Wat online-vieringen doen met de theologie

Wat doet het online-karakter met de theologie? Moet je de inhoud aanpassen als het medium verandert? Wat kan je in het algemeen van de kwaliteit van de verkondiging zeggen als je online-diensten bekijkt? Die vragen had ik nog uitstaan, nadat ik verschillende keren op social media commentaar had gegeven op de beelden van kerkdiensten, zoals ze in de coronatijd zijn uitgezonden online en via de regionale omroepen.

Er kwamen veel reacties. Vaak herkennend. Geregeld ook meedenkend. Af en toe kritisch. Een collega schreef: ‘Mag ik je nog iets voorleggen: het geestelijk aspect van al die uitzendingen. Het gaat toch niet alleen om de kijkcijfers en het mooie plaatje? Hoe kan een blik op dat schermpje naast het genot van koffie en taart en spelende kleinkinderen (toch wel..!) mij verder brengen op die weg van geloven en liefde en hopen voor niet alleen mijzelf maar ook voor die mensheid? Wat helpt daarin? Zou je daar ook eens je licht op willen laten schijnen?’ En mijn collega noemde vervolgens de persoon van Tomás Halík om je in te spiegelen.

Ik vond het een leuke vraag. Daarom hieronder een verdere reflectie.

Ik heb verschillende zondagen gehad, waarop ik zelf de diensten thuis volgde. Ik merkte al snel dat ik anders naar het beeldscherm keek en mezelf voor het beeldscherm anders gedroeg, dan wanneer ik in een kerkdienst als gemeentelid de dienst volgde of als voorganger achter een microfoon stond. Thuis liep ik gemakkelijker even weg om koffie te halen of naar een toilet te gaan. Ik zong minder vanzelfsprekend mee. Ik was eerder afgeleid, als de tekst ietwat obligaat klonk. En bij een close-up van een kind dat enkele kaarsen aanstak bij een kyrie schoof ik op het puntje van mijn stoel om de expressie te ervaren.

Als kerkganger vind ik het fijn een dergelijke viering mee te maken. De viering zelf geeft me al een gevoel van verbondenheid en oriëntatie op traditie, mystiek en woord. De snelheid waarmee ik woorden en beelden scan doen daar geen afbreuk aan. Ik vind het fijn, om in gesprek te raken met het beeldscherm, zoals ik ook in gesprek ben als ik naar een talkshow kijk of een film volg. Ik breng eigen emoties en gevoelens in, en die worden een moment gedragen door de beelden en de woorden die op het scherm zijn. Zoals Ter Steege ooit schreef over zingeving bij het kijken van een soap. 'Terwijl de kijker zich vermaakt', zo gaf hij als titel mee aan een boekje, waarin hij uitlegde dat de kijker wezenlijke gevoelens ervaart en doorleeft van verlangen, verdriet, liefde en hoop verpakt in plots op de buis.

Ik ervaar zelf als voorganger wel een worsteling. Het maakt behoorlijk verschil of je je eigen taak ziet als die van een voorganger bij het uitleggen van de schrift; of als die van een voorganger in een viering. Bij het eerste is het je opdracht dieper in te gaan op de uitleg van de bijbel. Bij het tweede ben je meer een celebrant, een gewijde ceremoniemeester, een liturg. Bij het eerste ga je door op exegetische vondsten en bij het tweede ga je voor in de vreugde van de viering. Ik voel uit mezelf een behoefte exegeet te zijn die andere mensen faciliteert om in gesprek te gaan met een tekst. In de praktijk van een online-uitzending ben je toch iets meer celebrant, of je dat nu wilt of niet. Beelden stralen iets uit en zijn door de impact van het medium veelzeggender dan woorden. 

Er zijn een paar werkgemeenschappen geweest, overlegsituaties van pastores, waarop het thema van de online-vieringen aan de orde kwam. Collegae benoemden het onderscheid in verschillende toonaarden. ‘Ik heb gemerkt dat ik minder exegese kwijt kan. Het is te technisch en te specifiek’. ‘Ik hou het kort en gebruik meer beelden’. ‘Ik ben minder gevarieerd qua themakeus. Het is al gauw een woord van bemoediging. Maar tot dieper liggende thema’s komt het niet’. ‘Ik vind het lastig om zonder mensen voor me concreet te spreken. Ik mis de gemeente bij het spreken. En ik mis de gemeente nog meer bij het zingen’. Zo maar een paar geluiden.

Halík

Een collega vroeg me om mijn gedachten te scherpen aan datgene wat de Tsjechische theoloog Thomás Halík geschreven heeft. Ik noemde het al. Laat ik kort iets van zijn teksten zeggen als introductie en iets van zijn biografie naar voren halen om die teksten een anker te geven.

