Lezing:
1 Samuël 19: 19-24
Handelingen 9: 1-9
We staan aan het begin van een nieuw seizoen. We willen met elkaar nadenken over het thema ‘Trend en bezieling’.
Drie punten:
1. Saul valt mee.
2. Saul valt tegen.
3. Saulus valt op.
We spiegelen ons in Saul.
Gemeente van onze Heere Jezus Christus,
Saul is een man die weet heeft van God, ook al ziet de bijbel hem niet als vroom. Prototype van velen in onze cultuur, zou je kunnen zeggen. Die Saul valt bij een eerste kennismaking best mee. De tekst van 1 Samuël 19: 20 zegt zelfs dat de Geest van God hem overmant. We realiseren ons hoe belangrijk die opmerking is; juist in een tijd waarin er veel mensen buiten de kerk leven. De Geest van God is zo krachtig, dat ook mensen buiten de geloofsgemeenschap er door geraakt worden. Verwonderlijk klinkt de vraag: ‘Is Saul ook onder de profeten?’ Nou dat blijkt. Hoe zit dat dan?
Laten we nauwkeuriger kijken. Ik heb de indruk dat wij Saul wel eens wat eenzijdig neer zetten. Ik merkte het, toen ik een plaatje zocht van hem. Ik kwam de meest sombere gestalten tegen. Een depressieve man. Een agressieve man. We maken er een karikatuur van. Dat moeten we niet te snel doen. In Saul gaat het ook over onze buren die niet vroom zijn. En het gaat over onszelf, wij die met één been in de seculiere samenleving staan.
Ik lees in de bijbel, dat Saul sociaal is. Hij verstopt zich achter bagage, als hij aangewezen wordt als koning. Ben ik wel goed genoeg?, vraagt hij zich af. Hij is bescheiden. Later lezen we dat Saul voorafgaand aan een veldslag offert voor God. Hij doet dat niet om zelf op de voorgrond te treden. Hij doet dat omdat Samuël op zich laat wachten en de soldaten worden ongeduldig. Saul houdt rekening met hun gevoelens. Nog weer later lezen we dat het leger van Israël op de vlucht slaat in een oorlog tegen de Filistijnen, maar Saul blijft tot het laatst met zijn zonen standhouden (1 Samuël 31). Zijn zonen sneuvelen. En uiteindelijk offert Saul zijn eigen leven op.
Saul is onder de profeten. Het staat twee keer in de bijbel. Het staat de eerste keer in 1 Sam. 10: 12. Saul zoekt weggelopen ezels. Hij komt bij Samuël. Daar treft hij jonge profeten. Saul raakt met hen in vuur en vlam. Hij doet mee. En dan is er deze tekst, 1 Samuël 19: 24. Later in Sauls leven. Saul wil David doden. David heeft zijn toevlucht gezocht bij Samuël. Saul stuurt tot drie keer toe soldaten. Als dat niets uithaalt, komt hijzelf. En hem overkomt wat de soldaten eerder overkwam. Hij raakt in de ban van de Geest. Alsof hij bij Opwekking mee doet. Hij trekt zijn koninklijke kleren uit en danst naakt rond, dat doen we bij Opwekking dan weer niet. In de taal van de bijbel laat het zien, dat hij even niet gehinderd wordt door wat het ambt van hem vraagt. Even Prins Pils. Saul beweegt mee op de golven van het moment.
Ik kom bij het tweede punt: Saul valt tegen. Saul is jaloers. Jaloers op David. Als David Goliat heeft verslagen, zingen de vrouwen: ‘Saul heeft zijn duizenden verslagen, maar David zijn tienduizenden’ (1. Sam 18: 6-9). Saul ziet David als tegenstander, hoewel David altijd zorgvuldig vermeden heeft zijn hand te slaan aan de koning. Hij vervolgt David. Waarom doet hij dat? We zijn dan bij een van de mysteries van ons leven. Waarom moeten alle migranten remigreren van sommige mensen? Waarom discrimineren we? Waarom discrimineert Saul?
Is het, dat hij zijn eigen leven niet gedragen voelt door God. Is hij jaloers op de relatie tussen God en David? Als dat het is, denk je, geef je dan over aan de liefde voor God. Leef in zijn liefde. Laat los die verkramping. Hoeveel energie vloeit er niet zinloos weg?
