Katja Tolstoj in een goed gevulde St. Mary-kapel in Markelo
Trauma in orthodoxie en seculiere Sovjet-omgeving
Bijna 90 procent van uw analyse berust op literatuuronderzoek en slechts tien procent op theologie. Waarom gaat u zo prominent in op de literatuur? Die vraag werd gesteld op 24 september aan prof. dr. Katja Tolstoj, hoogleraar theologie en religie in post-traumatische samenlevingen. Ze sprak over het thema ‘Liturgie ten overstaan van extreme ontmenselijking’.
Ze ging vooral in op de betekenis van de opstanding in een context waarin al het menselijke is verdwenen. Ze nam daarbij het werk van Varlam Sjalamov als uitgangspunt. Sjalamov vertelt over zijn ervaringen in de Russische Goelag-archipel. Hij doet dat als niet-christen, hoewel hij zelf zoon van een priester is, dus de betekenis van liturgie en geloof wel van huisuit kent. Hij maakte daarin extreme ontmenselijking mee.
Viktor Grebennikov typeerde de honger ooit met: ‘We hadden natuurlijke staarten – het stuitje stak uit. Ik kon gemakkelijk mijn handen om mijn middel sluiten’. En Sjalamov vertelde: ‘Om in het kamp een gezonde jongeman (…) tot een crepeergeval te maken, is een periode van hoogstens twintig tot dertig dagen nodig, bij een zestienurige werkdag, zonder vrije dagen, gecombineerd met systematische honger, kapotte kleren en een slaapplaats in een zeildoeken tent vol gaten bij een temperatuur van zestig graden onder nul, afranselingen van opzichters, de barakoudsten, de criminelen en van de bewakers. De termijn is meer dan eens geverifieerd’.
In dergelijke omstandigheden blijft er amper enige menselijkheid zichtbaar. Sjalamov: ‘De mens leeft door zijn vermogen om te vergeten. Het geheugden is altijd bereid om iets akeligs te vergeten en alleen het goede te bewaren’. En: ‘Kou, honger en slapeloosheid maakten het ontstaan van vriendschappen onmogelijk, en Doegajev (hoofdpersoon in het verhaal), hoe jong hij ook was, begreep de leugenachtigheid van het gezegde dat je je vrienden in nood leert kennen. Voor vriendschap die echt vriendschap is moet een solide basis gelegd zijn in de tijd van de levensomstandigheden nog niet die uiterste grens hebben bereikt, aan gene zijde waarvan de mens niets menselijks meer bezit, en er alleen nog wantrouwen, woede en leugenachtigheid bestaat’.
Totale leegte
Enkele bezoekers steigerden bij deze totale leegte. Mocht je geen aanknopingspunten vinden in de hoop van een opstanding in Christus? Kon je niet aansluiten bij bepaalde bijbelgedeelten? Iemand verwees naar ds. Knoop die in Dachau staande was gebleven, die veel steun aan het geloof had gehad en die met andere kampbewoners sprak om elkaar te bemoedigen. Katja Tolstoj reageerde dat inderdaad de hele wereld op de kop komt te staan als je extreme ontmenselijking serieus neemt. Sjalamov probeert allereerst de lezer deelgenoot te maken van de ellende.
Als academicus is het niet verantwoord, zo legde ze uit, te snel over een goedkope genade te spreken of te zoeken naar een Hollywood-achtige oplossing. ‘Je neemt zo’n atheïstisch verhaal tot je zonder te snel een antwoord te geven’. ‘We moeten dieper nadenken’. ‘Ik kon hem niet mijn bijbel opleggen’. Er zijn situaties waar al het menselijke de mensen heeft verlaten, inclusief de taal. Als je dan in de lijn van Kierkegaard over het geloof begint, is dat inderdaad een sprong naar een andere werkelijkheid. Dat is een persoonlijke stap.
Katja Tolstoj ging daarna door op de verhouding van deze onmenselijkheid tot de natuur. Een kunstenaar als Armando uit Amersfoort, ziet de natuur als een ‘schuldig landschap’. Hij schildert het landschap rond kamp Amersfoort en concludeert dat het landschap ook is besmet, schuldig is, omdat het zweeg bij alle onrecht dat het zag. Armando projecteert de schuld op een onverschillige natuur. Dat is bij Sjalamov en in de orthodoxe benadering anders.
Sjalamov ziet de natuur als deelnemer aan het menselijke leven. De overleden kampbewoners blijven bewaard in de permafrost van sneeuw en ijs. De lariksen dragen de geur van hen; de zwarte eekhoorns kijken naar het gelaat. De natuur bewaart het leven en geeft prijs wat zij bewaarde. De natuur is dus geen schuldige, maar een getuige. ‘De geur van de lariks wordt eerst verward met de geur van lijken, maar lijken geuren niet in Kolyma. De natuur is geen metafoor, maar aanklager van het misdadige totalitaire regime en archief. De sneeuw, de lariksen, de zwarte eenkhoorns weigeren uitwisseling van wat gebeurt. Heel de schepping is met elkaar verweven. De lariks verbeeldt geen opstanding, zij is de continuïteit waar alle menselijke structuren – moreel, symbolisch, gemeenschappelijk – zijn ingestort. Dit is geen kosmische liturgie van hoop, maar de schepping waarin het uitsterven niet is geslaagd. De schepping zelf weigert te vergeten en laat het leven doorgaan.
Goddelijke vonk
In het gesprek met de zaal bleek de spanning tussen een meer orthodoxe benadering en een westerse insteek. Sjalamov laat zien dat uiteindelijk alleen de woede overblijft. De goddelijke vonk kan zich niet meer uiten in een concreet mens, maar leeft voort in de natuur. Een bezoeker verwoordde: ‘In Jezus Christus kom ik geen woede tegen aan het kruis’. In de orthodoxie is alles met alles verbonden door goddelijk DNA. Dan ben je op een andere manier verantwoordelijk. Katja Tolstoj citeerde Gregorius Palamas (1296-1359): ‘De van Gods wezen (‘essentie’) uitgaande ongeschapen 'energieën’ doordringen de schepping’. Deze leer is ook op concilies bekrachtigd.
Tolstoj citeerde ook Dostojevski: ‘Mens voel je niet verheven boven de dieren: zij zijn zonder zonden, terwijl jij met al je grootheid de aarde door je verschijning laat rotten en een spoor van rotting achterlaat – helaas, bijna ieder van ons! Houd vooral van de kinderen, want ook zij zijn zonder zonden, gelijk de engelen’. En: ‘Mijn broer vroeg vergiffenis aan de vogeltjes: dat klinkt zinloos, maar het is juist, want alles is als een oceaan, alles stroomt en staat met elkaar in verbinding, je raakt het op één plaats aan – het weergalmt in het andere uiteinde van de wereld’.
Ds. Wim de Jong uit Haaksbergen, één van de gesprekspartners na de pauze