Halík poneert de stelling dat de kerken leeg zijn en dat de huidige situatie daarin symbool is van de leegte van de kerk. Onze wereld is ziek, zegt hij, niet alleen door de corona-pandemie. De hele beschaving is ziek. ‘Na deze mondiale ervaring zal de wereld niet meer hetzelfde zijn’, profeteert Halík. ‘De kwetsbaarheid van een mondiale wereld is duidelijk zichtbaar’. ‘De kerk kan een immuunsysteem creëren tegen de kwaadaardige virussen van angst en populisme’. Halík ziet het moment nu als een kairos-moment, waarop we tot stilstand komen. Hij wil hervorming. ‘Dat betekent niet dat we moeten proberen terug te keren naar een wereld die niet meer bestaat’. Hij pleit voor een loslaten van de klassieke kerk om zich over te geven tot het hart van het evangelie. Hij vraagt mensen om God te herkennen in de wonden van de wereld en de wonden van de kerk. Zo ongeveer versta ik Halík.

Mijn collega wilde weten wat ik daarvan vond. Ik kan me voorstellen dat een theoloog uit Tsjechië, een land met een lange geschiedenis van onkerkelijkheid en atheïsme, komt tot concepten waarbij hij geen heil verwacht van de gegroeide, misschien wel wat burgerlijke kerk, noch van de wereld. In die zin zie ik Halík als representant van een Oost-Europese theologie waarin de kerk lange tijd aan de rand van de samenleving is gedrongen en christenen vanuit een eigen puriteinse instelling moesten vasthouden aan geloof en verbondenheid met Christus. Een theologie overigens die veel puriteins ingestelde protestanten in Nederland op het lijf is geschreven, ook al is de wortel van herkenning daar een combinatie van nadere Reformatie in combinatie met het subjectivisme dat in een overgeïndividualiseerd land als Nederland toch al gauw aanslaat.

De biografie van Halík versterkt de persoonlijke inslag. Hij is als achttienjarige jongen zelf toegetreden tot de kerk, in zijn geval de rooms-katholieke kerk. Hij vocht zich een weg in de samenleving als pastor en theoloog; hij werkte onder meer met drugsverslaafden en heeft een onconventionele vorm van geloofsuitingen gevonden. Hij doet mee in gebedsdiensten met joden, boeddhisten, moslims. Hij is voorstander van het geregistreerd partnerschap, niet direct een thema wat gemeengoed is in de officiële rooms-katholieke kerk. En voordat je hem nu helemaal in het progressieve kamp plaatst: hij is tegelijk kritisch over de opname van vluchtelingen met een moslimachtergrond. Een onafhankelijk denker dus, die Halík. 

Tsjechië

Ik herken veel begrippen die Halík hanteert. Nederigheid, wonden, kwetsbaarheid en dan de koppeling aan kairos en cultuurkritiek: ik vind het waardevol theologisch jargon. Halík heeft daarin iets verleidelijks. Hoe prachtig zou het zijn als we onszelf mogen verstaan als een unieke generatie, en als de keuzes waarvoor we staan een kairos-moment vertegenwoordigen. Het maakt ons tot profeten, tot analisten, tot mensen die de weg bereiden voor een nieuwe generatie. We kunnen het stof van het verleden van de voeten schudden en nieuwe wegen inslaan met nieuwe sandalen aan de voeten. Het is het verlangen van welhaast iedere manager, iedere tijdgenoot. Ik herinner me Ype Schaaf, die ooit hoofredacteur was van de krant waar ik werkte, die tijdens een autoritje tegen me verzuchtte: 'Wat zou het heerlijk zijn als ik de hele redactie zou kunnen ontslaan en dan helemaal opnieuw zou mogen beginnen. Ik zou enkele mensen van het oude team direct weer aannemen, maar ook andere mensen binnenhalen'. Het is een naïef verlangen van mensen om van scratch af te mogen werken en een onbezonnen gedachte dat men zich aan de geestelijke zwaartekracht van kyrie en gloria zou kunnen onttrekken als men maar vanuit een paradijselijke situatie zou mogen vertrekken. 