Als hij in gezelschap van andere profeten is, grijpt het hem aan. Hij doet mee met de trend. Maar dieper komt het niet. ‘Trend en bezieling’. God vraagt meer dan de bevlieging van het moment; hij vraagt om duurzame verbondenheid. Het is goed om dat tegen elkaar te zeggen aan het begin van een seizoen. Meer dan de emotie van een profeet, de levenslange trouw van een priester of een koning. We zijn om met Petrus te spreken: ‘geroepen een koninkrijk van koningen en priesters’ te zijn.
Priesters verzorgen het verkeer tussen hemel en aarde. En durven te zeggen: ‘wat je hier ziet, daarin mag je Gods hand herkennen’. Ze brengen mensen tot inzicht en nemen voor mensen de lofprijzing in de mond. Bij grote mensen in de bijbel lezen we dan ook dat ze een lofprijzing in de mond nemen. Je ziet het bij Hanna, bij David, bij Maria, bij Zacharias, bij Tobit. Je ziet dan in de regel dat de lofprijzing aan het einde komt van een periode waarin ze de omgang met God leerden kennen. En dat ontbreekt bij Saul. En dat is pijnlijk, want Saul naderde een hoogste vorm van godsdienstige uiting. De profetie. Dat is tekst, klank en dans in één; maar hij mist de gave van de trouw, de loyaliteit.
Je merkt dat op enkele cruciale momenten in zijn leven. Hij houdt zich niet aan de opdracht de Amalekieten uit te schakelen. Daar staat voor het eerst dat God spijt heeft gehad van zijn keuze.
Wat blijft voor ons is de vraag hoe wij voorbij zo’n punt kunnen komen. Om daar idee bij te krijgen, kijken we naar het Nieuwe Testament, naar de man die naar Saul is vernoemd: Saulus. 3. Laten we ook nog eens wat nauwkeuriger naar die Saulus kijken. Er zijn overeenkomsten met koning Saul.
Natuurlijk is er de naam. Saul en Saulus zijn beide Benjaminiet (1 Sam. 9: 1-2; Filip. 3:5). Beide hebben een deel van hun leven in dienst van God besteed, een deel bij de tegenwerkers. Ze zijn beiden onderweg. Beide worden gedwongen te stoppen met de missie waarmee ze bezig waren. Beide: Krijgen hulp van een derde. Bij Saul is dat Samuël. En bij Saulus is dat Ananias. Beide maken een ommekeer mee.
Misschien moeten we ook enkele verschillen benoemen. In het Oude Testament staat dat Saul bij een put aankomt en vraagt waar hij het goede adres kan vinden. In Handelingen bij Saulus is er nog geen sprake van een put of een adres; er is eensklaps licht om Saulus heen. Het is het licht van de Sjechina, de aanwezigheid van God op de aarde. Later spreekt Paulus zelf over een opname tot in de derde hemel.
In Handelingen 9 is er sprake van een stem. De omstanders horen ook die stem. De God van Israël heeft een voorkeur zich met stem kenbaar te maken. Vanaf Abram gaat dat zo. Genesis 12: 1: ‘De Heere zei tegen Abram’. Als Saul expliciet vraagt vers 5 ‘Wie bent u, Here’ is er het antwoord: ‘Ik ben Jezus’. Eigenlijk is het niet eens een vraag. Je weet dat het de Here is, je weet het al als je de vraag stelt. Als ik je vraag: Wie ben je, Ruben, wie ben je Gerrit; zal je antwoorden: Je zegt het toch al. Je kent me toch al? Herkennen we dat bij onszelf? Die stem in jezelf? De stem van een ander die je pad kruist? Heb je daar een zintuig voor?
Paulus wordt aangesproken als: ‘Saulus, Saulus, waarom vervolgt u mij’. Die vraag had koning Saul gehoord, toen hij in 1 Samuël 26: 18, David achtervolgde in de woestijn Zif. Ze krijgen dezelfde vragen in het leven. Maar ze geven een verschillend antwoord. In 1 Samuël 15 verzucht Saul: ‘Wat heb ik gedaan?’ In Handelingen 9:6 vraagt Saulus zich af: ‘Here, wat wilt u dat ik doen zal?’ De één blijft zelf regie voeren. De ander laat zich interrumperen in zijn eigen gedachten. Laat zich onderbreken.
