Hieronder is de meditatie te vinden die bij het afscheid als classispredikant in parafrase is/wordt uitgesproken. Klik hier voor de bijpassende liturgie. Voor publicaties in de pers: klik hier.

Meditatie bij afscheid als classispredikant


Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Vandaag wil ik een vraag beantwoorden die ik zelf vaak aan predikanten en pastores heb gesteld. Die vraag luidt: ‘Ben je anders gaan denken over je geloof tijdens je ambtswerk? Veranderde je geloofsbeleving tussen het begin van je bediening en nu?’ Nu ik zelf afscheid neem, is het tijd om die vraag op te pakken. We lezen het verhaal van Elia en Elisa – in alle bescheidenheid - als een spiegel voor mijn leven als predikant.

De geschiedenis begint eigenlijk in 2 Koningen 2 vers 1, net voor onze schriftlezing. Daar staat: ‘Het gebeurde, toen de Heere Elia in een storm zou opnemen in de hemel, dat Elia met Elisa uit Gilgal wegging’. De woorden ‘het gebeurde’, wajehi in het Hebreeuws, benadrukken dat het om een werkelijke gebeurtenis gaat. Gods heilsgeschiedenis speelt zich af binnen de gewone geschiedenis. De afloop wordt direct genoemd. De Heere zal Elia opnemen in een stormwind. Daar komen we later op terug.

Eerst nog iets meer over dat openingsvers. Hoe Elia, de oudgediende en Elisa, de jongere, op weg gaan. Het eerste dat opvalt is, dat zij gaan van Gilgal naar Bethel. Daarna trekken zij naar Jericho. Vervolgens komen zij bij de Jordaan. De laatste fase van Elia’s dienst speelt zich af in de open lucht. Dat vind ik veelzeggend. Het geloofsleven speelt zich af buiten de kerk. Volgens de Infographic Bijbel vond 78 procent van de gebeurtenissen in het leven van Jezus niet plaats in tempel of synagoge. Ze vonden plaats op stranden, in bergen, in tuinen en bij mensen thuis. Ik trek de conclusie: Gods aandacht gaat uit naar de wereld. De kerk is een middel, een vertaalbureau; maar Gods Koninkrijk is omvattender. Daarom beginnen wij belangrijke rapportages van de classis altijd met het onderdeel: ‘Kerk naar buiten’.

Het tweede dat opvalt aan dat eerste vers, is de aankondiging dat de Heere Elia zal opnemen. Die mededeling geeft aan deze hele reis een goddelijke bedding. God spreekt niet rechtstreeks in dit verhaal. Toch is Zijn aanwezigheid overal voelbaar. Mensen spreken over Hem. Onderweg zijn het leerlingen van profetenscholen. En aan het einde klinkt nog een keer de verzuchting van Elisa: ‘Waar is de Heere, de God van Elia?’ Mensen maken Gods aanwezigheid zichtbaar. Dat is onze roeping. Wij mogen Zijn naam noemen in het gewone leven.

Het derde dat opvalt is de route van het tweetal. Ze bezoeken Gilgal, Bethel en Jericho. Dat zijn geen toevallige plaatsen. Gilgal is de plaats waar Israël voor het eerst verbleef in het beloofde land. Bethel is verbonden met Jakobs droom en wordt vaak in één adem genoemd met Ai. Jericho is de eerste grote stad die werd ingenomen. Zelf had ik waarschijnlijk andere plaatsen gekozen. Ik had gedacht aan de Karmel, waar Elia de Baälpriesters versloeg. En aan de Horeb, waar hij God ontmoette in het zachte suizen van de wind. Dat zijn de letterlijke hoogtepunten van Elia’s leven. Maar God kiest anders. Hij leidt Elia langs de plaatsen die verbonden zijn met de identiteit van het volk. Daarmee wordt duidelijk dat het ambt deel uitmaakt van een traditie. Wij dragen die traditie niet. De traditie draagt ons.

Toen ik begon als predikant, dacht ik vrij functioneel over het ambt. Wanneer mensen spraken over geestelijke leiding, zei ik vaak relativerend: ‘Ik heb ook leiding gegeven in andere beroepen, bij de krant en de uitgeverij’. Nu zeg ik: ‘En toch is dat anders’. Ik ben er anders naar gaan kijken. Dat komt door de vierjaarlijkse bezoeken aan kerkenraden. Ik kreeg er geregeld de vraag: ‘Mogen we ook niet-ambtsdragers in de kerkenraad laten plaatsnemen. Want het is zo moeilijk ambtsdragers te vinden’. Die vraag raakte mij. Ik kon haar moeilijk verbinden met mijn visie op het ambt.