De vraag voor mij bij Halík is dan ook of de ordening van de begrippen die hij aanbrengt mijn ordening zou zijn. Het antwoord is: Nee. Ik versta mijn roeping als geestelijke anders. Ik kom uit een andere context. Ik heb de luxe gehad dat ik op vele manieren heb mogen profiteren van de vrijheid en de welvaart van een West-Europese beschaving. De ingebouwde concepten van democratie, vrijheid, menselijkheid en solidariteit hebben me in een ruimte gezet waarin ik theologie kon studeren, mensen kon ontmoeten, blik kon krijgen op de wereld. Vanuit de roeping die ik versta is het een beetje flauw om dan de moeder die je heeft grootgebracht eenmaal volwassen geworden te bedanken voor haar diensten. Ik heb geen behoefte om alles wat we aan westerse beschaving hebben ontvangen terzijde te schuiven als onvoldoende gekerstend. Het is me iets te gemakkelijk om de wonden van Christus als vrijbrief te gebruiken voor een sterk doorgevoerd individualistische religiositeit.

Ik denk met theologen als Arnold van Ruler dat er veel evangelie in de samenleving is. Dat het selectief shoppen in de samenleving van goede elementen die je voor het evangelie claimt en kwade elementen waarvoor je niet-gekerstende mensen verantwoordelijk maakt iets te snel gaat. Wij als westerlingen zijn helemaal onderdeel van die westerse samenleving en hebben daarin een weg te zoeken, soms zout, soms zoet, soms solidair, soms met een schuldgevoel. Ik heb geen behoefte alles wat humanisten aanreiken als ‘heilloos’ terzijde te schuiven.

Halík heeft, voordat er in Nederland sprake was van secularisatie, de atheïstische benadering van het communisme ervaren en er lering uitgetrokken. De secularisatie die ik meemaak in West-Europa is op een andere leest geschoeid, heeft niet met een communistische staatsdoctrine van doen, maar met de erfenis van een christendom dat aan de grondvesten van de westerse samenleving staat en op sommige terreinen de hand heeft overspeeld. Een dergelijke secularisatie is niet per definitie honderd proces fout, maar kan in zich louterende elementen hebben voor het christendom. En uiteindelijk is het samen uit, samen thuis. Cultuur en christendom. Of om het met een bijbeltekst te zeggen: ‘Alzo lief had God de wereld, dat hij zijn eniggeboren zoon heeft gezonden’. Het gaat God om de wereld en niet om een elite die zich onderscheidt van de wereld.

Blijft staan, dat het voor ons Nederlanders, goed is theologie te lezen uit Oost-Europa. Het is een nuttig tegenwicht tegen de vele Amerikaanse boeken die op de Nederlandse theologische markt zijn gekomen. Daarin overheerst vaak een 'feel good'-theologie; een 'possibility-denken' om het met Schüller te zeggen. Een spiegeling in de wonden van Christus sluit aan bij de kwetsbaarheid van het leven. Een deel van de westerse cultuur verlangt naar die kwetsbaarheid, omdat ze een vermoeden begint te krijgen dat het vooruitgangsgeloof van de verlichting eenzijdigheid met zich meebrengt. 

Online-vieringen

Halïk gedraagt zich met zijn visie op cultuur uiteindelijk als een heremiet, als een asceet in de woestijn, die een zaligmakend concept van leven heeft, zonder dat hij de handen vuil maakt aan kerk en cultuur. Hij heeft vanuit die benadering uiteindelijk geen goed woord over voor de online-vieringen die ten tijde van de coronacrisis overal versneld vorm en inhoud hebben gekregen. Hij schrijft:  ‘Ik vind het geen goede oplossing dat we ons – in deze tijd waarin openbare vieringen verboden zijn – behelpen met kunstmatige vervanging in de vorm van online uitzendingen van die vieringen. De ommezwaai naar die ‘virtuele vroomheid’, ‘communie-op-afstand’ en knielen voor een beeldscherm heeft iets vreemds. Misschien zouden we in plaats daarvan juist de waarheid van Jezus’ woorden moeten testen: ‘Waar twee of drie in mijn naam bijeen zijn ben ik in hun midden’. En laten we niet vergeten dat de kerk de eeuwen door op veel plekken heeft overleefd zonder geestelijken’.

Ik kan me wel iets voorstellen bij de veroordeling van de online-vieringen vanuit een rooms-katholiek perspectief. Rooms-katholieke theologen hechten immers sterk aan incarnatie, aan transsubstantiatie. Het eucharistische offer herhaalt zich in de liturgie en het is ondenkbaar dat overgebleven hosties minzaam via een achterdeur verdwijnen uit de kerk. Vanuit een dergelijke theologie moet je discussiëren over de vraag of de transsubstantiatie zich überhaupt wel kan voltrekken via een beeldscherm. Alles wat op de buis komt, heet al gauw iets luchtigs, incarneert niet.   

