Foto: De promovendus had zijn twee dochters als paranymf 

Veenbaas gepromoveerd op Heliand


Redmar Veenbaas is gepromoveerd op een dissertatie over de Heliand. Onder de noemer ‘traditionele zanger of geleerde?’ richt hij zich vooral op de vraag naar wie de auteur is. Hij maakt het aannemelijk dat de ooit blinde dichter Bernlef de tekst heeft samengesteld.

De Heliand is belangrijk als basis voor de streektaal zoals we die onder meer in de classis Overijssel-Flevoland hanteren; het Nedersaksisch. De Heliand beschrijft het leven van Jezus Christus vanuit een harmonisatie van teksten die in de vier evangeliën van de Bijbel te vinden zijn.  De tekst is als gedicht opgesteld in het oud-Saksisch. Er zijn inmiddels vertalingen in onder meer het Sallands, Gronings, Achterhoeks en Munsterlands.

Tijdens de promotieplechtigheid aan de VU op 12 februari gaf Veenbaas een korte toelichting op de dissertatie waar  hij al vanaf de jaren tachtig aan heeft gewerkt. Hij ziet twee doelgroepen voor de dichter van de Heliand: de beginnende monniken en de adel. Mensen die op het land arbeidden of als ambachtsman werkten waren analfabeet.

De dichter realiseerde zich dat de adel de tekst zou horen. Dus hij verwerkt onderwerpen die voor de adel van belang waren. Hij gaat bijvoorbeeld in op het begrip ‘roem’, zoals je dat in de feitelijke evangeliën niet vindt. Hij heeft de kritiek op rijkdom afgezwakt, omdat de meeste adellieden vermogen waren. En hij besteedt meer aandacht aan de rechtspraak, omdat rechtspreken een taak is van de adel. Zo laat hij zien dat bloedvetes niet mogen voorkomen. Hij maakt het niet te theologisch en spreekt dus wel over God, Christus en de Heilige Geest in één adem, maar benoemt dat niet als drie-eenheid.

Redbaas richt zich in een zoektocht op het profiel van de dichter. De dichter kent dichtkunst met technische foefjes. Hij zet abstracte begrippen om naar actieve handelingen. Hij presenteert vanuit een mondeling gezichtspunt. En zegt nergens zelf iets gelezen te hebben. Het Latijnse voorwoord is niet door hemzelf geschreven. Al deze elementen typeren de dichter als een man uit het volk. Omdat hij zelf het Latijn niet machtig was, moet hij hulp gehad hebben van leermeesters. Redbaas ziet die hulp komen vanuit twee kloosters: dat van Fulda en dat van Werden.

Redbaas presenteert vervolgens vijf namen als mogelijke auteur en meent dat Bernlef het beste aan de kwalificaties voldoet. De dichter is bekend vanuit een levensbeschrijving van Liudger. Het is bekend dat Liudger en Bernlef elkaar ontmoet hebben in Noord-Groningen omstreeks het jaar 800. Bernlef genoot als traditionele zanger aanzien, omdat hij veldslagen van koningen goed kon bezingen. Hij leed aan ernstige oogkwaal, waarvan Liudger hem zou hebben genezen.

Tijdens de promotie waren er vragen van verschillende hoogleraren.


Prof. dr. Marco Mostert, gespecialiseerd in Middeleeuwse geschiedenis uit Utrecht, wilde meer weten over de omstandigheden waarin Bernlef en Liudger elkaar hebben getroffen. Hij vroeg zich verder af of de kern van het proefschrift, namelijk dat Bernlef de auteur is, niet zwaar leunt op drie stukken van Liudger, waarbij de precisering van de stukken nog kan worden uitgebouwd.
Dr. Karin Olsen, specialist in Oudengelse taal en literatuur uit Groningen, vroeg door op de exacte vertaling van ‘studium’ als ‘dichtkunst’. Zij wilde verder weten hoe Bernlef de goede vertaling van het Latijn zich eigen had kunnen maken.
Dr. Kees Dekker,universitair docent oudere Engelse literatuur en cultuur in Groningen, vroeg naar de reconstructie van het auteurschap. Redbaas leunt op hagiografie en dat genre is minder betrouwbaar. Hij noemde als tweede punt het werk van Ronald Murphy waarin Germaanse aspecten zijn uitgewerkt en vroeg zich af of dat niet meer ruimte in de dissertatie had mogen krijgen
Prof. Mirjam van Veen, aangesteld voor kerkgeschiedenis aan de VU, vroeg zich af of Redbaas met alle puzzels die hij op tafel had liggen, uiteindelijk niet te veel onbekende factoren had om tot een conclusie te komen.
Prof. Arie Zwiep, docent hermeneutiek aan de VU, vroeg naar de concrete uitvoering van de Heliand. Hoe moet je je dat voorstellen, dat zo’n tekst is gebruikt?