Er is metanoia nodig, bekering, zegt Kees van Ekris in het Nederlands Dagblad. Bekering betekent anders gaan voelen, kijken, denken en handelen. We oefenen in het binnen laten van emoties van buiten. We hebben steeds weer te luisteren naar elkaar als relaties scheef worden. In een dorp. In een kerk. In een huwelijk. Je laat je uit oude kaders lostrekken. Dat geldt ook maatschappelijk. Kees van Ekris noemt het voorbeeld van de verzengende bosbranden deze zomer. Raakt ons dat zodat we een andere levensstijl gaan aannemen?
Van Saul lezen we dat hij terug valt in zijn oude kwaal. Hij staat David naar het leven. Van Saulus staat dat niet. Ik lees nog even verder in Handelingen. Vers 9: ‘Drie dagen lang bleef Saulus blind. Hij at en dronk niet’. Drie dagen. Drie dagen duisternis zijn er. Drie dagen het graf. Zoals Jezus drie dagen in het graf verkeerde om het leven te vernieuwen. Bij Saul komt het getal drie ook voor, maar het gaat dan om de drie dagen dat de ezels zoek zijn. Niet koning Saul, maar de ezels moeten zich laten vinden. Hoeveel vernieuwing kan jij aan in je leven.
Boeiend om hier op de naamsverandering te letten. Saul betekent letterlijk, ‘gevraagd’, ‘afgesmeekt’. Deze Saulus raakt later bekend als Paulus. De naamsverandering wordt en passant in Handelingen 13: 9 genoemd: ‘Saulus, die ook wel genoemd wordt Paulus…’ staat er. Dat is allereerst omdat Saulus Hebreeuws is, en Paulus een Romeinse naam. En die naam is handig voor de wereldreiziger die Paulus is. Paulus zelf voert de naamswijziging zelf door. Hij doet dat in een gesprek met de Romeinse proconsul Sergius Paulus.
De naam Paulus betekent ‘klein’ of ‘gering’. Daarin zit humor als je weet dat koning Saul in het Oude Testament bekend stond om zijn uitzonderlijke lengte. Hij stak met kop en schouders boven de mensen uit. Saulus in het Nieuwe Testament laat zich ‘de kleine’ noemen. De naamswijziging is niet door God doorgevoerd. God vraagt hem niet om klein van zichzelf te spreken. Als Jezus spreekt over verandering is het een je open stellen voor de liefde. Dat doet recht aan beide mensen. Paulus zelf noemt zich de kleine. Het is een pedagogische naam. Paulus benadrukt later zelf die nederigheid, bijvoorbeeld in 1 Korinthiërs 15: 9: ‘ik, de geringste van de apostelen’, zegt hij dan. Paulus die zelf getuigt in Galaten 2: 20: Het is ‘niet meer ik leef, maar Christus leeft in mij’. De naam die Paulus kiest is een voortdurende herinnering voor hemzelf Christus niet voor de voeten te lopen.
Dat we die overtuiging basis mogen laten zijn van ons leven. Niet voor even, een trend. Nee, voor het leven. En laten we beginnen met dit seizoen.
Ik sluit af met een parabel. In de lijn van Paulus, die vanaf dat moment zich richt op de seculiere mensen. En die waren toch weer anders gevormd dan iemand als koning Saul. Koning Saul kende de traditie van huisuit. Dat was bij seculiere mensen op de zendingsreizen van Paulus anders. Een parabel dus. Twee vissen zwemmen in de zee. Zegt de ene vis tegen de andere vis: ‘Heerlijk, vind je niet? Zo in het water rond te zwemmen’. Zegt de andere vis: ‘Water, wat is dat?’ De tweede vis, die onwetend rondzwemt in wat vanzelfsprekend zou moeten zijn, is een seculiere Nederlander. De eerste vis is als een priester, die weet heeft van de omstandigheden. Zou het onze roeping kunnen zijn steeds weer te duiden in wat voor water wij hier rondzwemmen?
Amen