Daarbij komt het gegeven dat Halík als Tsjechisch theoloog minder schatplichtig is aan de cultuur waarin hij is groot geworden. Ik versta de roeping van mijzelf als Nederlands theoloog anders. Ik zie het eerder als mijn roeping, mijn uitdaging in de kerk en in de cultuur waarin ik ben geplaatst transparant te zijn over de Geest die in mij is. En in gesprek met anderen kunnen zich dan de denkbeelden aanscherpen en kan het gemoed worden gelouterd, omdat de Geest niet alleen aan een enkeling is gegeven, maar ook aan vele anderen en omdat de Geest tevens via de traditie vermag te spreken. Die verantwoording brengen we onder woorden en die voegt zich steeds naar nieuwe situaties en die proberen we met zoveel mogelijk middelen en vertaalslagen inzichtelijk te maken en waar nodig te laten falsificeren.

Ik zie ons, christenen, dus niet als mensen die leven op een eiland van spiritualiteit. Het zijn niet de christenen die per definitie de veldhospitalen beheren, waar mensen van buiten naar binnen kunnen komen om er genezing te vinden. Wij hebben wel besef van het evangelie, besef van een transcendente werkelijkheid, een God die boven en die onder ons is. En we geven daar getuigenis van. En we zoeken zijn aangezicht, het werk van zijn handen, en met vrees en beven en in alle kwetsbaarheid ontwaren we het; nu eens in onszelf, dan weer in de ander. Met Halík geloof ik dat die God werkt in de coronacrisis. Met Halík geloof ik dat de coronacrisis een krachtig spreken van God is. Maar tegenover Halík denk ik dat het oordeel, dat er in ligt, niet begint in de wereld, maar een ieder van ons raakt. De wonden zijn in kerk, in samenleving, in schepping, in onszelf. 

Context

De context van leven is daarmee altijd onderdeel van het gesprek dat het evangelie aangaat met ons. Bij iedere context wisselen de accenten. Soms gaat het over de wonden van Christus. Soms gaat het over de intocht in Jeruzalem. Soms gaat het om de vernedering ter helle. Dan weer gaat het over het opgevaren ten hemel. Het evangelie heeft iets bipolairs in zich. En wijsheid is nodig om de goede balans te vinden tussen de polen.

Wat doet het online-gaan van het evangelie met het evangelie? Luidde de vraag. Ik ga dus niet mee in de redenering dat online-diensten het evangelie te grabbel gooien. Ik erken dat het evangelie een ander jasje krijgt. En dat is steeds weer nodig.

Online verstaat zich qua jas beter met het vieren dan met het analyseren. Het jasje van het evangelie heeft meer van de veelkleurige mantel van Jozef dan van de zwarte toga die ik als voorganger gewend ben te dragen. Sommige mensen zullen geneigd zijn om dat oppervlakkig te vinden. Dat bestrijd ik. Het is eerder een evangelie dicht bij het gemoed, dicht bij de lofprijzing, dicht bij het diaconaat en minder dicht bij de exegese, minder dicht bij de universiteit, minder verstandelijk.

Aanpassingen

Ik merk als dominee dat het me moeite kost de aanpassingen te maken die nodig zijn om online-waardig te communiceren. We zijn zo getraind in schriftanalyse. De protestantse achtergrond is er mee doorkneed. En als je dan op gevoel moet werken, moet je echt drie mantels afleggen, voordat je pas weer een nieuwe mantel kunt aantrekken. Het ontbreekt ons vaak aan zelfvertrouwen. Jawel, zelfvertrouwen. Want je moet guts hebben om niet je verstand te gebruiken, maar op je intuïtie te varen. En je moet bereid zijn te erkennen dat je intuïtie op zichzelf niet zaligmakend is en af en toe instinct en intuïtie hopeloos door elkaar lopen en je laten wegglijden in een moeras. 

Ik merkte het bij een verkondiging die ik heb geschreven over de twee stenen tafelen. Ik wil de ontstaansgeschiedenis en de verwerking hieronder uitwerken als voorbeeld van hoe lastig die metamorfose van werken is als je online bezig moet.

Ik wilde een meditatie schrijven passend bij bevrijdingsdag. Ik had bij Jonathan Sacks een fraaie exegese gelezen over de stenen tafelen, die direct met vrijheid en in het verlengde daarvan met verantwoordelijkheid te maken heeft. Ik besloot tot een eigen exegese en doordenking van de fragmenten uit Exodus. Eén van de vragen waar ik op stuitte was: Waar is de christologie aanwezig in de bijbelfragmenten. Ik kwam tot enkele lijnen. Bij raadpleging van het Hebreeuws kwam ik op een paar linguïstische juweeltjes, vooral vanuit de concordantie gezien. Ik verwerkte zowel christologie als linguïstiek in de meditatie. En ik zorgde voor een entree aansluitend bij de situatie. Het geheel schaafde ik bij, zodat ik van 2600 woorden terug kwam bij 1800 woorden. Dat was mijn overdenking. Ik kon het in 18 minuten presenteren.