Voor mij is het wezen van het ambt dat je God ter sprake brengt. Je verwijst naar Hem. Het gaat niet om jezelf. Het gaat om het mysterie van het leven, wat we samenvatten met een persoon, met God. Juist daarom geeft het ambt ontspanning. God zorgt Zelf wel voor Zijn aanwezigheid. Daarom ben ik de wens om geen ambtsdrager te hoeven zijn steeds meer als een misverstand gaan zien. Het ambt verlicht het werk eerder dan dat het haar verzwaart.

Dat was vers 1. Kuieren we verder met Elia en Elisa. Die twee mannen komen bij de Jordaan. Elia de oudgediende. Elisa de jongere. Bij de Jordaan neemt Elia zijn mantel. Hij rolt die op en slaat ermee op het water. Die mantel vertegenwoordigt zijn roeping. Het is zijn gebedsmantel. Het is zijn bescherming in de nacht. Het is zijn identiteit.

Elia slaat met zijn mantel op het water van de Jordaan. Het water splijt uiteen, letterlijk naar deze kant en naar die kant. Het water stroomt niet langzaam weg. Het opent zich. Toen ik theologie studeerde, las ik het boek ‘De Bijbel heeft toch gelijk’ van Werner Keller. Keller probeert dit soort wonderen op een natuurlijke manier te verklaren. Bot gezegd: de rivier droogde op. Ik wilde de wonderen uit de Bijbel aannemelijk maken. Die behoefte heb ik niet meer.

Henk Vreekamp heeft mij daarbij geholpen. Hij onderscheidt in navolging van de schrijver Max Brood joods, christelijk en heidens denken. Volgens hem zoekt heidens denken vaak naar natuurlijke verklaringen. Het christelijk geloof plaatst de werkelijkheid in het licht van de eeuwigheid. Het jodendom legt nadruk op verantwoordelijkheid in het leven en laat ruimte voor wonderen. Het grootste wonder daarbij is, dat God ingrijpt in deze wereld. Dat doet Hij in de schepping. Dat doet Hij in het leven van ons mensen. Daarom is het splijten van de Jordaan een blijk van zijn aanwezigheid, een wonder. God is er bij.

Elia laat beloofd land achter. Zijn taak zit erop. Hij komt terecht in het gebied voorbij de Jordaan. Hij moet loslaten. Misschien voelde het voor hem ook als een terugkeer naar Gilead, waar hij ooit geboren is. De cirkel sluit zich.

Dan zegt Elia: ‘Kan ik nog iets voor je doen?’ En Elisa antwoordt: ‘Laat twee delen van je geest op mij zijn’. Eerst dacht ik competitief. Dat Elisa meer dan anderen om geesteskracht vroeg. Later ontdekte ik dat deze woorden verwijzen naar Deuteronomium 21 vers 17. Daar staat: ‘De oudste zoon zal een dubbel deel van de erfenis ontvangen’. Elisa vraagt dus niet om meer macht. Hij vraagt om het erfgoed van zijn meester te mogen voortzetten. Hij wil in de traditie staan, meer dan anderen.

Elia reageert terughoudend. ‘Je vraagt iets moeilijks. Het zal je gebeuren als je ziet hoe ik word weggenomen’. Zo gaat het met wonderen. Wie ervoor openstaat, blijft zich verwonderen en is geschikt voor het ambt. Wie alles wegredeneert, is niet minder, maar heeft oog voor andere dingen. Elisa bezit de fijngevoeligheid. Dan volgt er weer een wonder.

Elia vaart ten hemel. De hemelvaart van Elia maakt duidelijk dat het leven niet eindigt bij de dood. Mensen houden niet op te bestaan. Zij bereiken juist hun bestemming. In de streektaal hebben we er een uitdrukking voor; we zeggen: ‘Iemand komt uit de tijd’. Hij komt thuis. Of in Kamper parafrase op een gedicht van Willem Wilmink:

‘In ’t Nederlands is iemand dood egoan
over sien reise valt vadder niks meer te droomn
in de steektaal is iemand uut de tiet ekoomn
dus ie weetn zeker: hij sal bliem bestoan

De eeuwigheid is een thuishaven.

Toen ik predikant werd, sprak ik over 1 Korinthe 2 vers 2: ‘Ik heb besloten niets anders onder u te weten dan Jezus Christus en Die gekruisigd’. De christen in mij zag in de houding van Christus het hart van God zelf. God die niet op zijn strepen staat en liefde opeist, maar God die ons liefde geeft, zelfs als dat in zijn eigen vlees snijdt. In onze streektaal hebben we daar ook een woord voor: liedensgeerne.

