebouwen waarin gelovigen van diverse denominaties hun geloof uiten.

Ik vertel als classispredikant die geschiedenis om mensen bewust te maken, dat breukvlakken in de kerkgeschiedenis vaker voorkomen. Het heeft iets van een preek, realiseer ik me. En ik ben me er van bewust dat de preek voor mezelf is bedoeld. Ik heb het blijkbaar nodig om mijn moedeloosheid het hoofd te bieden. Het verhaal bemoedigt me, omdat ik me realiseer, dat de tijd van nu niet uitzonderlijk is. We hebben opnieuw met een breuklijn te maken. De sociologische ontwikkelingen gaan ons voor. Mensen hebben vanaf de Renaissance (zo men wil de Reformatie) en vanaf de Verlichting geleerd om hun eigen verstand te gebruiken en hun eigen verantwoordelijkheid te nemen. Daarbij behoort dat instituties niet als vanzelf op een oude leest kunnen verder bestaan. 

God stelt zich verschillend op bij de diverse breuklijnen. Bij Abram is er een soort vanzelfsprekendheid waarmee God Abram aanspreekt. Bij Mozes is de openbaring geruchtmakend. Bij David is er een indirecte openbaring via de profeet Natan. En als de joden in ballingschap gaan, is er geen expliciete openbaring, maar een eigen analyse dat de verwoesting van de tempel en de ballingschap te wijten zijn aan de oppervlakkige levenshouding van het volk. De openbaring in Jezus Christus als messias is meest pregnant qua betekenis en tegelijk onverwacht in zijn menselijke gestalte voor buitenstaanders.

Als je ziet dat het bij het wezen van de geschiedenis en de ontwikkeling van mensen hoort dat vormen van kerkzijn zich aanpassen, kan je moed putten. De breuklijnen zijn nodig om de schat die in aarden vaten is vervat, een nieuwe plek te geven om te wonen. Het zijn de breuklijnen die een indringend appel doen op de vaardigheid van de architecten. Meer dan in generaties die de oude traditie redelijk onveranderd doorgeven aan een volgende generatie is onze generatie geroepen tot creativiteit en hernieuwde vormgeving. We zijn geroepen tot nieuwe tekst, dromen, verbeeldingen. We zijn de mensen die met zaklantaarns schijnen in nieuwe ruimten waarvan het evangelie bezit gaat nemen. Zoals Mozes er toe doet, en Salomo, en Ezra, en Paulus, en Luther, zo zijn er onder ons die geroepen zijn tot vernieuwingen die hun weerga in de geschiedenis niet kennen. We zijn een geroepen geslacht.

Iets van die bezieling probeer ik als classispredikant te laten zien. Ik hoop dat het mensen motiveert zelf als Mozes mensen naar nieuw land te leiden. ‘God, laat ons staan als Mozes hier; hoog in uw zonneschijn, ‘en geen Jordaan, geen doodsrivier, zal scheiding voor ons zijn’. De ambitie die Schulte Noordholt verwoordde. Soms springt even de vonk. Soms is de eerstvolgende vraag na mijn betoog: ‘Maar hoe krijgen we de jeugd terug in de kerk?’. Dan antwoord ik: ‘Het zal nooit meer zijn zoals vroeger. We hebben meer droom nodig. En meer geloof’. Soms citeer ik Noordmans die lyrisch over Abram spreekt, die de woestijn ingaat naar beloofd land en alleen maar ‘lege plekken’ ziet. Wij vullen dat vooraf door hem geloof toe te dichten. Dat is mooi. Maar in Abrams zijn het lege plekken, die nog geen invulling hebben gekregen. En dan toch te gaan. Dat mag je geloof noemen. Ik citeer het. En soms betrap ik me er op, dat ik harder ga praten. En meer staccato. Preken dus. Of ik citeer kerkelijke rapporten als Kerk2025 om te laten horen dat ik niet de enige ben die van een droom leeft.

Geloven verandert