Eenmaal in de kerk voor de camera, zei de eindredacteur van de online-diensten dat ik niet meer dan 10 tot maximaal 15 minuten moest spreken. Ik hield me op de vlakte en zei dat het wel ongeveer zoiets zou zijn. Het was dus langer. En ik wist in mijn hart, dat ik minder goed geslaagd was in mijn opzet een digitale verkondiging te maken. Het was te lang. En als luisteraar thuis wist ik, dat ik bij een lange overdenking al gauw even naar de keuken liep voor een extra bak koffie.

Een week later mocht ik voor de regionale omroep in de synagoge een  meditatie verzorgen. Ik had zelf een tijdspad gemaakt. Ik wist dat de hele viering maximaal een uur mocht duren en dat er voor de overdenking dertien minuten waren ingeruimd. Ik wist ook, dat enkele minuten van de overdenking zouden worden besteed aan een gesprek van de chazzan en mijn persoon. Dus er bleef amper tien minuten spreektijd over. Het dwong me tot inkorting van de achttien minuten tekst. De exegetische en christologische verfijningen sneuvelden als eersten. Vervolgens vielen er voorbeelden weg. Het leidde tot een kortere meer recht-toe-recht-aan overweging. Ook dat is blijkbaar een kenmerk van een online-viering: geen uitweidingen, maar ter zake.

Hieronder druk ik de tekst af van de overdenking die 18 minuten duurde. Ik geef al een kleurtje aan al datgene wat sneuvelde bij de tweede overdenking. Ik druk die tweede overdenking ook nog weer af in zijn geheel met de extra aanpassingen die  nodig waren.

Eerste tekst

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Het zijn ongewild rustige dagen voor Michael Bres en Marcel Honhoff. Waar andere jaren de KOV (Kamper Oranje Vereniging) zich de benen uit het lijf loopt in deze periode, blijft het nu stil. Reden om in deze online dienst aandacht te geven aan 5 mei. We werden 75 jaar geleden bevrijd van de Duitse overheersing.

Ik wil met u de vraag aan de orde stellen: Hoe kunnen wij, u en ik, een bijdrage leveren aan die vrijheid? En de vraag: Als wij in de jaren 40-45 hadden geleefd, hoe zouden wij ons hebben opgesteld? Vanaf 17 april 1945 was iedereen in Kampen een verzetsheld. Maar hoe zouden wij ons gedragen hebben in 1944? 

Die vraag is relevant. We gedenken bij dodenherdenking dat miljoenen mensen, vaak jonge mensen, hun leven hebben gegeven voor onze vrijheid. En wij in de kerk weten wat dat betekent: Wij gedenken immers wekelijks hoe God zelf in de persoon van Jezus Christus zijn leven heeft gegeven, om ons te bevrijden van de macht van het kwaad. Dat ene offer van Christus is ons kostbaar. Hoe zal dat zijn met miljoenen mensen die hun leven hebben gegeven?

Ik herhaal de vraag: Hoe zouden wij ons gedragen in de oorlog? Ik vermoed dat velen van ons zouden lijken op Albert Johannes Knipmeijer. Albert Johannes Knipmeijer werkte bij het bureau van de Wieringermeer aan de Molenstraat. Mannen vanaf 18 jaar werden opgeroepen om te werken in de oorlogsindustrie. Maar er was ook een mogelijkheid te gaan werken in de Noordoostpolder. Er waren veel kerels die daar de voorkeur aan geven. Ze kwamen bij Albert Johannes Knipmeijer. Knipmeijer probeerde zoveel mogelijk aanvragen positief te honoreren. Maar soms wees hij een verzoek af en hield zich aan de richtlijnen van de Duitsers. En af en toe verdonkeremaande hij goedkeuringen, zodat onderduikers ook legaal in de polder konden werken. Albert Johannes at van twee walletjes: iets voor de vaderlandse zaak en iets voor de Duitse. Ik denk dat veel Nederlanders tot op de dag van vandaag zo in het leven staan. Een beetje goed. Een beetje kwaad.