Je mag dat weergeven als: De mens is voor God belangrijker dan de pijn. Dat is het hart van mijn geloof gebleven. De overtuiging dat God liever pijn ervaart, dan ons pijn op te dringen. De betekenis van Golgotha. Er is wel een nuance bij gekomen in mijn leven. Een verandering. Ik ben steeds sterker gaan beseffen dat dit niet alleen een gebeurtenis is uit het jaar 33. Het lijden van Christus gaat met ons mee door de geschiedenis. Dat hoeven we niet uit te leggen aan Joden in Auschwitz. Dat hoeven we niet uit te leggen aan soldaten in Oekraïne. Of aan slachtoffers van oorlogsgeweld, van Be’eri tot Gaza.

Elia vaart ten hemel. Hoe leg je dat uit? Soms heb je een andere taal nodig om dichter bij het geheim te komen. Voor mij is de streektaal zo’n hulpmiddel. De schrijver van 2 Koningen schakelt over naar een ander taalveld. Daardoor komt hij dichter bij het wonder. Hij gebruikt de uitdrukking ‘wagen van Israël en zijn ruiters’. Hetzelfde beeld keert later terug bij het sterven van Elisa. De tekst sluit ook aan bij een van de verhalen van Elisa, als Jeruzalem wordt omsingeld en Elisa bidt voor zijn knecht Gehazi dat hij oog mag krijgen voor de wonderen. Elisa bidt, ik citeer 2 Koningen 13: 14: ‘Here, open toch zijn ogen, zodat hij ziet”. En dan staat er: ‘En de Heere opende de ogen van de knecht, zodat hij zag: en zie de berg was vol paarden en strijdwagens van vuur rondom Elisa’. Je moet blijkbaar oog leren krijgen voor de wonderen om je heen en geschikte taal om het onbeschrijfelijke onder woorden te brengen.

Er verschijnt een vurige wagen met vurige paarden in het leven van Elia. De kleur is rood. Het is vuur. Niet toegankelijk voor een sterveling. Elia wordt opgenomen in een storm, in een wind. Dat Hebreeuwse woord wordt in het Grieks vaak weergegeven met ‘pneuma’, ‘Geest’. De Geest neemt hem op.

Elisa ziet hem niet meer. Dan scheurt hij zijn kleren. Wij zouden vreugde verwachten. Toch is er verdriet. Zoals we verdriet ervaren als iemand die ons lief is, sterft, ook al weten we dat hij of zij bij God is. De oude vertrouwelijkheid verdwijnt. Elisa rukt aan zijn kleren. Meestal staat er dat mensen kleren scheuren. Hier staat dat Elisa zijn kleren in tweeën scheurt. De kleding valt letterlijk van hem af. Hij staat in zijn hemd.

Maar niet lang. Hij pakt de mantel van Elia op. Elia heeft die niet meer nodig. Elia draagt nu het witte kleed van hen die bij God zijn. Elisa neemt zijn mantel over en zet het ambt voort.

Vandaag neem ik afscheid als classispredikant. Ik ben dankbaar dat ik als emeritus het ambtskleed mag blijven dragen. Maar het kleed van de actieve dienst komt om iemand anders zijn schouders te hangen.

Wat voor ons allen blijft, is de mantel van de liefde. Paulus schrijft in Kolossenzen 3, het was de trouwtekst van Henny en mij: ‘Bekleed u met innige gevoelens van ontferming, vriendelijkheid, nederigheid, zachtmoedigheid en geduld’, dat lukt ons aardig. En dan het vervolg wat ik in gemeentes nog wel eens citeer. ‘Verdraag elkaar en vergeef elkaar’.

Hoe vaak heb ik als classispredikant niet mogen oproepen tot empathie? Hoeveel heb ik niet gehoord dat onder ambtsgeheim viel? Wat blijft, is de mantel van de liefde. De zonen van Noach bedekten de kwetsbaarheid van hun vader met een kleed. Zo bestaat er kwetsbaarheid in de gemeente. We hebben daar binnenskamers over gesproken. Dat moet ook. De waarheid moet aan het licht komen, opheldering kan leiden tot zuivering. En dan kan er ook een moment komen dat je een punt moet zetten. Er is een tijd om te spreken en er is een tijd om te zwijgen.

Aäron zwijgt na de dood van Nadab en Abihu. Jezus zwijgt voor de hogepriester. Soms kunnen woorden niets meer toevoegen. Dan spreekt de liefde sterker dan de tong. De taal van de liefde. Moge God geven dat wij die taal onder elkaar geregeld spreken.

Veur now is’t kloar.