Met die bagage komen we bij het bijbelboek Exodus. Misschien kunnen we er vanuit de Schrift iets over zeggen. Vandaag verdiepen we ons in de gave van de stenen tafelen. Mozes ontvangt de wet tot tweemaal toe. De eerste keer staat er dat God stenen uithakt, zijn woord opschrijft, en dat Mozes omlaag gaat naar het volk. Als Mozes beneden komt, ziet hij het volk dansen rond een gouden kalf. Hij is zo kwaad, dat hij de borden stuk smijt. Als de storm geluwd is, gaat Mozes opnieuw de berg op. Ik wil u wijzen op een detail waar je gemakkelijk overheen leest. Ik citeer (Ex. 34: 1). De Here zei tegen Mozes: ‘Hak voor je twee stenen platen uit’. Dus Mozes moet zelf het tweede paar uit de rots hakken. En daarmee staan we voor een paradox. Want het eerste paar was van God en gaat aan gruzelementen. Het tweede paar komt van Mozes en blijft gespaard. Dat had natuurlijk andersom moeten zijn. Want hoe groter de heiligheid, hoe meer eeuwigheid. Waarom werd dan de heiligste versie stukgeslagen en blijft het steen waar Mozes de hand in heeft gespaard?

De joodse rabbijn Jonathan Sacks onderscheidt twee soorten ontmoeting van God en mens. Hij heeft het over ‘een opwekking van boven’ (itaroeta deleëla) en ‘een opwekking van beneden’ (itaroeta deletata). God veroorzaakt de opwekking van boven. De mens veroorzaakt de opwekking van beneden. Een opwekking van boven is spectaculair en bovennatuurlijk, een gebeurtenis die de ketenen van de oorzakelijkheid van zich afschudt. Een opwekking van beneden heeft die grootsheid niet. Het is een menselijk gebaar. Jezus’ opstanding is een opwekking van boven, we hebben er geen beschikking over of aandeel in. Dat de dood is overwonnen, dat is geheel en al Gods werk in ons leven. Dat volbrengt God aan een ieder van ons, als ons leven ten einde loopt. Dat ontvangen we, zonder dat we er zelf iets voor klaarzetten. Dat is iets anders dan wanneer wij ons door de opwekking van Christus laten inspireren. 

Een opwekking van boven kan de natuur veranderen. Degene die het overkomt, overkomt het. Het is overweldigend. Dat is bij de opwekking van beneden anders. Dat is eenvoudiger en menselijker. Daardoor gebeurt er tegelijk iets anders. Omdat mensen het initiatief nemen, verandert er iets in hen. Je mogelijkheden worden verruimd. Je doet zelf ervaring op. Een opwekking van boven komt binnen, een opwekking van beneden verandert de binnenkamer. Het eerste verandert het universum, het tweede verandert onszelf. Daarom is het in ons leven nodig, dat we niet alleen cadeau’s ontvangen, maar ook inspanningen kennen.

Jonathan Sacks wijst er op, dat er in Exodus meer voorbeelden zijn van die opwekking van boven en die opwekking van beneden. Ik zal er één naar voren halen. Israël krijgt tot tweemaal toe met vijanden te maken in de woestijn. De eerste keer zijn het de Egyptenaren, de tweede keer zijn het de Amalekieten. De eerste keer drijft Egypte Israël in het nauw bij de Rietzee. Daar krijgt Israël bevel niets te doen. ‘Wees niet bang, wacht rustig af. Dan zult u zien hoe de Heer vandaag voor u de overwinning behaalt’ (Ex. 13: 13). Maar tegen de Amalekieten moeten de Israëlieten zelf vechten. ‘Toen zei Mozes tegen Jozua: ‘Kies een aantal mannen uit en trek met hen tegen Amalek ten strijde’ (Ex. 17: 9). En Mozes zelf bemoeit zich met de strijd met de armen en de wandelstok omhoog. Het verschil is voelbaar. Direct na de doortocht door de Schelfzee klagen de Israëlieten al weer steen en been. ‘Waren er in Egypte geen graven, dat u ons hebt meegenomen om in de woestijn te sterven?’ (Ex. 14: 11). Maar na de oorlog tegen de Amalekieten morren ze niet. Het was alsof ze een ander volk zijn geworden. De strijd die voor ons gestreden wordt, gaat over ons heen. Maar de strijd die we zelf leveren, verandert ons.

Zo is het met de vrijheid in ons leven. De Geallieerden hebben ons de vrijheid aangereikt. En we mogen het als een Gods geschenk ons toeëigenen. Maar wil het echt bodem krijgen in ons leven, dan zullen we zelf ook moeten bijdragen. Dan spannen we ons in om de vrijheid kracht van bestaan te geven. Je stimuleert elkaar, gunt de ander ruimte en denkt in de lijnen van de wet die op die stenen tafelen is geschreven aan welzijn voor een ander. Hoe zei premier Rutte dat ook al weer? ‘De vrijheid van de één kan niet ten koste gaan van de gezondheid van de ander’.

De tekst in Exodus geeft nog een aardig detail om het verschil tussen die eerste en die tweede opstanding duidelijk te maken. De eerste keer als Mozes niets heeft gedaan komt hij gewoon als mens beneden onder aan de berg. De tweede keer als hij zichzelf heeft ingespannen blijkt zijn gezicht te glanzen, zoals het gezicht van Christus glansde op bijzondere momenten en hij na zijn opstanding niet door ieder direct herkend werd.

Van de tekst wil ik de twee woorden spellen. Het woord ‘hak uit’. Het gaat om hakken uit de rots. Het doet denken aan Lukas 23: 53, waar staat dat het graf van Jezus uit de rots was uitgehouwen. Het was een graf waar nog nooit iemand in had gelegen. Dus die kale rots heeft iets puurs, waardoor het dichterbij God is. God heeft iets met de puurheid van ons leven.

Dan dat tweede woord ‘hak voor jou’. Voor jou. Het is een klus voor Mozes. Dus Mozes moet het herstellen. Dat ‘voor jou’ hoort er helemaal bij. En dat herhalen van ‘voor jou’ kom je op enkele cruciale plaatsen tegen in de bijbel. Dat reflexivum vind je ook in Genesis 12, als er staat dat Abram weggaat uit Charan. ‘Leech lega’. ‘Ga voor jou’. En in Genesis 22, als Abraham met Izak op weg moet. ‘Ga voor je naar het land’. Dingen doen voor zichzelf. Dat is het jezelf toeëigenen van de opwekking in je eigen leven.

We komen dat verinnerlijkt als basishouding bij Jezus tegen in het Nieuwe Testament. ‘U, wanneer u bidt, ga in uw binnenkamer’. Je doet het allereerst voor jezelf. Het is een gesprek tussen God en jou. De binnenkamer is de voorraadkamer. De leerlingen moeten zich voor God plaatsen zonder enige bijgedachte. De eenzaamheid is een goede waarborg tegen invloeden en bedoelingen die het verkeer tussen God en de ziel belemmeren. Het is de stem in de stilte.

Hoe verhouden wij ons tot onze vrijheid? We leveren er zelf een bijdrage aan. God geeft ons de vrijheid door de hand van Canadezen en Amerikanen. Dat komt van buiten. Maar het beklijft als we reageren met een innerlijke verantwoordelijkheid. Als we ons inspannen. Je levert zelf een bijdrage aan de vrijheid. Alleen dan beklijft het.

Misschien zegt u: ‘Ik wil wel, maar ik vind het moeilijk’. Dat wat ik moet doen, laat ik steeds weer achterwege en wat ik moet nalaten, dringt zich steeds weer aan mij op. Er leven twee impulsen in mezelf’. Ik las ooit eens: Er leven twee wolven in ons binnenste. Een goedaardig dier en een kwaadaardig dier. En de vraag die een leerling aan een rabbi stelde was: ‘Hoe weet ik zeker dat het goedaardige dier de overhand zal hebben boven het kwaadaardige dier?’ En het antwoord luidde: ‘Het hangt er in je leven van af welk van de twee dieren je voedt’. Als je het goede dier voedt, zal de opwekking van beneden groeien en de opwekking van boven je deel worden.

Amen

Tweede tekst

Beste mensen,

Ja, daar wil ik het over hebben, beste mensen hier in de synagoge, lieve mensen thuis. Omdat ik soms de indruk heb dat we bij vrijheid denken aan: ‘alles doen wat er spontaan in je opkomt’. Maar dat is geen vrijheid. Dat is losbandigheid. Vrijheid is: zoals ik zelf gerespecteerd wil worden, zo behandel ik jou, en zo spreek ik God aan. Vrijheid vraagt dus om een mentale inzet.

Met die bagage komen we bij het bijbelboek Exodus. Het gaat over de gave van de stenen tafelen. Mozes ontvangt ze tot tweemaal toe. De eerste keer staat er dat God stenen uithakt, zijn woord opschrijft, en dat Mozes omlaag gaat naar het volk. Als Mozes beneden komt, ziet hij het volk dansen rond een gouden kalf. Hij is zo kwaad, dat hij de borden stuk smijt. Als de storm geluwd is, gaat Mozes opnieuw de berg op. Ik wil u wijzen op een detail waar je gemakkelijk overheen leest. Ik citeer (Ex. 34: 1). De Here zei tegen Mozes: ‘Hak voor je twee stenen platen uit’. Dus Mozes moet zelf het tweede paar uit de rots hakken. En daarmee staan we voor een paradox. Want het eerste paar was van God en gaat aan gruzelementen. Het tweede paar komt van Mozes en blijft gespaard. Dat had natuurlijk andersom moeten zijn. Want hoe groter de heiligheid, hoe meer eeuwigheid. Waarom werd dan de heiligste versie stukgeslagen en blijft het steen waar Mozes de hand in heeft gespaard?

De joodse rabbijn Jonathan Sacks onderscheidt twee soorten ontmoeting van God en mens. Hij heeft het over ‘een opwekking van boven’ en ‘een opwekking van beneden’. God veroorzaakt de opwekking van boven. De mens veroorzaakt de opwekking van beneden. Een opwekking van boven is spectaculair en bovennatuurlijk, een gebeurtenis die de ketenen van de oorzakelijkheid van zich afschudt. Een opwekking van beneden heeft die grootsheid niet. Het is een menselijk gebaar. De opstanding van de doden, ik geloof daarin, ik ben een Farizeeër, is een opwekking van boven. We hebben er geen beschikking over of aandeel in. Dat volbrengt God aan ons. Een opwekking van boven kan de natuur veranderen. Het is overweldigend.

Dat is bij de opwekking van beneden anders. Dat is eenvoudiger en menselijker. Daardoor gebeurt er tegelijk iets anders. Omdat wij initiatief nemen, verandert er iets in ons. Je doet zelf ervaring op. Een opwekking van boven verandert het universum, een opwekking van beneden verandert vooral onszelf. Daarom is het in ons leven nodig, dat we niet alleen cadeau’s ontvangen, maar ook inspanningen kennen.

Jonathan Sacks wijst er op, dat er in Exodus meer voorbeelden zijn van die opwekking van boven en die opwekking van beneden. Ik zal er één naar voren halen. Israël krijgt tot tweemaal toe met vijanden te maken in de woestijn. De eerste keer zijn het de Egyptenaren, de tweede keer zijn het de Amalekieten. De eerste keer drijft Egypte Israël in het nauw bij de Rietzee. Daar krijgt Israël bevel niets te doen. ‘Wees niet bang, wacht rustig af. Dan zult u zien hoe de Heer vandaag voor u de overwinning behaalt’ (Ex. 13: 13). Maar tegen de Amalekieten moeten de Israëlieten zelf vechten. ‘Toen zei Mozes tegen Jozua: ‘Kies een aantal mannen uit en trek met hen tegen Amalek ten strijde’ (Ex. 17: 9). En Mozes zelf bemoeit zich met de strijd met de armen en de wandelstok omhoog. Het verschil is voelbaar. Direct na de doortocht door de Schelfzee klagen de Israëlieten al weer steen en been. ‘Waren er in Egypte geen graven, dat u ons hebt meegenomen om in de woestijn te sterven?’ (Ex. 14: 11). Maar na de oorlog tegen de Amalekieten morren ze niet. Het was alsof ze een ander volk zijn geworden. De strijd die voor ons gestreden wordt, gaat over ons heen. Maar de strijd die we zelf leveren, verandert ons.

Zo is het met de vrijheid in ons leven. De Geallieerden hebben ons de vrijheid aangereikt. En we mogen het als een Gods geschenk ons toeëigenen. Maar wil het echt bodem krijgen in ons leven, dan zullen we zelf ook moeten bijdragen. Dan spannen we ons in om de vrijheid kracht van bestaan te geven.

Ik herinner me deze week een videoconferentie. Iemand kwam te laat binnen. Hij verontschuldigde zich en zei dat hij nog ergens was geweest en echt zijn best had gedaan om op tijd te komen. ‘Ik reed met 130 over de snelweg. En toch was er nog iemand die me voorbij raasde. Dat was wel heel roekeloos’. Waarop iemand direct reageerde: ‘Wie zegt dat de grens van roekeloos en niet roekeloos bij 131 km ligt?’. We hebben de neiging van de ander de inzet te veranderen en zelf buiten schot te blijven. Hoe zei premier Rutte dat ook al weer? ‘De vrijheid van de één kan niet ten koste gaan van de gezondheid van de ander’. Onze eigen betrokkenheid wordt gevraagd.

Dat wil ik met u delen.

Foto's:
Boven van wikipedia een portret van Tomás Halík
Onder een foto van het gesprek in de synagoge van Haaksbergen gehouden voorafgaand aan het uitspreken van bovenstaande overdenking